Over de liefde

De speelgoedtelefoon staat in voorkamer boven op de poef. Beneden ligt het kleed op z’n plek. De banaan is gekeurd op rijpheid. Het flesje uitgekookt en het broodje voor tussen de middag bijna ontdooid.

Ik legde de nieuwe warme trappelzak in het bedje en zette lammetje en kleine beer links en rechts van het hoofdeinde. De grote beer en de hond haalde ik juist het bedje; iets doet mij vermoeden dat hij die knuffels te groot vindt. In het waskamertje zette ik het nijlpaardje rechtop naast het aankleedkussen.

Het nijlpaardje … Er komt een grote brede glimlach om me en in me als ik het beestje zie en me voorstel hoe blij Lasse zal zijn als-ie hem ziet. Die stralende lach als ik ‘Slaap kindje slaap’ ontlok aan het speeldoosje in de buik van het nijlpaard en hij de grote houten kraal in de mond neemt die aan het uiteinde van het koordje zit dat uit nijlpaards kruis hangt. Ik kan er ook niets aan doen.

Iedere keer ben ik weer verrast over wat zo’n jongen met je doet. Want als men mij op 1 februari een andere knul had laten zien was ik er net zo blindelings en sprakeloos van gaan houden. Die liefde is dus niet aan dat ene individuutje gekoppeld maar komt kennelijk voort uit mijn behoefte om lief te hebben. Dat klinkt eigenlijk best sneu.

Gelukkig werd Lasse niet die heel andere knul maar zichzelf, gefascineerd door een nijlpaard.

 

 

Geheugen

Voor iemand met zo’n slecht geheugen als ik, presenteer ik u wel veel herinneringen. Linke soep omdat ik nogal wat mensen ken die dergelijke herinneringen schaterend wegwimpelen. Of verbaasd de wenkbrauwen fronzen, bijvoorbeeld als ze lezen dat een voormalige vriendin tekeningen maakte in het kookboekje van mijn moeder. Wie mag dat dan wel zijn, die voormalige vriendin?

Oké. Mijn herinneringen zijn mijn herinneringen. Gebeurtenissen zoals ik nu denk dat ze ooit zijn gegaan zoals ik denk dat ze zijn gegaan. U hoeft me helemaal niet te geloven. Ik ben een verhalenverteller. Ik ben een man.

Onlangs ontmoette ik op een feestje een echtpaar. Hij vertelde een mooi verhaal. Zij stond er naast en interrumpeerde hem met enige regelmaat voor een kleine nuance (geen pleonasme hier) of een correctie. Hij zuchtte zichtbaar en hoorbaar. Zij begreep de herkomst ervan maar rechtvaardigde zich. ‘Het klopt gewoon niet!’ Toen wist ik het zeker. We worden niet begrepen.

Het kookschrift van mijn moeder

Ik hervond in de la een schriftje dat ik in 1980 mijn moeder voor Sinterklaas cadeau deed. Compleet met allerlei recepten die ze van haar lang zou ze leven nooit en te nimmer ooit zou maken. Soesjes met spinazie bijvoorbeeld. Of crêpes met vis en kervel-roomsaus. Ze kon er ook zelf nieuwe gerechten in opschrijven. Bij de verhuizing had ik het al even ingekeken en maar weer fluks terzijde gelegd. Ditmaal bekeek ik het beter.

Ik – van jongs af aan gezegend met een messcherpe moraal – gaf het schriftje als titel mee ‘Wij leren koken; de weg naar de betere keuken’. En op pagina 1 schreef ik: ‘Jawel, we gaan eens een voorafje maken!’ Het was ongetwijfeld als kwinkslag bedoeld, denk ik nu, maar zomaar een kwinkslag, dat bestaat niet, leerde Freud ons.

Mijn arme moeder, ze was geen enthousiaste kok. Ze kookte gewoon niet graag. Als we het over het avondeten hadden, verwees ze er naar door het noemen van de groente. Andijvie, spinazie, bietjes. Wij wisten dan kennelijk genoeg. Andijvie? Dan aardappelen en gehakt. Spinazie? Dan aardappelen met een ei. Enzovoorts. Het was – de stampotten uitgezonderd – altijd een drieslag. A +B + C.  Mijn lieve grote zus sprak schamper over die C als “het derde ding”. Uit haar mond klonk dat ronduit smerig.

En toen kwam ik met dat schriftje. Je voedt je kinderen op en dan gaan ze vervolgens denken dat ze jou wat bij kunnen brengen. In zekere zin kan je de opvoeding dan als geslaagd beschouwen.

Op de foto een illustratie die mijn toenmalige vriendin maakte. 

Het Wonder van Scheemda

Bij Loppersum wonen Angela en Piet. Ze drijven een biologische boerderij. Het is een gemengd bedrijf. Ik ken die uitdrukking nog uit de aardrijkskundelessen op de lagere school.  Zo’n mooie term! Maar het bleef natuurlijk bij woorden. Bij Angela en Piet zie je wat een gemengd bedrijf is, al maken zij het wel érg bont. Ze hebben er kippen lopen om te slachten en ze kweken veldbloemen, afrikaantjes voor Claudy Jongstra (daar is ze alweer), klaver, aardappelen, graan, bonen en binnenkort ook fruit.

Na het tennis reed ik er onlangs langs om bonen te scoren. Niet zomaar bonen maar de nieuwe oude “Wonder van Scheemda”. Een oud ras, dat nieuw leven is ingeblazen. Ze Facebookten er zo enthousiast over dat ik dat wonder ook zelf wilde ondergaan. En zo reed ik in tennisoutfit het erf op. Vergeefs, leek het, want ik werd enthousiast begroet door een hondje maar daar bleef het ook bij.

