Blogverlof

‘Wat zijn jullie?’

Ik schoof licht paniekerig op mijn stoeltje heen en weer en piekerde mij de kop suf. Wat zijn wij? Zijn we überhaupt iets? Wie is we? Existentiële vragen overspoelden me.

Hajé Loodgieter keek mij doordringend aan toen hij me de vraag stelde. Hij stelde zich niet voor. Hij vroeg niet hoe het ging. Hij vroeg niet of ik van autosport hield. Hij vroeg wat we wáren. Die vraag telde kennelijk en ik moest zorgen dat ik met een goed antwoord kwam. Ik kwam uit Amsterdam. Het was mijn eerste schooldag in Veenendaal. Ik was zojuist door de conrector aan mijn nieuwe klasgenootjes voorgesteld. Meneer Koelewijn positioneerde mij naast Hajé Loodgieter. Ik was 14.

Eenmaal thuis verklaarde mijn moeder mij de vraag. ‘Wat zijn jullie’ betekende: ‘Bij welk kerkgenootschap zijn jullie aangesloten?’ In het Veenendaal van 1974 telde vooral die vraag. Beetje benauwend.

Het werkwoord ‘zijn’ is, samen met ‘worden, heten, dunken, lijken, blijken, blijven, schijnen en voorkomen’ een koppelwerkwoord. Het werkwoord koppelt een “zijnswijze” aan het onderwerp. U voelt het verschil in de betekenis tussen het woordje ‘is’ in ‘Jan is laat’ en in  ‘Jan is dokter’. In zin 2 is het een koppelwerkwoord.

Laatst las ik over mezelf: ‘Wout Sorgdrager is blogger’. Daar schrok ik even van. Het koppelwerkwoord ‘is’ legt wel een heel straffe link tussen mijzelf en ‘blogger’. Beetje benauwend. Ik ben en ik blog. Maar ben ik blogger? En wat gebeurt er met een blogger die 4 weken niet blogt?

Van Hajé Loodgieter weet ik het wel. Hij was dominee. Hij is dominee.

Mag het iets meer zijn?

De auto  was – een week of 2 geleden – toe aan de jaarlijkse beurt. Ik bracht hem naar de garage, zo’n 4 km verderop, en kreeg een leenfiets mee. Halverwege begaf de leenfiets het. Thuis kreeg ik de fiets niet weer aan de praat en zo wandelde ik met fiets naar de garage. Het was warm, erg warm. De jongeman van dienst maakte de bon klaar. Ik – toch wat bezweet en moe – vertelde hem dat ik 6 km met de fiets had moeten lopen en hij zei: ‘Ach. Dat wordt dan € 289,67.’

Als we – grote kleinzoon met cape – kaas kopen weet het meisje van de kaaswinkel van welk Disney-personage de cape is afgekeken en vraagt of hij een lang of een kort plakje wil. ‘En waar is de toverstaf?’

Het gaat me om het snippertje attentie. Dat ietsjepietsje aandacht, zorg en liefde. Het gaat me om het raadsel van de toegevoegde waarde.

Wat er met je gebeurt als je het mist.

Wat er met je gebeurt als je het krijgt.


Foto: beeldbank Groningen,

Laat het los en haal adem

Nu de toeristen weer uit hun holletje zijn gekropen, het hotel weer bezoekers trekt, picknickers hun picknick eten, jongelui frisbeeën en buren de surfspullen in onderhoud nemen, wordt het drukker aan ons hofje, drukker voor de deur. Leven in de brouwerij.

De drukte gaat gepaard met meer auto’s voor de deur. Nee, er mag hier niet geparkeerd worden maar er zijn uitzonderingen. Sommige auto’s zijn van gasten van het hotel die hun auto mogen laten staan als ze aankomen. Medewerkers van het hotel parkeren de auto dan ergens in een garage wat verder weg. Mijn zegen heeft het.

Maar de meeste auto’s zijn toch van rijke patjepeeërs die niet malen om een boete of van medewerkers van onze gemeente die belast zijn met toezicht en handhaving. Zij parkeren hier tegenwoordig tweemaal per dag zo’n 5 of 6 auto’s langs de straat voor een half uurtje of wat langer. Wie roept de handhavers tot de orde? Wie houdt toezicht op toezichthouders?

Ik probeerde het gisteren. Ze parkeerden opgewekt hun auto pal voor onze neus. Ik schudde m’n hoofd en zei er wat van. Het leidde tot achteloos schouderophalen. Dat zijn momenten waarop ik volschiet. En dat ik van mijn hart geen moordkuil maak.

Hufters en handhavers hebben het rijk voor zich alleen. Hufters en handhavers doen wat ze willen doen. Is er iets wat u nog niet wist? Ik neem me voor om het los te laten en adem te halen.

