De wereld van Knex

Om het Martinikerkhof liggen enorme duploblokken van beton. Voor ons huis verrijst een wereld van Knex. Eroverheen zwiept een bouwkraan van Mecano. Hij verplaatst legoblokken marmer. Groningen is een speeltuin voor technisch aangelegde kleuters.

Wat ben ik blij dat er niet een echt bouwproject voor mijn deur plaatsvindt. Ik zou de hele dag staan kijken. U zou er jaren over moeten lezen.

De klok slaat.  Ik moet aan het werk. Mijn speelkwartier zit erop.

1200 meters

Onze koning wandelt aanstaande vrijdag van het Martinikerkhof naar de Albert Heijn aan de Vismarkt. Zelf doe ik dat maar zelden. We hebben onze eigen AH, hier pal bij, aan de Oude Ebbingestraat. Maar onlangs kwam ik er, met Lasse. We waren voor het eerst alleen met zijn tweeën buiten op stap. Ik – toch een krasse zestiger – dorst mijn eigen Albert Heijn niet binnen met die knaap. Je loopt toch een beetje te showen. En wat zullen vaste waarden als Alex, Wies en de meneer van de bakker wel niet zeggen? Ik koos dus voor de Albert Heijn aan de Vismarkt. Heen liepen we dwars over de Grote Markt via de Tussen de Markten naar de Vismarkt. Terug kozen we in goed overleg voor de route om de Noord: laat dat nou precies de koninklijke route zijn! Dat kan geen toeval zijn.

Alles bij elkaar is het zo’n 1200 meter begrijp ik. Spreek ik namens veel Groningers als ik – echt heel voorzichtig – een paar aarzelingen uitspreek over de voorbereidingen voor die wandeling? Hopelijk niet. Want we zijn samen één stad en het zou mooi zijn als heel veel Stadjers dolgelukkig zijn met het feit dat die 1200 meters die de vorst scheiden van de Prinsenhof tot de Albert Heijn aan de Vismarkt er tip top en spic en span bij liggen. Al weken is men in de weer om het kerkhofje vrij te maken van alles wat maar even in de weg kan liggen. Het looppad is opnieuw gelegd. Het gras gedaan. Een veldje gelegd. En gisteravond werden de dranghekken bezorgd. Heel veel dranghekken. Het wordt eigenlijk best wel een dingetje, die Dag.

Overigens vier ik de dag ervoor mijn eigen koningsdag. Dan heb ik m’n eigen prinsje de hele dag voor me alleen. Ik denk dat we die koninklijke route nog maar eens gaan doen. Die dranghekken staan er toch.

PS: weten hoe en wat? Kijk op de speciale site over Koningsdag 2018 in Groningen

De jurk van mijn moeder

Mijn vader was geen groot fotograaf. Hij was – ik herken daar wel iets in – een emoklikker, een emotiegedreven fotograaf. En mijn vader had een groot hart dat snel geraakt was.

Ik vond deze foto in een computermap met grotendeels zorgvuldig verkeerd ingescande dia’s. Zo’n map hebben we allemaal wel. De foto’s van vader en moeder, ingescand om later uit te zoeken. Dat later is niet nu. Dat is het nooit. Maar om eventueel alles nog eens keurig op een rij te kunnen zetten, heeft mijn zoon ze geïnverteerd. In elk geval kán ik ze nu herkennen.

Wat hier gebeurt is duidelijk. Mijn vader en moeder kamperen in Engeland en ze hebben de Trangia mee, allicht. Die Trangia is een lichtgewicht spiritusbrandertje, ideaal als je met de rugzak op trektocht bent in de bergen. Dat deden mijn ouders niet. Ze hadden altijd de caravan bij zich. Maar vooral mijn moeder was er gek mee. Waarom weet ik niet. De Trangia moest mee. Altijd.

Mijn vader had het fototoestel bij de hand, de koffie liep door, hij zag mijn moeder in een jurk die hij ongetwijfeld prachtig vond, de marmelade op tafel was echt Engels, de rangia had zijn werk gedaan, zijn hart sprong op in hem, hij klikte.

 

Uitzicht op Leermens

Ik ging een dagje naar Leermens en omgeving. De kano’s moesten nog verhuisd worden. Omdat moeder de vrouw op pad was, deed ik het alleen. De fiets achterop de auto, naar Wirdum, daar de fiets achterlaten. Door naar Leermens. Vandaar met kano 1 naar Wirdum. Van Wirdum met fiets naar Leermens. Met kano 2 naar Wirdum. Lopend naar Leermens. Terug naar Stad. Terug naar huis. Mijn eigen kleine triatlon: 12 km kanoën, 6 km fietsen en 6 km wandelen.

Met name het wandelen duurde lang. Al die plekken die tot in je vezels vertrouwd zijn. Waar je hardliep, fietste, kanode, wandelde, boodschappen deed, picknickte met je  zoontjes, stro haalde, Sinterklaassnoepgoed strooide, afwaste, borrels dronk, leefde, al was het wel telkens een half uur korter. Weemoed, die wonderlijke mengeling van heimwee, napret en geluk, sloeg even genadeloos toe. Ik meed contact. Maar toch, wie je tegenkwam, groette je.

