Een dutje

Lasse slaapt … Lasse slaapt niet … Lasse slaapt … niet. Ik herinner me de wanhoop die me vroeger bekroop als de baby niet wilde slapen op het moment dat ik daarvoor bedacht had. Er was altijd werk te doen, en op zo’n dutje rekende je.

Dat hoeft niet meer. Ik houd de donderdagen vrij en merk wel of hij slaapt of niet. Momenteel klinkt er wat gepruttel uit het bedje. Heel verdrietig is het nog niet. Ga ik even gluren? Word ik gespot, dan is het ook over en uit met het slaapgebeuren. Word ik niet gespot, dan mag ik waarschijnlijk genieten van de aanblik van een vrolijk ventje dat zijn beentjes in de lucht heeft en probeert zich van zijn sokjes te bevrijden, lammetje en speentje naast zich. Of hij ligt op zijn buik, en probeert terug te komen in de uitgangspositie.

Waah waaah ehh eahh, dit klinkt al minder blij.

Je moet ze even laten pruttelen, leerden wij vroeger.

Ik doe mijn schoenen uit. Op mijn sokken besluip ik mijn kleinzoon. Ik ben gezien! Spelen!

Kip

Word je als haan geboren, dan heb je pech. Je wordt rücksichtslos vergast. Word je als hen geboren, dan bof je. Dan word je gemiddeld pas na 500 dagen geslacht: daarna worden ze minder productief. Zo’n 34 miljoen hennen komen zo te vroeg aan hun einde, stelt Wakker Dier. Het staat allemaal in het Dagblad van het Noorden.

LTO reageert niet op dit onderzoek. Ze kijken daar wel uit. Hennie de Haan, voorzitter van de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders, wel. Ik citeer hier verder het Dagblad:

Zij noemt de conclusies van Wakker Dier ‘unfair’ en stelt dat veruit de meeste pluimveehouders goed voor hun kippen zorgen. ,,Dieren onnodig doden, dat gebeurt echt niet.”

De Haan heeft vooral moeite met de conclusie van Wakker Dier dat 34 miljoen ‘verder gezonde’ leghennen te vroeg worden geslacht. ,,Dat van die haantjes, daar hebben ze een punt. Daar zijn we zelf ook niet trots op. Maar het verhaal van de leghennen is onzin. Op een gegeven moment worden ze inderdaad minder productief. Maar die dieren hebben een zwaar leven gehad, hebben soms gezondheidsklachten. Het is niet zo dat we kerngezonde dieren slachten.’’

‘Unfair’ …. Die arme arme kippen hebben gewoon een zwaar leven achter de rug, ook al zorgen pluimveehouders goed voor ze. Het is uit pure compassie dat deze kippenboeren hun hennen doden.

Op de foto een stal vol vrije blije beter-leven-kippen.

Groningen laat je horen

In Stad barstte gisteren de Keiweek los. Ruim 5000 nieuwe studenten maken deze week kennis met Groningen. Ze gaan in groepjes naar het postkantoor om er te leren hoe je een spaarbankboekje invult, ze gaan naar de bloedtransfusiedienst om te leren dat bloed geven goed is, ze gaan naar de bibliotheek om te leren hoe je er boeken leent, ze leren hoe te studeren en hoe een ei te bakken en te leven van 2 euro per dag en ze gaan langs alle gebouwen van hun nieuwe alma mater. Ach ja, kom er maar om. Nee, introduceren is feesten en eigenlijk begrijp ik dat ook wel.

We gingen er even kijken, gisteravond laat. Vanaf de Grote Markt klonken de bassen van de muzikanten door tot aan onze voorkamer. Dan wil je ook wel zien en horen of die artiesten nog andere instrumenten hebben. Nee dus, kan ik u nu vertellen. Helemaal alleen op een groot podium in de donkere nacht stond een jongeman. Hij riep telkens: ‘Groningen laat je horen!’ en dan hief de meute voor hem de handen in de lucht en brulde even. Daarna zette hij waarschijnlijk de bandrecorder weer aan met daarop de bassen en dan riep hij weer ‘Groningen laat je horen!’ En hups, daar staken de jongelui de armen weer in de lucht en brulden braaf even mee.

Het was laat op de avond. De herrie was oorverdovend. We liepen er even om heen en kropen fluks ons eigen huisje weer binnen en deden de ramen krikkrak dicht. Nog even keek ik naar buiten. Doodgemoedereerd stond daar de Oude Grijsaaard; hij bekeek het gewoel onder zich. De artiest riep nog eens ‘Groningen laat je horen’ en bedachtzaam sloeg hij 12 keer.

