Echte vrienden

In de week van de poëzie gaat het over vriendschap. Die twee hebben inderdaad veel met elkaar gemeen. Vooral dit: het wonder van de chemie. Dat wonder dat maakt dat soms 1 en 1 niet 2 is of 3 maar nog weer iets anders. Iets waarvoor woorden of getallen tekort schieten en wat je hoogstens kunt aantikken zonder te weten wat je nou precies aantikt. Daarvoor is het te vanzelfsprekend, daarvoor is het te onnavolgbaar. Onze gewone grammatica voldoet niet. Wie het gaat ontleden vindt hooguit wat radertjes; dat wat hen doet draaien verdampt.

We zagen gisteren de film The Banshees of Inisherin, een film over het raadsel vriendschap. Hoe je het kunt koesteren. En hoe je het maar beter niet kunt ontleden. Adembenemend. Het eiland. De wolken. De oceaan. Het lot.

Niet voor tere zielen, dat zeg ik erbij.

Het is de week van de poëzie. En dus krijg je zomaar gratis ‘Het staat te gebeuren’, een bundel van Hester Knibbe en Miriam Van hee. Het motto dat zij eraan meegaven komt van Naipaul: ‘Vriendschap heeft haar merkwaardige kanten’. Overigens: wie bij Godert Walter koopt krijgt er ook nog eens 9 vrolijke gedichten bij van Mark Boog.

Uit het poëziegeschenk kies ik een gedicht van Hester Knibbe.

Hoe verover je Troje? Door er te gaan wonen.
Neem geen paard maar een schaap, wandel

er dagelijks mee over straat terwijl je
met deze en gene een praatje maakt. Waarom

een schaap zullen ze vragen, vanwege de wol?
Breit u graag? Bedenk, de muren van Troje zijn

niet van bladgoud gebouwd maar van stevige
eenvoud en zo ook bereik je het hart met

zijn duistere stegen en pleinen. Kijk wat daar
voorvalt en luister vooral. Drink met de drinker, speel

met het kind, help de oude met rooien: zo leer je
te houden van Troje en Troje van jou.

Uit: Miriam van hee, Hester Knibbe, Er staat te gebeuren.

Tulp

Grote kleinzoon bekeek de tulp in het borrelglaasje op de toog van ons aanrecht met warme belangstelling. Wat is dat, waarom staat dat er, van wie moet dat? Ik legde uit dat deze tulp een broertje is van de 19 andere tulpen in de grote vaas bij het raam maar dat deze tulp geknakt is. Hij paste daardoor niet meer in de vaas. Kleinzoon bekeek de bloem nog eens. Nu niet meer vragend maar vol mededogen. ‘Ik vind hem eenzaam.’

Eenzaamheid. Ik kreeg van een Tekstnet-vriendin een kaart van het eiland. Ze had zichzelf een retraite cadeau gedaan. Vier weken alleen. Met wandelschoenen. Met boeken. En naar ik hoop, met een device dat het internet ontsluit. ‘Dat lijkt me ook wel iets voor jou’ schreef ze op de kaart. En ja, mij lijkt het ook wel iets voor mij.

Maar dan denk ik aan die ene keer dat ik een week zou gaan fietsen door Nederland. Alleen. Met een tentje. Wat kookspullen. De wijde wereld in. Heerlijk. Niemand om rekening mee te houden. Niemand om voor te zorgen. Niemand om verantwoording aan af te leggen. Dag 1 was geweldig. Op dag 2 miste ik iemand om tegen te zeggen hoe geweldig. En op ochtend 3 stelde ik vast dat ik mezelf geen plezier deed met nog verder fietsen. Ik was alleen. Ik was eenzaam. Ik fietste naar huis.

Van Starkenborgh

Ik rende over het jaagpad langs het Van Starkenborgkanaal, een bladstille zaterdagochtend, zonovergoten, geen mens op pad. In de verte ploegde traag een vrachtboot richting Stad. Langzaam maar zeker haalde ik de boot in. Zij lag hoog op het water, de hekgolf bij de schroef was enorm. Het water dat ze achterliet kwam me tegemoet. Het golfde hoog op en naar alle kanten. De boot had geen haast, zoveel was duidelijk. Na een minuut of wat liep ik dan ook langszij. Daar liep een keurig strakgelijnd boeggolfje even met me mee. En weer even later had ik haar ingehaald. Al dat water, rimpelloos en nog volkomen onwetend van de turbulentie op komst.

