Mijn kleine oorlog

Mijn kleine oorlog
Omslag: H. Berserik

Jean uit Tervueren

Vertellend over een en ander begint er iemand over de mobilisatie, en herinnert ge u dat in die dagen een Duits schip gekelderd werd, geladen met schoenen … En hierdoor herinnert ge u meteen Jean uit Tervueren, die lachte als een gek omdat ge gezegd hadt dat het ook bij ons ging oorlog worden. Want hoe gingen de Duitsers komen? ze hadden geen schoenen, en we hoefden alleen maar de grens vol spijkertjes te strooien. Want ge herinnert u dat ge met veel gelachen hebt dat achteraf niet om mee te lachen bleek, bijvoorbeeld de loopgrachten die ginder aan de grens nog niet doorgestoken waren, want de boer moest kunnen passeren met zijn kar.

En nu Jean zelf … hij was nog een kind toen de oorlog van 14 uitbrak en zijn pa sneuvelde, zodat hij nooit zijn pa gezien heeft. En nu was er bij Jean zelf een kind op komst en Jean gaat in de oorlog … nee, het is niet nodig fantasie te verkopen, de waarheid is al fantastisch genoeg. De waarheid, dat ge eigenlijk niet eens weet wat er met Jean uit Tervueren gebeurd is. Het onweer ging over ons, kleine Belgische soldaatjes, heen en elkeen tastte naar zijn eigen armen en benen om zich pas achteraf te vragen waar die en die gebleven was. En ge hebt Jean nooit meer gezien, noch aan het Albertkanaal noch in krijgsgevangenschap, en misschien ligt hij ginder toch in de grond gestopt, met zijn geweerke in de hand – of misschien is hij thuisgeraakt gelijk gij en ik, waarom gij en ik wel, en anderen niet? Maar dat daargelaten, ge herinnert u dat hij veel over Tervueren heeft verteld: 20 keer dat hij als kleine jongen eens de stokken van de koning mocht dragen toen die daar kwam golf spelen, en één keer dat hij schrijnwerker was. En daar hij u het ene schetsboekje na het andere zag volkrabbelen, vertelde hij ook dat hij eens de schrijnwerkerij had gedaan bij een schilder in Tervueren die wereldberoemd was, en waar hij … En op een keer vroegt ge wie die schilder was, en het bleek dan nog bijgod Edgar Tijtgat te zijn. En ge riep uit: ik ken hem, hij draagt lang grijs haar en een roze hobbeltje op zijn neus, en hij gaat met zijn palet in de hand naar de paardjesmolen kijken.

Maar Jean zelf … Ge zult hem eens opzoeken, peinst ge, alhoewel ge niet weet waar hij ergens te Tervueren zit, ge kunt daar niet toekomen en naar Jean vragen die als kleine jongen 20 keer met de koning weest golfspelen is – pardon, één keer – en doe daar al verhuisd kan zijn, en die al lang dood kan zijn. En ook, ge zegt wel dat ge hem eens zult opzoeken, maar ge doet dat toch nooit. En dat is wel het meest triestige in het leven (het meest triestige als er geen vliegers hangen … want als de rode fusee’s* daar hangen en er alarm is en bommen vallen, dan staat ge met toegeknepen hart uw zenuwpijnen af te knabbelen en te wachten tot de w.c. vrij is) en als dan de vliegers weg zijn is het meest triestige in uw leven dat ge zoveel mensen hebt gekend en er mee geleefd en gelachen en zorgen hebt gedeeld, en dat ge die nooit meer zult horen of zien.

En dat ge u zelfs, al vertellend over een en ander, hen binnen enkele tijd niet eens meer zult herinneren.

*Lichtkogel

Gepubliceerd door

Wout Sorgdrager

Tekstschrijver, schrijftrainer, communicatieadviseur in Leermens (bij Groningen). Schrijft over gezondheidszorg en onderwijs. En over schrijven. Traint en coacht professionals.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s