Even later stond ik op de Grote Markt. En dat was ook mooi. De werkdruk in Nederland is een zorgenpunt, begreep ik uit de krant. De RUG gaat maar liefst 5 miljoen euro investeren om het aan te pakken, badmeesters gaan er eveneens gebukt onder maar die werken weer niet bij de universiteit. Ik ben ervan overtuigd dat de werkdruk erg hoog is bij RUG-medewerkers en badmeesters. Maar ik kan u ook verzekeren: de rest van Nederland redt het. Ik ook.

Ruimte geven

En toen werd het zomaar zomer. Voor een verpleegkundig vakblad schrijf ik een artikel over het omgaan met agressief en grensoverschrijdend gedrag. Daarvoor interviewde ik iemand in Haren. Wat heb ik een mooi vak. Je wandelt met je schrijfblok een van de mooiste en beste revalidatie- en tbc-centra van Nederland binnen en iemand vertelt je hoe zij dat op hun afdeling doen.

Ruimte geven en grenzen stellen. Daar komt het min of meer op neer. En bij dat ‘ruimte geven’ hoort ook een stukje begrip en coulance. Dat iemand een kort lontje heeft, kan meerdere oorzaken hebben.

Op de fiets terug besloot ik via de Hoornsedijk te fietsen. Beetje om, maar erg leuk. Een mooi breed fietspad dat zich lieflijk tussen het Paterswoldsemeer en het Noord Willemskanaal slingert. In al die jaren dat ik Groningen woon, kwam ik er nog nooit, constateerde ik.

Ik broedde wat op het waarom daarvan, haalde twee wandelaars in en kreeg vanuit het niets een enorme verwensing naar mijn hoofd geslingerd door een fietster die samen met haar partner mij tegemoet kwam. De strekking was dat ze me in overweging wilde geven om iets langzamer te fietsen zodat ik die wandelaars niet hoefde in te halen en zij gewoon midden op het pad naast haar partner kon blijven fietsen. In haar woordkeuze koos zij voor woorden die de Algemene Nederlandse Spraakkunst rubriceert onder ‘Betekenisdragende interjecties’ zoals ‘sapperloot’ of ‘jandorie’.

De Amsterdammer in mij remde krachtig.

Grenzen stellen, dacht ik. Maar ik stelde me op hetzelfde moment het vervolg voor en besloot toch maar te kiezen voor een stukje deëscalatie. En voor wat begrip en coulance. Je weet het ook allemaal niet. En het was zomer en de jongelui lagen links van mij heerlijk te zonnen en rechts roeide men richting Assen. En hier en daar een visser. Het was goed zo. Ruimte geven, dacht ik.

Everybody should

Het stond er op de heenweg: iedereen zou moeten. Precies, dacht ik, eindelijk een waar woord.

Wandelen in het park met een goedgevulde kinderwagen boordevol heerlijke baby. Zitten op een terras met warme koffie of koud bier of thee of heerlijke Spa Rood zonder muntblaadjes of met. Desnoods. Varen met de kano. Of dat ene boek lezen. Doen, iets, iets waardevols of ten minste waardevermeerderends. Gelukkig zijn. Aardig zijn.

Maar we zouden zo véél moeten en dus aarzelen we treuzelen wachten stellen uit zien af. Zuchtend. Krakend in de voegen.  We bezoeken kaakchirurgen of oude moeders die het ook allemaal niet meer weten en we bezoeken hun artsen en eerstverantwoordelijken en psychologen en geriaters, we bestellen scootmobielen en we besterven het. We lezen personeelsadvertenties – “Jij geeft invulling aan de strategie van onze company en voert deze uit waarbij de stem van de klant leidend is”  – en we besterven het. Ja, iedereen zou moeten gelukkig zijn.

Op de terugweg was er geen woord meer over. Was alles weg. Alles wit. Niets hoefde, niets moest. Wat was het stil op straat.

 

Much ado

Zo’n Koningsdag in Stad, is dat een beetje leuk? Wij worden door iedereen gewaarschuwd voor het feest dat zich hier op ons kerkhofje schijnt af te spelen de avond vóór het feest. De preparty als het ware.

Dit jaar is echter alles anders. Van een preparty zal geen sprake zijn. Bij het Martinikerkhof zijn de fietsenrekken weggehaald. Ook de bankjes zijn pleite. Vanochtend vroeg gingen de prullenbakken. Een meneer van een groenbedrijf snijdt as we write de graskantjes bij langs de paden. Extra beveiligingscamera’s zijn opgehangen. De bomen op het kerkhof zijn gesnoeid: losse takken vallen niet meer. En tien tegen 1 dat ze binnenkort ook het grasveld maaien. Jammer van de bolletjes maar de koning houdt van een strak gazonnetje.

Ik betwijfel of ons vorstenhuis ook maar iets meekrijgt van alle inspanningen.

Zelf zorg ik er altijd voor om na schoonmaakwerkzaamheden iets achter te laten waardoor mijn vrouw ziet dat ik deed wat ik deed. Een geel doekje, vuil en vergeten. Of een schilderijtje dat wat scheef hangt. Het is kinderachtig maar in ons beider belang. Zij kan haar blijdschap over het resultaat uiten en ik weet zeker dat mijn inspanningen niet onopgemerkt zijn gebleven.

Of burgemeester Peter den Oudsten ergens langs het pad een geel doekje achterlaat, ik betwijfel het. En zo’n schilderijtje is hem te klein. Maar zo’n toren …