Meet and greet

We zaten op het gras, Lasse en ik. Madeliefjes plukken en van het muurtje springen.

Een mij onbekende mevrouw naderde ons ietwat schoorvoetend. Ze had een fototoestel voor zich hangen en wilde duidelijk wat vragen. Lasse met op de achtergrond de Martinitoren? Of omgekeerd? Zou ze zoiets willen? Ik vroeg me razendsnel af wat ik daarop zou gaan zeggen. Maar het was voorbarig. Ze vroeg gewoon: ‘Is dat Lasse?’

Zo jong en dan al bekend! Het was iemand die onze blogs leest en tja, als je pal  voor de deur met mijn naam in koeienletters erop, een oude opa en een schattige kleinzoon ziet, leg je dat verband. Ik besloot zijn anonimiteit op te heffen en antwoordde bevestigend. Jawel, dit is hem. Dit is Lasse.

Lasse reageerde terughoudend. Een meet and greet in zijn vrije tijd, hij liep er niet heel warm voor. Maar een lachje kon er af. Een zuinig lachje. De meeste lach had hij namelijk al besteed aan de dames van het stembureau in het Provinciehuis. Het was dat de plicht hen dwong te blijven zitten, maar anders waren ze met hem weggelopen. En misschien dat hij zich wat underdressed voelde. Het rompertje dat zijn moeder hem had aangetrokken was nat geworden en het rompertje dat ik hem had aangetrokken was te klein om dicht te doen. De voorflap en achterflap bungelden los onder zijn T-shirt.

We zijn ’s middags maar gauw grotere rompertjes gaan kopen bij de Hema. We boften: 3 voor de prijs van 2!

Als u nou volgende week denkt ‘Dat ga ik ook doen’, doe het niet. Lasse is dan weg. Maar de week erop zijn we er vast.

Intensive care

Precies 10 jaar geleden gaf ik ook mijn laatste stukje bestaanszekerheid op en zei m’n halve baan als communicatieprofessional gedag. Ik had genoeg van bazen. Ik wilde opdrachtgevers. Mijn oude baas werd prompt mijn nieuwe opdrachtgever. Met onmiddellijk een prachtige opdracht. Een magazine-achtig boek over opleiden op de intensive care. Het heet ‘Aan de slag‘ en u mag het lezen. Sinds die tijd heb ik een zwak voor de IC. Ik dacht dat het er om slangetjes ging en cijfers maar ik was abuis. Erg abuis! De opleidende intensivist vertelde me hoe hij zijn intensivisten-in-opleiding leert om altijd eerst te kijken en te voelen om pas daarna de meterstanden op te nemen.

In de bibliotheek botste ik vorige week op het boekje Intensive Care van Rosita Steenbeek. Ik leende het, ik las het. Ik heb nog les gehad van haar vader; ze schrijft over hem en over zijn ziekbed en overlijden. Maar ze schrijft vooral over het leven op de IC. Het leven van de patiënt. Ze komt daar terecht niet lang nadat haar vader stierf. Een auto-ongeluk.

Het ontroerendst vond ik het verslag van haar terugkeer op aarde. Als je gezond bent, sta je er niet bij stil dat je ziek kunt worden. En ben je ziek, langdurig ziek, dan sta je er niet bij stil dat je eenmaal die veilige vertrouwde beslotenheid van het ziekenhuis moet verlaten. Dat je weer op eigen benen moet staan. Die onwennigheid, die angst, die schaamte, die kwetsbaarheid, die dunne beentjes, dat wrakke lijf …

In mijn ‘Aan de slag’ komt maar 1 patiënt aan het woord. Vreemd achteraf.

100 miljoen euro en een luisterend oor

Mijn vrouw appte me vanmorgen tegen 7.30 uur: of ik de beving had gevoeld? Ik wist van niets. Zij is in Mainz, ik in Stad.

Ik herinner me mijn eerste stukje over de bevingen nog goed. Het was 23 januari 2013. Kamp kwam naar Loppersum met 100 miljoen euro en een luisterend oor. Ik was wat jolig. Groningen was geen rampgebied maar wel beschadigd. Dus stop met pompen en kom over de brug met geld om de schade te herstellen. Ik eindigde als volgt:

Vanavond is Kamp in onze Boshal in Loppersum om naar ons te luisteren. De boel scheurt. De boel zakt. De boel krimpt. En Kamp gaat ons redden. Heer, bewaar ons.

Dat getuigde van enig profetisch inzicht. Maar dat de boel zo uit de klauwen zou lopen, had ik in geen 100 jaar verwacht. En wat er gedaan moet worden om het weer onder controle te krijgen, ik zou het niet weten. Wat een drama. Wat een drama.

Welk plaatje plaats ik erbij? Ik weet het niet. Weer een scheur? Weer een boze Groninger? Weer stutten? Die vlag halfstok? We doen het vandaag maar zonder. Misschien mag ik u wijzen op de video die mijn zoon maakte in Westerwijtwerd voor het Dagblad van het Noorden. De gelatenheid van de mensen.

