Goed gelijken

Voor mijn nieuwe paspoort – het oude was 5 jaar oud en moest worden vervangen – meldde ik me bij de Gemeente. Ik moest het oude paspoort meenemen, én een goed gelijkende pasfoto. Voor het vorige paspoort had ik foto’s laten maken. Die geleken nog goed. Vond ik, vond – desgevraagd – mijn vrouw. Maar de mevrouw van de Gemeente dacht er anders over. Er zat spiegeling in de bril, er was sprake van vertekening in de foto en als ik wilde kon ik wel even aan de overkant een foto laten maken. Dat duurde maar 5 minuten.

Ik mompelde iets van dat de gemeente Loppersum de foto indertijd goed vond gelijken en dat die foto indertijd ook op verzoek gemaakt was, toen nog bij de firma Van der Molen, ook aan de overkant, maar dan in Loppersum. Ze gaf geen krimp – een nieuwe foto en anders geen paspoort. We zijn hier de gemeente Loppersum niet. Ze wachtte wel even.

Aan de overkant stond de mevrouw van de fotowinkel al klaar. ‘Een pasfoto zeker?’ vroeg ze belangstellend. Heel even wilde ik iets zeggen in de trant van dat als je dit in Zuid-Italië zou meemaken, je er niet raar van zou opkijken, maar dat leek me geen tekst die sfeerverhogend zou werken.

En toen mocht mijn bril wel even af …

Zonder bril besta ik niet. En wie er ook op de foto staat, ik ken hem niet. Ik wil hem ook niet kennen. De fotografe deinst kennelijk nergens voor terug en boog zich belangstellend over de opnames. Ik mocht mee kiezen. Ik herkende me in geen van de beelden en legde me neer bij haar keuze. € 10,95 en dan heb je 5 foto’s die je niet wilt.

Maar de mevrouw van de Gemeente aan de overkant was er blij mee. ‘Heel goed’ complimenteerde ze me. En zo staat er vanaf volgende week donderdag tot 20 maart 2028 een vreemde vent in mijn paspoort. Misschien dat ik op de foto ga gelijken.

Groei is goed

‘Als we voor onze ekonomie ons vruchtwater zouden moeten bevuilen, dan bevuilden we t ook.’ Bijna 5 jaar geleden kwam deze tekst boven dobberen in mijn geheugen. Bram van Ojik was de aanleiding, hij verkocht in 1972 deze poster aan mijn ouders in zijn Veenendaalse Wereldwinkel. De poster is van 1972 maar van ook van alle tijden.

Ik citeer de Volkskrant:

Het nieuwe uitstel van Lelystad Airport is een forse tegenvaller voor Schiphol. Eerder werd de opening van Lelystad al uitgesteld van 2018 naar 2019, tot onvrede van Schiphol-topman Jos Nijhuis. Volgens Nijhuis is Lelystad hard nodig om verdere groei van de luchtvaart in Nederland mogelijk te maken.

Schiphol heeft zijn maximumaantal vliegbewegingen bijna bereikt. En dus moet er meer bij. Waar heb je anders een tax voor? Dat daardoor niet alleen Amsterdam en wijde omgeving last heeft van die vliegtuigen maar ook nog eens de mensen in Gelderland, Overijssel en de polders, dat daardoor nog meer kerosine de lucht wordt ingespoten dan nu al gebeurt, dat daardoor het wegennet nog verder wordt belast, dat daardoor … het zal ze worst zijn. De bv Nederland heeft maar een doel: groei. Want groei is goed. Meer  groei is trouwens beter.

Nu ga ik mijn paspoort verlengen. Want over 2 weken vliegen we naar Italië. Vanaf Eindhoven, dat wel. Hieronder de hele poster. Kunt ú ‘m achter uw raam plakken. En hier is dat stukje van toen.

als we voor onze ekonomie ons vruchtwater zouden moeten bevuilen

Te pas

Soms heb je dat, dat je een formulering nodig hebt en je ongevraagd, ongezocht iets invalt, zomaar, een cadeautje van je geheugen. Mij overkwam het gisteren toen ik Chris wilde vertellen hoe het met mijn kleinzoon gaat. Ik zei: ‘Hij is goed te pas.’