Vroeger zou ik dan zijn omgedraaid. Maar een mens leert veel onderweg. En dus stapte ik onvervaard de schuur in en riep luidkeels ‘Volk’. Het was alsof ik in een zwart-wit-televisieserie stond te roepen. Maar het volk meldde zich niet. Op het erf speurde ik de horizon nog eens af. En jawel. Een eind verderop zaten twee figuurtjes op de knieën, gebogen over moeder Aarde. Angela en Piet. Ze zaten er met een groot aantal kratten frambozenstruikjes in de lege ruimte onder een moedeloos makende, schier eindeloze rij palen, verbonden door draad en eronder schitterende losgewoelde rulle kruimige Lopster klei. Klei waarvan je vingers gaan jeuken. Klei die je wilt voelen.

Dat deden zij. Honderden framboosstruikjes werden er geplant. En er komen zwarte bessen bij, en kruisbessen, en rode bessen. En als ze klaar zijn mogen u en ik ze komen plukken. Het wordt een pluktuin. Ik zal er zijn. En ik zal er trots aan iedereen die het wil weten vertellen dat ik er bij was toen deze frambozen werden geplant.

En dat Wonder van Scheemda? Ze hadden nog wat zakjes die ik kon kopen. Heerlijk: doperwtachtig, iets van tuinboon, stevig. Met geroosterde pompoen en paprika, een flinke winterwortel en wat ui in een stoofpotje. Dan heb je geen kip meer nodig.

Bekijk de Eikemaheert

Zoveel woorden

Het Sint Maartenfeest in Groningen. De kinderen gaan met lampionnen de deuren langs en zingen o.a. Mien lutje lanteern.

Het is Sint Maarten, bedenk ik op de boot … we redden het niet. Sorry.

Lang geleden zong mijn oudste zoon, toen nog een ukkie van een jaar of 4, voor mijn moeder door de telefoon het Groningse Sint Maarten-lied. Een hoog stemmetje, in zuiver Gronings.

Mien lutje lanteern
Ik zai die zo geern
Doe daanst deur de stroaten
Dat kinst ja nait loaten
Vandoag mout ik lopen
Mien laidje verkopen
Mien lutje lanteern
Ik zai die zo geern

Mijn vader kwam binnen toen hij net klaar was. ‘Ach,’ zei mijn moeder, ‘wil je het nóg een keer zingen voor opa?’ Het knulletje zuchtte diep. Hij was moe.

‘Maar oma, het zijn zoveel woorden.’ Alles wat restte was het verhaal dat we elkaar ieder jaar weer vertelden.

Weten hoe dat klinkt, Mien Lutje Lanteern? Let ook even op de aftiteling.

Naar de film

Wanneer wil je een weekendje naar Vlieland? Nu natuurlijk. 1 hotel, 6 films, veel regen. Meer kan een mens niet wensen. Volgend weekend gaan we wel weer wandelen.

Update zaterdagochtend: geen regen. Wel alweer 2 prachtige films gezien. Nog 4 te gaan. Maar nu eerst stukje wandelen.

Update zaterdagmiddag:

Podium Vlieland

Een vreemdeling aan het Martinikerkhof

We zagen een vrij forse jonge man die in een zak, verzwaard met een zware kei, plompverloren in de sloot was gekieperd. Hij was een vreemdeling zeker, afkomstig uit Scandinavië, de Alpen of misschien de Oeral. Een bergachtig gebied in elk geval.

Nee, geen aflevering van Silent Witness maar de bittere werkelijkheid, zo’n 1100 jaar geleden. Hij was een van de om en nabij 20% vreemdelingen die in die periode Groningen bevolkten. Frappant. De Rijksuniversiteit Groningen maakten gisteren de cijfers bekend van het aandeel allochtone studenten. Ongeveer 20% En dan beklagen zij zich nog over het tekort aan woonruimte … Ze weten niet half hoe we dat probleem met allochtonen vroeger oplosten! Mind you, Groningen telde in die jaren een kleine 200 inwoners en was daarmee een van de grootste bewoningen in Drenthe. Niet mijn woorden maar die van Bert Tuin.

Bert Tuin, archeoloog in Groningen, is een van de archeologen die in Stad de opgravingen aan de zuidzijde van het Martinikerkhof deden. Dat was een pietsje een domper gisteravond. Het ging over de andere kant van de kerk. Ze hebben er minutieus in kaart gebracht waar en hoe en wie er begraven zijn geweest. Voor zover mogelijk. Lang niet altijd kon er duidelijkheid komen. Maar het was indrukwekkend om aan het eind van de lezing een overzicht te zien van mensen die ze wel konden traceren.

Allemaal Stadjers. Middenstanders, kleine lieden, maar groot genoeg om genoemd te zijn. Het verhaal bijvoorbeeld van het bakkersechtpaar Jan Bakker en Elisabeth Steenhuizen. Ach heden, zou mijn moeder verzuchten. Binnenkort publiceert men de resultaten van het onderzoek in een echt tijdschrift. Laat ik tot die tijd dat verhaal maar onverteld laten.

Werd er aan onze kant dan helemaal niemand begraven? Tuurlijk wel. Maar die graven zijn in de loop der tijden verrommeld. Zo noem je dat als archeoloog. Veel geleerd.