Wandelen is

De Blauwepaaltjesroute begint en eindigt in Anloo, bij een parkeerplaats van Staatsbosbeheer. Het is een prachtige route, veel zandwegen en vrije natuur. Ik ren haar met enige regelmaat. De donkerblauwe paaltjes wijzen me de weg. Ik weet waar de lichtblauwe paaltjes staan en dat die niet bij de route horen. Het is makkelijk. Het is mooi. Het is heerlijk.

Zaterdag ook. Maar ik schrok toen ik het geplastificeerde papier op het eerste paaltje zag.  Afgesloten vanwege de corona, dacht ik. Maar nee dus. Het was stichtelijk bedoeld. Ter overweging. Mij staat bij een sketch waarbij de ober niet alleen het menu serveert maar ook suggesties voor de conversatie. Zijn deze teksten als zodanig bedoeld? Ik stopte niet iedere keer maar zag in de gauwigheid nog wel een citaat van Coelho.

Ik persoonlijk word bij mezelf wat iebel als het gaat over de Ander. Ik persoonlijk word bij mezelf wat iebel van Hoofdletters. Ik wantrouw de Hoofdletter. De Ander dat zijn we zelf. U, ik, wij. Vind ik. Meen ik. En ja, wij zijn allemaal heilig en eerbied waard. Maar zijn we een hoofdletter waard?

Nou ja, daar broed je zo wat op, al rennend in je eentje. Maar nog interessanter is de vraag waar mijn ergernis vandaan komt. Ook daar dacht ik over na. Die ergernis zit ‘m in het verstoren van mijn rust. Ik ga naar de vrije natuur om uit het gewoel te stappen. Iedere abri, iedere paal, iedere gevel, ieder object grijpen marketeers en bestuurders aan om hun boodschap naar mij toe te communiceren. En verhip, nu zijn zelfs de blauwe paaltjes medium geworden voor een boodschap.

Bovendien voel ik me op de vingers getikt. Door wie eigenlijk? Misschien is het de Ander.

 

Weg

Foetsie. Zoekgeraakt. Kwijt. Weg. Verdwenen. Verloren. Onvindbaar. Pleite. Duurzaam afwezig.

De meeste dingen die verdwijnen, laten geen herinnering achter. Geen leegte. De ruimte die ze ooit innamen, wordt zwijgend afgestaan aan andere dingen, even misbaar, even overbodig.

De nieuwe paraplu was gezien het nieuwe klimaat in zekere zin ook overbodig. Maar hij was een cadeau. Ik vatte de gift op als een blijk van vertrouwen. Je bent nu zo groot dat je zo’n duur ding niet meer vergeet.

Dus toen we hem na een weekje Limburg misten, misten we hem ook node. De leegte die hij achterliet schrijnde. Ik wist zeker absoluut zeker zeg maar zeer zeker dat hij niet weg was maar zonder visueel tastbaar bewijs kun je zo’n claim een dag volhouden en ook nog wel twee dagen maar niet veel langer. Ik zag in heur ogen hoe het vertrouwen in mij gesteld al weer taande.

En ondertussen wist ik het zeker. Bovendien. Dingen mogen ook best even iets voor zichzelf gaan doen. Ik heb daar vrede mee. Iets is niet weg. Iets is nu even afwezig. Iets komt als dat zo in de sterren staat ook altijd weer terug. Ga niet op zoek. Laat het gaan. Laat het komen.

En dan dat onbewaakte ogenblik. Dat moment dat het je daagt. De rust die over je komt.

Hij lag naast de laarzen van Lasse. In de trapkast. Nu hangt hij aan de kapstok. Dat we het maar weten.

Licht bij de buren

De lamp bij het hotel brandt weer. Uitsluitend zichtbaar voor hun achterburen maar toch, het licht door het schitterende glas-in-loodraam fonkelt hoopgevend in de donkere avond. Klanten in de brasserie, leven in de brouwerij. Goed nieuws want het betekent het begin van het einde van onze vrijwillige en niet zo heel intelligente opsluiting. Het hotel ontvangt weer gasten en die kunnen er ook luxe eten en verblijven.

Het correspondeert met wat mij overkomt. Ik kon gisteren eindelijk weer tennissen. De meneer die al 20 jaar de boekhouding doet kwam maandag langs en ik sprak gisteren bijna face to face in levende lijve iemand voor het werk ware het niet dat hij het te druk had en toch koos voor een eenvoudig belletje.