Wie zegt dat nog? Is het nog gangbaar Nederlands? Chris vermoedde van niet. De uitdrukking komt van mijn moeder. Ze gebruikte hem uitsluitend liefkozend. Ook Mark Rutte kan ongetwijfeld goed te pas zijn, maar van hem – sorry meneer Rutte – zou ze het niet zeggen. Nee, het betrof kinderen, familie, m’n vader. En ze gebruikte hem alleen als ze zelf ook goed te pas was.

Ik ben bang dat men nu zou zeggen: ‘Hij zit lekker in zijn vel’ wat dan weer een afschuwelijke uitdrukking is. Ik kan alleen maar aan worst denken. Overigens: Je kunt goed te pas zijn maar niet slecht. Wel kun je niet zo te pas zijn.

Dit zijn de dagen waarop mijn moeder goed te pas zou zijn. De bollen in haar tuin in bloei, ’s morgens licht, ’s avonds licht, en nog veel meer licht in het verschiet.

De winteraconietjes op de foto zijn van Anneke Nunn die ook de foto maakte, denk ik.

Zelfontspanner

Vrijdag schreef ik hoe, door de camera te pakken, vader een gebeurtenis in een ritueel verandert. De eerste schooldag, jazeker. Maar ook de eerste stapjes, de eerste keer op de fiets, de eerste keer naar het strand. Zo’n vader was ik niet. Ik viel meer voor die ongeplande momenten waarvan je wist, mooier wordt het niet. En dan greep ik naar de zelfontspanner.

Tijdens wandelingen, vakantiedagen, citytrips en wat de mens verder doet om “en famille” gezellig samen een dag door te brengen, haalde ik het fototoestel te voorschijn. Eerst was er maar 1 persoon in de groep die niet heel blij van werd van die opnames. Toen de jongens wat ouder werden, groeide dat aantal snel. Ook zij kregen wat gelatens over zich als het statiefje uit de rugzak kwam. Tot de zelfontspanner het moment niet bekrachtigde maar juist grondig bedierf. Je ziet door de jaren heen de ogen van de gekiekten ook steeds wat moedelozer worden.

Maar er kwam een omslagpunt. Dat moet geweest zijn in de periode dat de jongens de 20 gepasseerd waren. Toen kregen ze iets grootmoedigs over zich. ‘Wil je niet even met de zelfontspanner?’

Vaak zijn er omstanders die best even een foto willen maken. Maar nee, een foto gemaakt met de zelfontspanner is niet hetzelfde als een foto die een ander maakte van ons. Een foto met de zelfontspanner is een foto waar we allemaal op staan, en die we maakten met de zelfontspanner. Juist dat maakte het moment tot het moment. Maar dat begrijpen omstanders niet. En dus moesten we altijd wachten tot omstanders uit de buurt waren.

Nou was het natuurlijk leuk geweest als ik zo’n foto boven dit stukje plaatste. Maar ik betwijfel of de grootmoed zo ver gaat.

In die portiek

fries-meer-bij-ondergaande-zon

1964, mijn eerste schooldag. We staan op de foto. Ik sta tussen mijn grote broer en mijn grote zus. Zij hebben een schooltas in de hand, ik een etui. Het is bewolkt maar warm, we hebben korte broeken en blote armen. Rechtsachter ons staan de zinken vuilnisbakken. Pal achter ons een breekbaar beginnend plataantje. Links van ons, maar niet op de foto, mijn moeder op het balkon, en mijn kleine zus, ergens in huis. Ze was 3 en mocht misschien straks wel mee met mama naar de Hema voor een kopje koffie en gebak. Stel je voor, de rust in huis na zo’n lange grote vakantie. Ook niet op de foto mijn vader die de foto moet gemaakt hebben. Vreemd, een gewone maandagmorgen.

Zaterdag was ik er met mijn kleine zus, mijn grote broer en onze wederhelften. Het was een uitje. Mijn zus was jarig en trakteerde ons op lunch en een bezichtiging van de Jan van Duivenvoordestraat, de Sam van Houtenstraat en het Lambertus Zijlplein. De plataan is groot, de dijk is weg, en het fonteintje met die bronzen eivormige spuiter ook, en eveneens foetsie de speelplaats, de klimrekken en de zambak. En de bosjes waar Johnny zich in verschool. Johnny waarschijnlijk ook. De Timoteüsschool staat er nog maar het is een andere.