Dit moest een metafoor zijn. Maar wat staat voor wat? Is die boot de mens die gestaag doorvaart, zich lichtelijk bewust van de turbulentie die hij of zij achterlaat en zich totaal onbewust van wat hij nog teweeg gaat brengen? Is het water de tijd die uiteindelijk alles weer gladstrijkt? Of is juist het water de mens en de boot diens leven? En ik dan, die zwoegende zwetende ploeterende hardloper aan de wal, wat haal ik in, wat laat ik achter?

Ik besloot dat dit was wat het was en meer niet. Een mooie dag.

Op de foto het kanaal in warmere tijden

Zingen

‘Mensen, ga toch zingen’ verzuchtte de vrouw van een neef op Facebook. Ze heeft natuurlijk gelijk al is haar verzuchting niet helemaal vrij van een beetje eigenbelang: ze doet er in. Zelf voel ik me geen zinger. Gêne staat me in de weg en lef. Twee belangrijke, diepgewortelde blokkades die ik serieus neem. Behalve als de kleine O me bij het hoofd pakt en me diep in de ogen kijkt. Heel diep. Olifantje! Dan zingen we. Van het olifantje in het bos dat zijn mama niet los moet laten. Of van beide beren. Of over Ikkertje giraf. Of Berend botje. Of over schapie. Dan zingen we. Uit volle borst en schaamteloos.

Ik kan me niet herinneren dat mijn moeder ooit voor of met ons zong. Mijn vader was de zanger in huis. Hij had op een koor moeten gaan. Hij hield van zingen. In de kerk schaamde ik me voor hem. Dat hij zo hard zong. Op zondagavond, na de eenvoudige broodmaaltijd na de 5-uursdienst, wilde hij psalmen en gezangen zingen met zijn gezin. Wij mochten dan kiezen. Ooit had ik een vriendin van RK-huize die op zo’n zondagavond mee at. Ze wist niet wat haar overkwam. Ik wist niet waar ik moest blijven.

Terug naar kleine O. Terug naar nu. Zijn grote broer begeleidde ons zondagochtend op de gitaar. Hij hield zijn mond stijf dicht. Je zag aan alles dat hij zich schaamde. Voor zijn kleine broer? Voor mij? Dan ben je bijna 5 en kun je je al schamen.

Over last

Die dreun. Die bonkende dreun. Die adembenemende, alles doordringende, niet aflatende dreun.

Groningen was de laatste dagen overgenomen door de muziek. Dat hoorde je. Dat zag je. De stad was vol muziek. In de winkels, op de straten, in de cafés, in de gigantische tent op de Grote Markt, in de zalen. Wij namen donderdagavond een kijkje op de Grote Markt. IJzig koud. Ook binnen in die enorme tent. Kwart over 11. Een moment waarop ik doorgaans de koffie voor de volgende morgen klaarzet en de afwasmachine inruim en met m’n Volkskrant kruiswoordpuzzeltje naar boven ga.

Daar in die bomvolle tent werden we bijna omvergeblazen door de muziek van Jungle by night. Hier kwam dus die dreun vandaan. Je buik, je borst, je longen, alles dreunde mee. Het was niet mooi, het was niet lelijk, het was overdonderend. We bleven, het was te leuk.

Een beetje groggy liepen we om 12.00 uur naar huis. Voor de Stad begon het nu. Bij het beeld van Joris en de draak achter de Martinitoren projecteerden jongelui artistieke lichtbeelden. Op de bankjes zaten wat mensen te chillen. Rillerig gingen wij naar binnen. Wat was het er heerlijk.

Mij suisden de oren en bonkte het hart. Maar de puzzel loste ik op. Ik deed het licht uit. Vanaf de Grote Markt klonk de dreun. Ik was elders, ik was thuis, ik had nergens last van.

19 januari

Er zijn natuurlijk allerlei redenen om te vieren dat het 19 januari is. Bijvoorbeeld dat op die dag de zon rond 12.00 uur net boven het Forum uit piept en onze woonkamer opwarmt. En dat je op 19 januari voor het eerst kunt merken dat het langer licht is. Maar natuurlijk en vooral dat het de verjaardag van mijn moeder is.

Ik heb weinig tekst. Ik heb weinig tijd. Ik heb zo dadelijk een kleinzoon in zorg toevertrouwd gekregen en dat knaapje rekent op mijn onvoorwaardelijke aandacht. En hij heeft gelijk.

Maar kijk haar daar nou eens.

%d bloggers liken dit: