Even

Even.  Altijd alles even. Even dit. Even dat.

Als Lasse mij vraagt: ‘Opa, wil jij graag met de duplo spelen?’ en ik reageer met ‘Even de afwasmachine leegruimen.’

Als ik een boek lees, en tegen mezelf zeg ‘Even de e-mail kijken.’

Als iemand mij vraagt ‘Ach Wout, kun je even naar deze tekst kijken?’

Even als stopwoordje is een sluipmoordenaar. Dodelijk op termijn. Wie het gebruikt om een ander tijdelijk tevreden te stellen, misleidt hem of haar.

Wie het gebruikt om zichzelf te misleiden, is verslaafd of mist gewoon iedere vorm van concentratievermogen.

Wie het gebruikt om een ander te verleiden, besodemietert de ander.

Laten we als het even kan, tijd nemen voor wat we doen. En als het even moet, laat het.

Dat eeuwige even.

Ons vorstenhuis

Over de Oranjes wordt gesproken als ‘ons vorstenhuis’. We hébben het.

Als je een poppenhuis hebt dat oud en versleten is, dat niet meer doet wat het moet doen, dat je niet meer nodig hebt, dan breng je het naar de kringloopwinkel. Heeft een ander er nog plezier van. En desnoods sla je het in stukken en prop je het in de container.

Wij zitten een beetje met dat vorstenhuis. Het doet niet meer wat het moet doen en laten we wel zijn, we hebben het ook niet meer nodig, niet in deze vorm. De kringloopwinkel zal zich er niet aan wagen. En dat laatste scenario, dat is ook not done.

Wat wel? Het is tijd om afscheid van elkaar te nemen. We blijven vast vrienden als denk ik dat ze het die eerste maanden heerlijk van gaan nemen. Lunchen met de foutsten der aarde, op vakantie gaan op plekken waar code Rood gepraktiseerd wordt, een safari, vliegen tot de hemel grijs kleurt en kapitaal doorsluizen naar de ranzigste  belastingparadijzen.

Die opluchting.

De foto die de Volkskrant publiceerde bij de analyse spreekt boekdelen. Wie zien we niet? Wie heeft zich van het beeld laten wegsnijden?

Die laatste loodjes

Mijn kleine kleinzoon is heel binnenkort mijn grote kleinzoon, een nieuw prinsje klopt aan de poort. Hij mag naar buiten, hij mag naar binnen. Hij is meer dan welkom. Maar nu nog even niet. Nog even bij moeders in quarantaine.

De details over zwanger worden ken ik niet maar ik kan het echt iedereen afraden. Doe het niet. Het is natuurlijk leuk hoor, een nieuw lief wereldburgertje maar wat loop je er lang mee rond! Schoondochterlief houdt de moed erin. Zo heel veel alternatieven zijn er natuurlijk ook niet. Bovendien, in haar positie is anderhalve meter afstand geen enkel probleem. Althans, als je het hoofd als middelpunt neemt. Ook zoonlief lijkt de moed niet te verliezen. En Lasse? Ik weet het niet. Het nakende wonder houdt hem niet bijster bezig. Wat komt, dat komt. Hoe kleiner je bent, hoe minder je ergens van opkijkt.

Maar dat hij even wat vaker bij opa en oma mag zijn vindt hij prima. Slakkenkoekjes bakken. Walnoten zoeken. Naar de kaaswinkel. Met de trein spelen. Kaas eten.

Toen ik hem thuisbracht, waren papa en mama de box in elkaar aan het zetten. Wat zei de dominee vroeger ook alweer, voorafgaand aan het avondmaal? ‘Komt nu, want alles staat gereed.’

Knus

Groningen kreeg van het EEA, het milieuagentschap van de EU, een compliment. Dat betrof de grauwe kiekendief. Die broedt hier weer. En dat is te danken aan allerlei langjarige inspanningen. Sheila Sitalsing wijdt er haar column in de Volkskrant aan. Die broedende kiekendief is een minuscuul lichtpuntje aan het einde van een kilometerslange diep donkere tunnel. Die kiekendief, hij moest eens weten.