Het was bijzonder om daar zo te staan. Ze hebben de benedenpui van het blok gepimpt en de balkonnen achter zijn dichtgemaakt en geüpgraded naar een soort van serre. Iemand ging de portiek in. Ik ging gauw mee. Voor me de extra box die – na verloop van tijd – wij van Patrimonium mochten gebruiken. En rechts van me de trap met daar frontaal voor me nummer 2hs. Ik heb er even gestaan, in die portiek.

Daar leefden wij. Op die 57 vierkante meters, in dat portiek, op die straat, bij dat plein. Geuzenveld jaren 60. Mensen vragen zich soms af waar de tijd blijft maar ik ben vooral nieuwsgierig naar waar die jongen gebleven is.

Daarna reden we terug naar Groningen, langs Friese meren bij ondergaande zon. Hoe lager de zon, hoe langer de schaduw.

Ons referendum

Ons referendum, ik had het er niet zo op. Zolang het gaat om abstracte principes of uitgangspunten, prima. ‘Bent u voor of tegen een goed milieu?’ Die vraag kunnen we beantwoorden. Maar zodra we afwegingen moeten maken, komt er meer bij kijken. Dat Oekraïne-referendum bijvoorbeeld. Bij zo’n kwestie spelen zo veel belangen van zo veel belanghebbenden binnen een context die zo ingewikkeld is, daar kan ik geen zinnig woord over zeggen. En als ik heel eerlijk ben: u ook niet. Denk ik.

Maar dat is iets wat wij Nederlanders niet graag toegeven: dat we ergens geen zinnig woord over kunnen zeggen. Vanmorgen checkte ik het geld. De ING stelt ons dagelijks een vraag. Vandaag luidde de vraag:

De prijzen zijn in de afgelopen 12 maanden…

  • sterk gestegen
  • zwak tot matig gestegen
  • gelijk gebleven
  • gedaald
  • geen mening

Eén mogelijkheid ontbreekt: geen idee.

 

Gewoon een dag

Susan Aasman is mediahistoricus bij de Rijksuniversiteit Groningen. Ze is ongetwijfeld een gelukkig mens. Ze mag de hele dag familiefilmpjes kijken. Ze vertelde daar gisteren over, in een lezing bij de Groninger Archieven.

Ik was getriggerd door een zin uit de aankondiging: ‘Langzamerhand kreeg het maken van familiebeelden een rituele dimensie in die zin dat het aanzetten van de camera al een zekere gelukswaarde aan een gebeurtenis kon geven.’

Dat vind ik boeiend. Door de camera te pakken, transformeert papa de gebeurtenis in een ritueel. Wat gebeurt er dan? Met de familie, met de herinnering, met het filmpje? Daar kregen we eigenlijk niet zo’n antwoord op. Misschien moet het antwoord op dergelijke vragen ook niet van een mediahistoricus komen maar van een theoloog of een antropoloog.

Aasman liet het bij filmpjes. Scènes uit levens. Vaak dezelfde scènes. Hoe de wieg wordt klaargemaakt. De eerste stapjes van de baby. De eerste keer buiten. De eerste keer alleen. Een mooi genre is ook ‘een gewone dag’. Aasman toonde ons zo’n film uit 1943 van de familie Groninger familie Festen. Hoe de kids opstaan en zich wassen. Hoe de familie erop uit gaat, vader, moeder en de kleintjes, en hoe de grote jongens thuisblijven en kattenkwaad uithalen. En hoe aan het eind van de dag, als de kinderen in bed liggen en moeder sokken stopt, vader een pijp opsteekt en de krant pakt.

Zo zien we ook een film van de familie Peereboom. Een gewone avond, ergens in de jaren 40. Vrouw en schoonmoeder doen knus wat verstelwerk. Pa zet de camera op een statief en gaat er even bij zitten, met pijp en krant. Ze lachen naar elkaar. Een huiselijk plaatje. En ze weten: het is de laatste avond thuis, de volgende dag vertrekken ze naar Westerbork.

Een filmpje voor later.

En nu? Nu filmt een zoon hoe zijn moeder stomdronken van de trap dondert en zet dat op YouTube.

De foto: Huiselijk geluk, 1929. Foto P. Kramer, Groninger Archieven