Haalt opgelucht adem. Ik vloog nog bijna niemand om de hals. Maar toch.

Ondertussen blijft tot 1 juni met z’n vieren voetballen op ons kerkhofje verboden tenzij je elkaar toevallig tegen het lijf loopt en mag ik m’n lieve zoon en schoondochter best zien maar niet hier op de stoep tenzij ze hier logeren want dan zijn het huisgenoten en moeten op de tennisbaan alle bankjes worden verwijderd want je zou eens kunnen gaan zitten.

Wie een intelligente lock down over zijn volk afroept, vertrouwt op de intelligentie van dat volk. Wie vervolgens die lock down gaat juridiseren vertrouwt op de intelligentie van zijn juristen. Ik dacht dat mondkapjesproducenten rijk worden van deze crisis maar ik neem inmiddels aan dat advocaten binnenkort nog betere zaken doen.

Op de afbeelding twee bezoekers van het Martinikerkhof. Vormen zij samen 1 huishouden? Ik betwijfel het. Het hotel wordt goed beveiligd. Bij Wout Sorgdrager Communicatie staat de voordeur halfopen. Mag dat?

Ain pronkjewail

In 1983 verhuisden we naar Groningen. Zalig onwetend hoe het zou aflopen. Ik herinner me geen emigratiegevoel, je weet wel, dat gevoel dat miljoenen emigranten gehad moeten hebben toen ze aan boord waren gestapt van een boot die hen voorgoed meenam naar een nieuw land en ze hun moederland aan de horizon zagen verdwijnen. In ons geval was het allemaal tamelijk matter of fact.

Van het een kwam het ander en dan knipper je met je ogen en realiseer je je dat je hier waarschijnlijk niet meer weggaat. Als je al weg kunt …  treinen rijden niet en al helemaal niet voor jou en de nieuwe ringweg die binnenkort klaar zou zijn, wordt hopelijk in 2024 opgeleverd. Er is een website ‘groningenbereikbaar’ en dan weet je het wel.

Hoe het ook zij. Ik besloot daarom onlangs in een opwelling en eerlijk is eerlijk, tijdens een lange autorit, het Gronings volkslied nu eindelijk een keer te leren. Ik durf hier te stellen dat het eerste couplet nu tot mijn bagage hoort. Ik ken het. Ik begrijp het. Ik kan het desnoods meezingen in een Nederlands dat voor de buitenstaander wellicht wat Gronings klinkt en dat echte Groningers doet denken aan die malle Hollanders die zo deerniswekkend hun best doen.

We gaan vast nog een keer naar Limburg. En ik beloof bij die terugreis ook het tweede en derde couplet te leren.  Dat met die dege degelkhaaid en die wille, vast as stoal. Ondertussen trokken wij vorige week de IJssel over met dat ene lied in ons hart: ain pronkjewail in golden raand. En verhip: de klokken zijn terug. Zo mooi. Een gouden rand is niet eens nodig.

Verdwalen

We wandelden afgelopen week eigenlijk iedere dag door Zuid-Limburg. Dat doen we eigenlijk “best wel” regelmatig. Waarschijnlijk zo’n twee keer per jaar. Je zou zeggen, je kent het er. Maar dat is niet zo. Beslist zie ik stukken waarvan ik weet dat we er eerder waren, sommige stukken voelen zelfs vertrouwd, een enkele stukje herken ik, en in een paar gevallen kan ik ook al vooraf vertellen wat we gaan zien. Maar grosso modo is iedere wandeling weer nieuw voor mij.

Ik bof, ik weet het.

De reisleidster van ons reisgezelschap blijft zich daarover verbazen. Wat ze vergeet is dat ik om me heen kijk en zij op de kaart. Zij kan daardoor een verbinding leggen tussen het landschap en de locatie. Voor mij zijn al die vergezichten een bonte stoet van beelden, het ene nog mooier dan het andere. Al die pensionnetjes, hotelletjes, B&B’s, campings, restaurantjes, groepsaccomodaties. Ik was er. Alles komt me bekend voor, niets herken ik.

Ik denk dat mijn moeder de laatste maanden van haar leven zich zo gevoeld heeft. Dat milde dementie zo voelt. Dan denk ik ook: ach, dan valt het nog wel mee. Maar ik heb die reisleidster. Of zou ze bij me horen?

Uitgeknipt

Lien de Jong is een jong Joods meisje als haar vader en moeder besluiten dat ze beter kan onderduiken. Het is dan zomer 1942. Een mevrouw haalt haar op.

