De beste

De directeur die ik interviewde had het over zijn ambitie om met hun bedrijf de beste te zijn. En dat hij ervan uit ging dat zijn medewerkers die ambitie met hem deelden. Hoe word je de beste? Door de dingen professioneel aan te pakken. Je staat voor een probleem. Je plant een actie. Je voert die uit. Je kijkt terug.

Het betoog is me uit het hart gegrepen maar hij twijfelde of ik het echt begreep. ‘Jij wilt de beste interviewer zijn, toch?’ Hij keek me aan alsof hij een retorische vraag had gesteld. Allicht wil een interviewer de beste worden.
Ik schuifelde wat in mijn stoel. ‘De beste, de beste … ik wil een goede interviewer zijn.’
Hij keek me niet begrijpend aan. Totaal onbegrip. Hoe kan iemand niet de beste willen zijn? Ik begreep wel dat ik nu snel met een echte ambitie moest komen. Haastig zei ik: ‘Ik wil wel de beste schrijver zijn.’ Opluchting schuin tegenover me.

Maar ik zal het maar eerlijk toegeven. Ook de beste schrijver wil ik niet worden. Waarom een ambitie koesteren die niet realistisch is? Ik vind het potdorie al een geweldige prestatie om als tekstschrijver zo goed te zijn dat je het druk hebt en je je brood op een eerlijke wijze verdient. En ik hanteer al jaren de stelregel dat wat geldt voor mij, geldt voor 80 procent van de mensen. Ook zijn mensen.

Wij zijn de niet-ambitieuzen. Wij willen gewoon onze klanten zo goed mogelijk helpen. En een boterham met pindakaas verdienen. En dus pakken we de dingen professioneel aan. Althans, op onze goede momenten. Soms rotzooien we ook maar gewoon wat aan.

Ze ging

‘Dit is de laatste keer dat ik u help’ zei ze terwijl ze resoluut een hele kaas doormidden sneed. Het klonk verontschuldigend. Het klonk ook erg finaal. Mede door die enorme kaas waar ze rücksichtslos het mes in zette. Haar naam ken ik niet. Van haar leven weet ik niets. Maar ze ging weg. Het gaat me aan het hart. Ze was – met haar collega’s in de kaaswinkel- een constante factor in mijn boodschappen en dus in mijn leven.

Eigenlijk heb ik het liefst dat alles bij het oude blijft, zeker als het de buitenwereld betreft. Avontuur wordt zwaar overschat. Vastigheid. Duidelijkheid. Misschien is het gemakzucht (waarom de oesterzwammen verplaatsen, ze lagen goed waar ze lagen). Maar het is toch vooral gehechtheid. Dat heerlijk weten dat je gekend wordt. Dat heerlijke kennen. Ik zit tegenwoordig ook in het sociaal werk en mag nu dus ook het woord ‘verbondenheid’ gebruiken.

Ze wordt vrachtwagenchauffeur. Dat is een avontuur. Ik wees haar (en waarschijnlijk hebben honderd andere klanten dat ook gedaan) op de verschillen. De hele dag met mensen werken versus de hele dag alleen op de weg zijn. Ze wist het. ‘Maar ik denk dat het beter bij mij past’ vertelde ze en misschien heeft ze gelijk. Ze begon er onbedaarlijk bij te blozen.

Knipper niet

Het ging in een flits. Hij kwam me bekend voor. Hij wandelde me tegemoet. Ik rende hem voorbij. Toen wist ik het. Een oud-collega uit het ziekenhuis waar ik ooit werkte. Hij ging toen met pensioen. Het was allemaal als de dag van gisteren maar ook minstens 15 jaar geleden.

Wat zag hij? Een oud-collega die hem bekend voorkwam. Was dat niet die jongen bij P&O? Bij het opleidingsinstituut? Die is er niet jonger op geworden. Ook met pensioen waarschijnlijk, hoe kun je anders op een gewone dinsdagmiddag bij Anloo door het bos rennen?

15 jaar geleden zei de sportinstructeur me bij een zware oefening: vergeet niet adem te halen. Dat advies heb ik in mijn oren geknoopt. Maar af en toe is het adembenemend. Het gaat zo snel.

Nog maar 30 jaar geleden was ik de gelukkige vader van 2 peuters van 2 en 4. Het leven was zwaar. Het leven was goed. De kindertjes waren blij, de kippen floreerden, de tuin gaf spruiten en boerenkool en ik rende met gemak de halve marathon.

En nu? De zon stond laag. De vliegden op de hei stond in lichterlaaie, er graasde grote grazers in het veld. Mij schoot door het hoofd hoe ik de vorige avond de kleinzoontjes in bed had gestopt, niet met 1, niet met 2 maar met minstens 3 knuffels en boxen en handjes en heel veel verhaaltjes, en hoe ik mijn vrouw had uitgezwaaid in de wetenschap dat over een paar dagen ze weer bij me op de bank zou zitten, haar voeten op mijn schoot, een dekentje over de benen, een mooie moord op de buis.