Lees hier het nieuwsbericht

 

Elk huis heeft zijn kruis

Ik grossier in ansichtkaarten van ruïnes, Jezussen aan een kruis en andere treurnis. Ik scoor ze in lege kerken die we aandoen op vakantie. Daar, in die vreemd lege kerk, vaak koel, ruikend naar nat gips en met een beetje geluk nog wat wierook en brandende kaars, en haast altijd ietwat onderkomen ontroert zo’n kaart me. In mijn enthousiasme koop ik er dan 3. Een voor de heb, en twee om te versturen. Maar eenmaal thuis mis ik telkens weer de gelegenheid om iemand juist die kaart te sturen en kies ik toch maar een zinkviooltje of een zeldzame vlinder waar ik net wat makkelijker mijn boodschap achterop kan schrijven.

De foto die medekaartclubbestuurder Jaap stuurde vanaf zijn vakantiebestemming is zo’n ansichtkaart. Zwaar van symboliek is het ook een beeldschoon uitzicht. Dat hutje op de hei, het bankje ertegenover en in de iets verdere verte dat eenzame kruis met al die  wolken en toch ook dat hemelse blauw. En natuurlijk ook de rug van mevrouw Jaap en de teckel Titus. Caspar David Friedrich had het Jaap niet verbeterd.

Jaap stuurde hem ons. Ik stuur hem u.

 

Waar was dat feestje?

Bij de buren aan de Walburgstraat is zaterdagnacht een feestje gevierd. Ik bedoel niet dat de buren dat feestje vierden. Hun pleintje was de plaats van handeling.

Om de feestvreugde te verhogen, besloten de feestvierders de straatlantaarn eens grondig onder handen te nemen. Ik begrijp dat wel. Wat is er nu leuker dan Duncan kijken? Precies: straatlantaarns mollen! Iedere dag, nu alweer bijna twee jaar lang, probeer ik die neiging te onderdrukken. Het is een beetje een taboedingetje. Groot gelijk dat je met elkaar besluit om zo’n taboe nu eindelijk eens te doorbreken.

Wat gaat er door je heen als je zoiets doet?

Wat ging er door je heen voordat je zoiets doet?

En: what’s next?

Ik word soms  – even maar – heel rechts. Dan denk ik: meer bewakingscamera’s, lijfstraffen, Duncan kijken.

Volatiel

De volatiliteit van het humeur van mijn kleine kleinzoon is momenteel te vergelijken met de beurskoersen in tijden van hoogspanning of de waardering van Ajax-fans voor hun voetballers. Hakim Ziyech, was dat niet die voetballer die vorig jaar rond deze tijd massaal uitgefloten werd als hij aan de bal kwam? Ten Hag, was dat niet die trainer die …?

En dan kantelt er iets en zijn ze de man en worden ze voor altijd in het hart gesloten. Totdat er iets kantelt.

Bij Lasse kantelt er deze weken regelmatig iets. Het ene moment is hij het zonnetje in huis en waarschijnlijk ook de veroorzaker van menig hogedrukgebied in West-Europa, het andere moment is hij het vleesgeworden verdriet van Groningen en ligt hij languit op de vloer te krijsen van verdriet. De meteorologische implicaties hiervan ken ik niet.

De oorzaken van die volatiliteit ken ik ook niet. Het zal de leeftijd zijn: veel willen en weinig kunnen. ‘Snap me dan!’ huilt hij wanhopig. Maar een klein changement kan al voldoende zijn om hem een ogenblik later weer met dat hoge stemmetje te horen babbelen tegen het jongetje in de glazen deur. Het zal de moeheid zijn. Het zal het weer zijn

Ook aandoenlijk: dat-ie uitnodigingen om iets na te zeggen even laat bezinken. Ik zeg een aantal maal met een geprononceerde ‘b’ ‘bobo’. 30 seconden later hoor je hem het zachtjes voor zich uit fluisteren: ‘bobo’. Om vragen voor te zijn: de woordenschat is volgens mij nog beperkt tot ‘Kijk’, ‘Die’ en iets wat lijkt op ‘papa’ en ‘mama’. En ‘bobo’ dus. Dat lijkt al best wat op ‘opa’.

Op zoek naar de bedoeling

Gisteren was de dag die je wist dat zou komen: de Tekstnetworkshop met Dolf Weverink over schrijfcoaching. Ik was er klaar voor. De avond ervoor printte ik de routebeschrijving uit die mij van Utrecht CS zou leiden naar het vergadercentrum. De koffie voor onderweg stond klaar. 3 boeken in de tas want je weet maar nooit.

Het lukte. De trein landde om 9.45 uur in Utrecht. Ik trok mijn routebeschrijving en zag onmiddellijk dat wij onverenigbaar waren. Maar moeilijk kon het niet zijn. Om een lange omweg kort te maken: na 20 minuten ontmoette ik aan een prachtig jaagpad aan een kanaal een man en een vrouw. Ze gingen net naar binnen, de woonboot op. Nog voor ik mijn vraag had gesteld wisten zij mijn bedoeling. De Raad voor de Kinderbescherming …

De Raad voor de Kinderbescherming … ik liet het even tot me doordringen. En ontkende. Nu waren zij op hun beurt verbaasd: ‘U ziet er uit als iemand die komt voor de Raad voor de Kinderbescherming.’

Toen ik mijn werkelijke bedoeling had geformuleerd, hielpen ze me op weg. En ja, 15 minuten te laat was ik waar ik wezen wilde. Alwaar Dolf Weverink en 15 Tekstnetters mij en elkaar hielpen bij het schrijfcoachen. Dat is eigenlijk niet zo moeilijk, legde Weverink uit: ‘Luister naar De Bedoeling.’

Dat pikte ik gisteren op. Luister eerst. En vul niet in voor een ander.