In het boek ‘The cut out girl’ beschrijft Bart van Es haar leven en hoe dat vervlochten is met het zijne. Hij is de zoon van de zoon van de familie waar Lien na veel omzwervingen als pleegkind komt te leven. ‘Vergeet-me-niet’ heet het in het Nederlands. Het verhaal van Lien de Jong is verschrikkelijk, beklemmend, hoopgevend.

Ze verblijft bij 9 families in die drie oorlogsjaren. Het boek beschrijft maar gedeeltelijk haar verblijf bij die families. Ze wordt als een hete aardappel doorgegeven en terecht: telkens weer verschijnt de politie of wat daarvoor doorgaat en doorzoekt het huis. Telkens is ze dan alweer op weg naar een volgend adres. Ze weet van niets. Ze is een pakketje. Ze wordt bezorgd. Bij twee families verblijft ze langer. Bij de laatste familie waar ze tijdens de oorlog verblijft gebruikt de moeder haar als meid. De vader misbruikt haar.

Na de oorlog dringt het langzaam tot haar door dat niemand van haar familie de oorlog heeft overleefd. Ze ziet haar vader, haar moeder en de rest van haar familie nooit meer terug. Voor haar geen familiefeestjes, trouwpartijen, begrafenissen, verjaardagen. Geen verhalen over hoe opa Jan … en hoe tante Mien … Uitgeknipt.

De familie waar ze liefdevol wordt opgenomen na de oorlog is ook de familie waar ze haar onderduikperiode begon. Ze groeit er op. Ze vervreemdt er van. Sterker: haar pleegmoeder verbreekt het contact. Ze wordt uitgeknipt.

Gisterenavond was er een online boekbespreking bij Studium Generale van de Rijksuniversiteit Groningen waar zij te gast was. Ik was er bij, online. Ik zag met eigen ogen hoe een mens die alles verloor kan opkrabbelen en allengs weer overeind komt. Récht overeind. Fier. Zelfbewust. Zij werd uitgeknipt uit het verhaal van haar familie maar begon haar eigen familie. Ze kijkt niet om in wrok. Ze toont begrip jegens haar pleegouders (“Ik was ook geen gemakkelijk meisje in die jaren”). Ze oogt gelukkig. Dat maakt haar verhaal hoopgevend.

Ik doe geen recht aan het boek – lees het zelf.

Bart van Es, Vergeet-me-niet. De Bezige Bij. ISBN 9789403118208

Opa Bakkebaard

Thuis hebben we een boek met kinderliedjes waaruit Lasse en ik zingen na het middagdutje. Opa Bakkebaard is een klassieker. We bespreken dan eerst het huisje van opa Bakkebaard. De schoorsteen, de bezem, de foto van iemand die ongetwijfeld oma Bakkebaard moet zijn, en zingen dan samen hoe opa Bakkebaard z’n dagelijks werk doet.  Getuige de foto van oma Bakkebaard aan de muur is opa Bakkebaard duidelijk een man alleen. Niet alleen veegt hij zijn huisje zelf, hij zal ook zijn eigen potje moeten koken.

En dan hef ik te zingen aan.

Lasse haakt schoorvoetend in. Maar dat schoorvoeten duurt niet lang. Al snel zingt hij uit volle borst mee. Vaak ook nog daarna, als hij alleen wat zit te spelen of te niksen. ‘Opa Bakkebaard …’ hoor je dan.

Op zo’n moment moet schoondochterlief de telefoon gepakt hebben. Ongetwijfeld heeft ze gevraagd: ‘Zing dat nog eens voor opa en oma.’ En hij is dan de beroerdste niet. Dat wil hij best doen. Maar ondertussen staan er op tafel wel twee glazen waarvan een met water. Al zingend – in dat huisje isse koed –  pakt hij die glazen – weet jij doet? – en maakt aanstalten om – werken veegt de vloer – glas één in glas twee over te schenken.

De hand van moeder komt in beeld. ‘Schenken’ zegt hij ietwat verbolgen.

Waarna de regisseur besluit de take te cutten. Ze hebben een nieuwe vloer, ik weet het. Maar ik had graag het vervolg gezien. Hoe het water over de tafel stroomt – met een bezem – en over de vloer stroomt – zo veegt hij de vloer -.

Maar dat mocht niet zo zijn.Daarin verschillen opa’s van moeders. Onze vloeren zijn oud en gebruikt. Die van hun worden dat nog.