Een dagje uit

Het was een flitsbezoek, waarmee onze jongste zoon ons plezierde. Hij kwam er ook ruiterlijk voor uit: hij kwam voor ons bed, en ons dak. En voor vrienden en voor de muziek. We zagen hem zaterdagochtend even. Toen hij zondag zo tegen 1 uur dat bed boven verruilde voor onze huiskamer beneden, klonk er in zijn stem iets door van heesheid. Hij had een avond en een deel van de nacht – met oordopjes in om de hartverscheurend oorverdovende teringherrie onschadelijk te maken – prettig geschreeuwd met vrienden. Het is wonderlijk. ‘Konden ze die muziek dan niet wat zachter zetten,’ vroeg ik tegen beter weten in, ‘dat je elkaar gewoon kunt verstaan?’ Hij moest toegeven dat er iets ongerijmds in zit om de muziek zo hard te zetten dat oordopjes worden aanbevolen waarna je je stem moet kapot maken om je verstaanbaar te maken.

Gaande de middag werd het iets beter. Waarna hij ijlings met mijn fiets vertrok richting een verjaardagsfeestje elders in de stad. Toen hij terugkwam, moest hij onmiddellijk weer weg om op tijd de trein te pakken om op tijd in Antwerpen te zijn. Toen hij haastig vertrok, nog wat bezweet van zijn fietstochtje, haalde ik opgelucht adem. Wat is het heerlijk om dat allemaal niet meer te hoeven. Om niet meer alles uit het leven te hoeven halen.

Ik belde gisteren met Christiaan Kuitwaard. Hij is schilder. We gaan vandaag samen naar het skûtsjesilen. Dat begint om 2 uur. We willen er om 1 uur zijn. Maar omdat we op tijd willen zijn, zijn we er om 12 uur en daarom ben ik bij hem om 11 uur. ‘We maken er een dagje uit van.’ zei ik. Hij was dat met me eens. En maande me om boterhammen mee te nemen. Dat ga ik doen. En ik bak een ei voor erop.

Op de foto een werk van Christiaan Kuitwaard

Skûtsjesilen

Maandag mag ik voor Zeilhelden op de persboot om verslag uit te brengen van het Skûtsjesilen. We varen bij Woudsend. Ik ben van nature een kanovaarder op rustig water. Zeilen is mij wezensvreemd. Het is eng. Spannend. Hoge golven, strakke wind, diep water.

Ooit – 1975 – voer ik met vriend Erik per kano over een van de randmeren naar een van de polders om van daaruit de IJssel op te varen. Ja, ik weet het nu, dat is de verkeerde kant op maar dat wisten we toen nog niet. Tijdens die tocht op het randmeer begon het hard te waaien. De golven sloegen over ons houten, ietwat lekkende kanootje, de tent werd nat, de boot zwaar. We stonden doodsangsten uit. Eenmaal veilig aan de overkant begrepen we dat het meer daar 50 centimeter diep was.

Hoe diep het water bij Woudsend is weet ik nog niet. Maar beslist dieper, als ik die skûtsjes zo zie.

Bekijk op Facebook vast de andere verhalen van Zeilhelden

Meeuw

Het was bijna 5 uur. Ik zat buiten. Het was koel, eindelijk koel. De voorbereidingen voor het diner waren klaar en ik maakte een van de kruiswoordpuzzeltjes die ik uit de vakantiekranten knipte. Ik wil maar zeggen: ik was ledig.

Op de rand van het dak van de buren zat een meeuw. Een enorme meeuw. Hij keek wat doelloos voor zich uit. Er moet een woord zijn voor het schoorsteenachtige ornament waarop hij zat. Ik ken het niet. Maar hij zat er op. Waar wacht hij op, vroeg ik me af, wat gaat er door zo’n beest heen? Je weet het niet.

Toen de beiaardier psalm 128 inzette en de klok 5 wilde slaan, draaide het beest de kop. Traag en bedachtzaam strekte hij de vleugels en steeg op. Moeiteloos en majestueus als een koning op staatsbezoek. Waarschijnlijk mengde hij zich even later krijsend onder de andere meeuwen op de Vismarkt, vechtend om de laatste restjes visafval.

Schuld

De meneer die iedere ochtend bij Albert Heijn de straatkrant verkoopt – hij staat er om 8.10 uur en vertrekt zo tegen 13.00 uur – is er niet. Het valt me op. Hij groet altijd en iedereen. Ik vermoed dat hij op vakantie is en betrap mezelf op de flits van een gedachte dat een straatkrantverkoper niet op vakantie kán. Het is een rechtse gedachte, denk ik, gebaseerd op de aanname dat straatkranten verkopen een  vorm van bedelen is, en dat bedelende mensen zich geen vakantie kunnen veroorloven. Want als ze een vakantie kunnen betalen, hoeven ze niet te bedelen.

Maar ik koop nooit een straatkrant. Ik lees genoeg papier en wil niet nog meer papier lezen. En het hóéft ook niet: hij verkoopt ze. Hij stelt een transactie voor waarop ik met ‘nee, dank u’ kan reageren. Hij heeft een winkel en aan een winkel kan ik rustig voorbij lopen, zonder me schuldig te voelen. Maar ik voel me wel schuldig.

Als het eerste een rechtse gedachte is, is dit schuldgevoel dan een links gevoel? Ik kom er niet uit en vertel het mijn zoon. Hij herkent het probleem en heeft ook een oplossing. Hij koopt eens per maand een straatkrant.