Ik knipperde even. Ik zou tegen mijn jarige zoon willen zeggen: doe dat niet. Houd je ogen wijd open. Sluit ze niet. Kijk. Kijk. Kijk. Vergeet niet adem te halen. En vier je verjaardag. Maar ja, hij leest dit allemaal niet. Geen tijd voor.

Ophef

Grote kleinzoon en ik doen wat boodschappen. Hij heeft het mandje op wieltjes. Hij mag de spullen pakken. Z’n broertje is thuis. Op de achtergrond wat jaren 70-rock. Het is in mijn buurtsuper op deze donderdagmiddag stil. Vredig.

Waarna natuurlijk een medewerker de sereniteit verstoort. Iemand – hij lijkt zonder vaste woon- of verblijfplaats – heeft kennelijk iets meegenomen zonder te betalen. De winkel uitlopen ging niet en dus loopt hij de winkel weer in, met veel stampei en gedoe. Onverkwikkelijk vinden we het, de andere klanten. Met een grote boog lopen we om het gedoe heen en laten de koffie en thee maar even staan. We hebben nog.

De supermarktmedewerker bewaart zijn kalmte en pakt het allemaal erg professioneel aan. Even later is de lieve vrede weer teruggekeerd en lopen we richting het brood. Ik verlies kleinzoon even uit het oog.

Een ijselijke gil. Hij gilt het uit. In een flits schieten de verschrikkelijkste scenario’s me door het hoofd. Nachtmerries. Als ik hem vind, wijst hij sprakeloos naar de levensgrote pop die boven hem uit torent. Moet je je voorstellen wat een knaapje van 4 ziet als hij even aan het dromen is.

De andere klanten? Ik zie ze nergens. Ze hebben vast nog brood.

Naar Ameland

Nee, een groot reiziger was hij niet. Reizen beschouwde hij als een noodzakelijk kwaad, desnoods nodig als je ergens moest zijn. En je bent pas ergens als het meisje van de bakker je kent. Dus toen zijn vrouw een weekje naar Venetië ging, besloot hij om een paar dagen naar Ameland te gaan, de plek waar zijn vaders opa ooit bakker was en diens opa de geestelijk vader was van de doopsgezinden op het eiland en diens vader kapitein op een kofschip, ja, hij zou een paar dagen heerlijk wroeten in zijn wortels.

Maar een groot reiziger was hij niet. ‘Tegen opzien is het ergste’ zei zijn moeder vaak en ze had gelijk. Alleen al dat tegen opzien maakte de reis naar Ameland tot een “reis”: een bus een trein een bus een boot een bus… En donderdag moest hij toch weer thuis zijn dus hij moest de boot nemen die woensdagmiddag terugging en dus moest hij woensdag om 10 uur uit het hotel en wat doe je dan zo’n dag? En bovendien zou hij de nacht van dinsdag op woensdag geen oog dicht doen waardoor hij de dinsdagavond eigenlijk ook al kwijt was en ja, dan kon hij misschien beter die dinsdag al maar vast gaan. Maar de buienradar had juist voor die ene dinsdag nog redelijk weer voorspeld. En zou het meisje van de bakker hem na die ene dag al kennen? Veel beter zou het zijn om ooit drie maanden te gaan.

Ja, het was beter om maar niet te gaan. Hoefde hij ook nergens tegen op te zien. Een paar dagen heerlijk thuis met ontbijt op bed en een mooie spoedklus tussendoor. Wat een rust in de bol!

Tropenjaren

De opvang van baby Loes liet het afweten. Ziekte bij te veel medewerkers. En dat terwijl ze ’s nachts wel erg weinig slaapt en de jongelui hun dagrust erg nodig hebben. Ze stuurden vanuit de woonplaats Amsterdam een selfie. Ze zagen er weliswaar gelukkig maar ook wat uitgeteld uit. Ja, het zijn tropenjaren die eerste jaren, reageerde ik.

Hier in Stad zat grote kleinzoon op de bank, twee broodjes in de buik, broer op bed, kortom: gezellig. Hij vond het zielig voor ons dat wij geen kinderen hebben. Ik zei dat we natuurlijk wel kinderen hebben, zijn vader en zijn oom. Hij haalde zijn schouders op. Dat telt niet. Nu, nu hebben wij geen kinderen.
‘Ik krijg wel kinderen en die gaan dan ook naar jou.’ beloofde hij ruimhartig.

Hoe te reageren? Ik moest even denken aan de stratenmaker die ik onlangs sprak toen ik met de kleine O op pad was. De stratenmaker bekeek O’tje met warme belangstelling. Hij sondeerde even. ‘Vader, grootvader?’ Ik zei met wat opluchting dat ik de grootvader ben.’Om 6 uur doe ik ze de deur uit. Je moet er toch niet aan denken dat je nog kinderen van twee hebt.’
‘Nou, ik ben 65 en vader van twee knaapjes van 2 en 4. Mijn tweede vrouw is nog maar 40 en wilde dolgraag kinderen. Dan zeg je toch geen nee?’

Een stratenmaker van 65.


De foto maakte ik in Voorlinden. Het is werk van Antony Gormley.

%d bloggers liken dit: