Een Griekse tragedie

Een Griekse tragedie, noemde Andere Tijden-presentator Hans Goedkoop het, de val van de Groningse burgemeester Hans Ouwerkerk in 1998. Mijn niet-tante Winnie Sorgdrager speelde er nog een belangrijke rol in. Om haar uit de wind te houden, zorgde een stel Haagse ratten voor het uitlekken van een rapport over de affaire Lancee, een rapport dat geen spaan heel liet van de Groningse driehoek: officier van Justitie, hoofd van de politie en de burgemeester.

En juist nadat dat rapport de burgemeester en zijn hoofdcommissaris van politie tot aangeschoten wild had gemaakt, gooide op 30 december 1997 een stel kwajongens een steen door de ruit van het SP-statenlid John Lammerts. De steen miste maar net zijn vrouw. Maar de Oosterparkwijk was even, heel even, een no-goarea. De  politie stond met 13 agenten tegenover 60 jongeren. De politie trok zich terug en de jongens konden een uur lang hun gang gaan. Pas tegen twaalf uur verscheen de ME. De foto hierboven  (DvhN) toont de ravage in het uitgebrande pand aan de Goudenregenstraat 7 na de rellen.

Toeval, die onberekenbare, trouweloze en vaak laaghartige, figuur die ons leven maakt of breekt.

Ik was afgelopen vrijdagavond in het Forum bij een voorvertoning van de documentaire die Andere Tijden maakte over de affaire. Na afloop werd er doorgepraat met Hans Ouwerkerk, Rob Zijlstra (de verslaggever van het Dagblad van het Noorden die indertijd verslag deed van de rellen), John Lammerts en Peter den Oudsten, de huidige burgemeester.

Als dit een roman was, en ik de schrijver, zou de ex-burgemeester de journalist de hersens inslaan. Niet omdat deze journalist zoveel fout deed. Integendeel, voor zover ik het begreep, deed het Dagblad redelijk objectief verslag. Nee, omdat de media van een relletje een rel maakten en van een rel een oproer en van een oproer een volksopstand.

Maar Zijlstra boft. Dit is geen roman. Dit is echt. En het mooie van echt is dat de burgemeester die viel, in vrede terugkijkt. Boos, maar in vrede. Dat raakte me.

Aanstaande zaterdag zenden de VPRO en NTR de documentaire De val van een burgemeester uit.

Beschuit

Ik leef van rol beschuit naar rol beschuit. Zojuist at ik alweer de laatste beschuit van alweer een nieuwe rol. Al zo’n 25 jaar eet ik ’s ochtends 1 beschuit; ik ben al die tijd de enige beschuitgebruiker. Straks koop ik me dus de rol die me richting kerst brengt. De volgende rol tilt me dan naar 2018. Dan nog een halve rol en mijn kleinzoon is een feit. Voor wie niet thuis is in de beschuit: er gaan 13 stuks in een rol.

3 rollen beschuit is niet veel voor het grootvaderschap. En wat er van de derde rol over is, deel ik uit. Met muisjes.

Helemaal klaar

‘Ik ben helemaal klaar met mensen die …’ Het ging, weet u nog, over de zwartepietdiscussie. De schrijver was klaar met mensen die van een gitzwarte krompratende malloot een met roetvegen besmeurde krompratende malloot wilden maken. En ik moet bekennen: ik reken mezelf tot die groep mensen.

Wat betekent het eigenlijk, klaar zijn met iemand? Ik begrijp het als een tandarts tegen haar assistent zegt dat ze klaar is met mij. Een kapper kan het zeggen, een grimeur op de filmset. Maar het betreft hier gewoon een landgenoot, een lotgenoot, een genoot, die uitroept klaar te zijn met mij. Als je klaar bent met iets of met iemand betekent dat in mijn pietluttige oren dat je er geen zin meer in hebt, dat je er geen woorden meer aan vuil wil maken en dat je het gesprek staakt. ‘Maar we waren nog niet eens begonnen’ stamel ik amechtig.

‘Klaar zijn met’ stond niet in de top 10 van de ‘Weg met het woord-verkiezing’ en dat is jammer. Want waar mensen klaar zijn met iets of met iemand, keren ze elkaar de rug toe.

Wat we zien

huis-grunobuurt-cornecc81-sparidaens.jpg

Over wat mooi is, valt te twisten. Over wat je mooi vindt, kun je praten. Ik werd oprecht geraakt door bovenstaande foto van DvhN-fotograaf Corné Sparidaens, gisteren in ons Dagblad.

Mensen hebben de neiging om huizen menselijke eigenschappen toe te dichten. Het huis dat Sparidaens ons laat zien, is – och erm – moederziel alleen. Eenzaam. Onderkomen. Uitgewoond. Leeg. De gevel is een gezicht, beschadigd. Ik realiseer me dat woorden als ‘eenzaam’ en ‘alleen’ woorden zijn die niet op een stapel stenen van toepassing zijn. Maar ik zie dit huis en denk aan al die mensen die zich staande hielden en uiteindelijk het hoofd in de moede schoot legden. Je ziet wát er gaat gebeuren, je ziet niet dát het gebeurt.

Huis-Grunobuurt-Frenk-Volt

De foto hierboven (van Frenk Volt) is natuurlijk ook prachtig. Hij laat de context zien. Je ziet de sloopmachien die even uitrust. Je ziet de geeuwhonger van de lege containers. Je ziet hoe dit huis als straks de pauze voorbij is in een mum van tijd opgevroten wordt door een man en zijn machine. Maar je ziet ook hoe een nieuwe woonwijk staat te popelen om gebouwd te worden.

Tja. Wat je ziet, zegt uiteindelijk vooral veel over wie het ziet.

Een traditie

Het was traditie: de middag vóór pakjesavond ging ik altijd met de jongens naar het zwembad. Mijn vrouw maakte dan alles verder klaar. En waren we eenmaal thuis, dan kon het Grote Wachten beginnen. Soms regelden we een buurmens die op de deur kwam bonzen. Soms deden we het zelf (‘Hé, hoor ik de bel?’) en soms belde mijn vader die ik dan geïnstrueerd had. Dan lag er een brief met de aanwijzing voor het eerste pakje. Op dat pakje zat een gedicht én een hint waar de volgende ontvanger moest zoeken.

Ik kon er erg van genieten. Maar we deden dat 1 jaar te lang. Toen werd het meer mijn feest. De jaren daarna trokken we lootjes. Iedereen maakte een surprise en een gedicht voor de loteling en legde dat op het grote bed van papa en mama. En papa en mama kochten dan nog een heleboel cadeaus waar papa gedichten bij schreef.

Ik kon er erg van genieten. Maar we deden dat 1 jaar te lang. Toen werd het meer mijn feest. De jaren daarna beperkten we ons tot het trekken van lootjes. Iedereen kreeg gewoon 1 cadeau. En ik kookte lekker eten en zette de wijn op temperatuur.

Een van de broers dobbert nu ergens in de Indische Oceaan. En de ander timmert een kinderbedje. Het is stil. Ik kan rustig uren broeden op wat er echt rijmt op ‘ruimtetijdcontinuüm’ maar er komt niets. Niets goeds tenminste. En ik realiseer me: ook heerlijk. Misschien kunnen we het volgend jaar wel weer terug naar het begin. Of het jaar daarop. Maar voor nu is het mooi. Een traditie is ook maar een serie afspraken die je kunt veranderen.

Onze taal

Het is een prerogatief van fietsers om de fiets te parkeren daar waar de fietser afstapt. Eventueel wil de fietser de fiets nog wel 5 centimeter met de hand verplaatsen om een iets stabielere ondergrond voor de standaard te vinden maar die 5 centimeters zijn ongeveer de limiet.

Dit parkeergedrag maakt delen van de stad onbegaanbaar voor voetgangers. Winkels worden afgesneden van de weg. Slechtzienden kunnen maar beter thuis blijven. Rollators zijn uitgesloten. Met een rolstoel de stad in? Je maakt een geintje zeker. Met andere woorden, fietsers zijn vaak asociale parkeerders.

En wat de gemeente ook doet, het werkt niet.

Dus en ongetwijfeld in arremoede hangt de stad nu op fout geparkeerde fietsen een papiertje. ‘Fietsaso’ staat er op. Nog afgezien van het feit dat veel fietsers zullen denken ‘Nou en’ en het papiertje wegsmijten, betaamt het de overheid niet haar burgers uit te schelden. De overheid kan burgers op gedrag aanspreken, de overheid mag wat mij betreft een briefje ophangen met de boodschap: ‘svp uw fiets elders plaatsen’. Of desnoods: ‘Uw parkeergedrag is asociaal.’ Maar door iemand een asociaal te noemen, doe je een uitspraak over ’s mens wezen, aard, bestaan. Dat past de overheid niet. Bovendien, waar is het einde? Fietshufter? Fietsproleet?

Nee, de overheid mag richtlijnen uitvaardigen. De overheid mag handhaven. En daar moet de overheid het mee doen. Hoe je iets zegt, maakt deel uit van de boodschap. Hoe je iets zegt, zegt wat over jou.

Een rode beuk

We zijn – laten we het maar eerlijk toegeven – hier aan het kerkhof best een beetje verwend. Het hofje is een van de parels van de stad, en dat betekent dat de gemeente voor ons het gras maait, dat er dagelijks een meneer langskomt om de zooi van de scholieren op te ruimen en wekelijks een bladblaasteam om hier de straat en het gras bladloos te houden. En zit er op een van de bankjes iemand die kennelijk in kennelijke staat is, dan staat er onmiddellijk een team handhavers en hulpverleners rond de vagebond.

Maar we steken ook zelf wel eens de handen uit de mouwen. Morgen bijvoorbeeld gaan we een boom planten. Niet wij allemaal, maar een buurvrouw. Gelukkig komt de wethouder helpen. Het is dan ook niet zomaar een boom. Het is een boom ter nagedachtenis aan een buurtgenoot: Greg Ashworth. Ik heb hem nooit ontmoet. Hij overleed bijna een jaar geleden. Hij woonde hier pal bij en was – ik citeer de uitnodiging – een geliefde buurtgenoot.

Het is een beuk. Een rode beuk. Een uit de kluit gewassen rode beuk, mede gefinancierd door de buurt en bedrijven in de buurt.

Overigens. Ooit wilden wij in het kader van een boomplantactie van de provincie een rode beuk in onze tuin. De provincie wees dat af. Een iep? Prima! Een es? Ook goed! Een kastanje? Doen. Maar een rode beuk? No way. Die hoorde niet bij zo’n eenvoudig huisje.

En kijk ons morgen. Dat noemen ze nou opklimmen op de sociale ladder.