Sitalsing spoort ons vervolgens aan om een tegel uit de stoep te lichten en iets te planten. Een boom. Ooit postte ik hier de foto van een dappere vruchtdragende perenboom pal naast een huis aan de Nieuwe Sint Jansstraat. Grappig maar ronduit onhandig, een boom in de stoep.

Nee. Die bomen moeten beslist. Maar in de stoep langs je huis?

Toeristen die ons kerkhofje op lopen, blijven vaak even staan. Wat treft hen dan? Zijn dat de prachtige huizen? De mooie bomen? De kerk? Het eeuwenoude hotel? Neen. Wat hen treft is de knusheid.

Knus. Zeg het te vaak en er komt iets muffigs over het woord en op je tong. Maar knus is het wel aan ons hofje. En dat is de schuld van de buurvrouw van de bloemen. Buurvrouw Astrid doet tweemaal per jaar de potten met bloeiende planten bij de woningen aan de noord- en oostzijde. Die bloemen geven het hofje dat wat het een hofje maakt: een stukje uniformiteit, een stukje ons kent ons, een stukje buurtcohesie. We hebben geen buurtwhatsappgroep. We hebben geen buurtbbq. We hebben onze bloemen. Knus.

Gisteren plaatste Astrid weer nieuwe bloemetjes. Vrijwilligerswerk. Ongevraagd. Viooltjes. Ze moeten nog even op gang komen maar de ervaring leert dat binnen een paar weken de bakken weer hun vertrouwde bloemigheid tentoonspreiden. Die bloembakken zijn niet meer weg te denken. De EU mag Astrid dankbaar zijn. De gemeente mag Astrid dankbaar zijn. De buurt trouwens ook.

Het leven als monnik

Ons leven de afgelopen dagen leek op dat van een non en monnik in een  klooster. Aparte handdoeken. Aparte badkamers. Aparte wc’s. Aparte bedden. En de daaglijkse groepshug bleef achterwege.

Ik was snipverkouden. Keelpijn. ’s Nachts de neus verstopt, overdag zakdoekje leggen en niesen in de elleboog en in de winkel doen of m’n neus bloedt. Maar de oproep luidde: heb je symptomen, laat je testen. Ik liet me testen en bleek oké.

Tja. Mij bekroop iets van spijt. Als het virus voor mij in mijn huidige omstandigheden zich beperkte tot de klachten die ik nu had, had het graag gehad. Als u begrijpt wat ik bedoel.

Eén ding heeft het me wel opgeleverd. Ik weet het nu zeker. Ik ga niet het klooster in.

Op de foto de binnenzijde van mijn hoofd de afgelopen dagen, volgens Willem van Genk. Wilt u mijn hoofd ook van binnen zien? Het ligt voor iedereen open en bloot geëxposeerd in de Hermitage Amsterdam, in het Outsider Art Museum.

Een huppeltje

Mathijs Deen schreef een prachtig boek over de geschiedenis van de Wadden. Ik ben halverwege. Hoe het afloopt? Ik weet het niet. Maar een aanrader is het.
Ik citeer bij wijze van blogje de laatste alinea van de eerste paragraaf. Daarin vertelt hij hoe het kwam dat zijn vader en moeder begin jaren 70 besloten om naar Vlieland op vakantie te gaan. Dat was voor zijn vader een enorme stap. Hij was, in de woorden van Deen, ‘zelf een eiland’: ‘Het vooruitzicht om met een oversteek naar het onbekende het voor hem vertrouwde leven te verlaten, al was het maar voor een week, maakte hem onrustig.’ Maar ze gingen. Met de Citroen Ami.

En toen we diezelfde middag gezamenlijk over de bospaden het dorp verlieten en na een halfuurtje onder de bomen uit liepen en het open duinlandschap zich voor ons ontvouwde, toen gebeurde het onvoorstelbare.

Mijn vader maakte een huppeltje.

Ik begrijp die vader wel.


Mathijs Deen, De Wadden; een geschiedenis. Thomas Rap, 2013. ISBN: 978 94 004 01877