Op de wierde

We woonden ooit op de wierde, een dorp, een plek, een huis. Als je vanaf ’t Zandt uit het noorden aan kwam, zag je het kerkje al liggen. Twee scherpe bochten, links en rechts, en je reed het dorp op. Rechts stond een oude bouwvallige boerderij. Ooit grandioos, later leeg en verlaten. Tot krakende passanten er gingen wonen. Sommige van hen wilden er dolgraag blijven maar dat was geen doen, aan het verval was geen houden, een oud huis alleen is op den duur reddeloos. De bouwval grensde pal aan de lage wierde: dat wat overblijft als je uit een grote ronde taart taartpunten snijdt. Het is weg maar juist daardoor erg zichtbaar. Bovenop de wierde, pal langs het talud dat kerkje en wat huisjes. Wat links lag laten we maar even links liggen.

Alles bij elkaar een flinke handvol huizen langs een doorgaande weg.

Ik begreep laatst dat de koster niet goed begreep waarom Sorgdrager er wegging. Ik wil dat koster best nog eens uitleggen. Iets van 1 leven, 30 jaar hier, 30 jaar elders, maar ik begrijp dat hij het niet begreep.


Het schetsje van Marten Klompien was onlangs op een veiling te koop. Ik bood te laag. Dom dom.

De boekenkast

Het is te laat voor de voorjaarsschoonmaak. Maar toch. Het kriebelt. En er is, zo in de aanloop naar de vakantie, weinig werk voor deze tekstschrijver en schrijftrainer. En zo bekroop me het idee om de boekenkasten beneden schoon te maken. Vakantie.

Hoe we in Geuzenveld, 1965, met z’n allen (dat wil zeggen: moeder en kinderen) de boekenkast schoonmaakten als het vakantie was. In het filmpje dat ik voor ogen heb, heeft mijn moeder een theedoek om haar hoofd gewikkeld maar dat zal wel niet kloppen. Zij stond op het balkon. Ik schat in dat mijn oudste zus telkens twee boeken uit de kast haalde en doorgaf aan mijn oudste broer die ze dan aan mij (in de keuken) doorgaf die ze aan zijn kleine zus (bij het balkon) doorgaf die ze aan mijn moeder op haar kloppost op het balkon doorgaf waarna mijn moeder met enkele rake klappen het stof van de boeken sloeg en … hier stokt mijn herinnering.

Want hoe kwamen die boeken terug? Waarschijnlijk stapelde mijn moeder ze op een beschut plekje op het balkon. Waarschijnlijk deed ze er een laken over. Mijn moeder was in die periode niet op haar best. Enig smetvrees was haar niet vreemd weet ik nu. Toen wist ik van niets. Alleen hoe we de handen ineensloegen  en de boekenkast schoonmaakten. Saamhorigheid. Vakantiegevoel.

Die arme moeder van mij. Wat had ik het haar gegund dat ze gewoon de kinderen naar de opvang kon brengen en lekker een eindje kon gaan fietsen.

Dat brengt me overigens wel op een idee.


Op de foto de keuken. Althans, zoals ik me die keuken herinner en nu te zien is in de museumwoning Van Eesteren. Daar moeten we beslist nog eens naar toe.

Hoe er niets gebeurt

U denkt: ‘Sorgdrager speelt vals, Sorgdrager gebruikt gewoon dezelfde foto als donderdag!’ Maar dat klopt niet. De foto van donderdag was van donderdag, de foto van vandaag is van vandaag. En toch is er veel gebeurd. En eigenlijk ook niets. Mijn oudste zoon is getrouwd met de moeder van mijn kleinkinderen. Al 5 jaar. De kinderen vierden hun kinderfeestje. Een grotemensenfeestje kwam er niet. Ons aandeel was eenvoudig. Wij hostten de beide kleinzonen.

Zondagmorgen, half 6. De grote kleinzoon zit voor zijn deur, z’n beentjes onder zich, beer onder de arm. Zijn Frozen-pet en zijn Frozen-zonnebril heeft hij op de bol.
‘Ik dacht dat jij sliep’ vertelt hij mij.
Dat was niet zo, zijn kleine broer sliep net, maar ik loog een beetje:
‘Ja lieverd, dat was ook zo. Het is nog te vroeg om al wakker te zijn.’
‘O ja?’ Verbazing.

Ik gooi de po leeg en maan hem om nog even te slapen. Even later hoor ik hoe hij beer voorleest uit ‘Boris op de berg’ en een liedje voor hem zingt. Ik doe de babyfoon uit en de deur open en val in slaap.

Een half uurtje later is de kleine kleinzoon definitief wakker.

We maken koffie en een flesje. En even later hoor ik boven ons wat gestommel.

‘Zullen we lekker ontbijten?’ vraagt grote kleinzoon.

Tegen een uur op 9 gaan we op pad. De een op z’n fiets, de ander in de buggy. Beer kreeg van mij een Frozen-mandje voor voorop de fiets en heeft dus een prachtig uitzicht op de enorme zooi op de Grote Markt. Ook hier hebben jongelui een feestje gevierd.

Er verandert niets in zo’n weekend. Er gebeurt veel.