De probleemstructuur

Herman Tjeenk Willink wil een dun coalitieakkoord. De Volkskrant berichtte er gisteren over:

De partijen die samen willen regeren zullen het eens moeten worden over de problemen, over de oorzaken, over een gemeenschappelijk einddoel en over de belemmeringen die dat doel in de weg staan.

Dit lijkt verrassend veel op een van de vaste structuren waarmee ik in 1976 leerde schrijven in de colleges Taalbeheersing.

In die colleges leerde ik werken op basis van een aantal vaste vragensets over het thema van een tekst. Een van die vragensets is de probleemstructuur. Daarin behandelt de schrijver 4 vragen over een problematische situatie.

  • wat is het probleem
  • waarom is het een probleem
  • wat zijn er de oorzaken van
  • wat is ertegen te doen

Mensen zijn geneigd de tweede vraag over te slaan. En dat is jammer want juist die vraag kan verhelderend werken. De vraag dwingt de schrijver namelijk om na te denken over de gevolgen van een problematische situatie. Tjeenk Willink slaat die tweede vraag duidelijk niet over.

Stel dat in het regeerakkoord ook een hoofdstuk wordt opgenomen over het wantrouwen van de burger jegens de rijksoverheid. De vraag waarom dat zo problematisch is, gaat over het fundament van onze samenleving. Als we de overheid niet vertrouwen, worden we als burgers minder gezagsgetrouw en nemen we ons eigen inzicht als richtsnoer. En dat kan leiden tot hoogst onwenselijke situaties. Die op hun beurt kunnen leiden tot nog meer controle en nog meer inzet van handhavingsmiddelen.

In dat licht is de vervolgvraag ‘wat zijn er de oorzaken van’ pijnlijk. Het antwoord kan namelijk niet anders dan luiden: een permanent blunderende permanent glunderende (het woord ‘plunderen’ rijmt ook) premier die overal mee weg komt.

De laatste vraag is dan niet moeilijk te beantwoorden. Maar of Tjeenk Willink daar op uit komt, ik betwijfel het.

Narcissen

Een kranig bosje narcissen, verdwaald in de berm van de snelweg. We razen erlangs met z’n allen. Ooit reed hier Karel langs. Hij had een pot narcissen gekocht voor zijn verloofde maar ze maakte een  eind aan de verloving en Karel smeet de narcissen uit het raam. Ooit stond even verderop een fijne woning met een mooie tuin. De kat stierf en werd begraven in de tuin. Toen het huis gesloopt werd vanwege de komst van de snelweg, groeven ze de kat op en herbegroeven hem wat verderop. Met aanhangend bolgewas. Ooit – de snelweg was er nog niet – fietste hier Marie die erg van bloemen hield. Ze kocht in de uitverkoop 500 bollen en verstrooide de bollen langs haar dagelijkse fietsroute. Ooit stond hier een huis waar mensen woonden, ooit.

Die narcissen getuigen van doorzettingsvermogen, van hoop tegen beter weten in, van het potentieel van het toeval, van levenslust, van teloorgang ook.

Bermmonumenten zonder bordje. Je rijdt er voorbij en hebt geen tijd voor een foto. Gelukkig komen sommige narcissen ook goed terecht in het wild.

Zwaaien

Zo dadelijk naar de dokter voor de controle. Ik ben er bijna, al zeg ik dat zelf. De linkerhand kan de rechteroksel al enigszins wassen en daar is iedereen blij mee. De linkerarm kan al zo’n 130 graden omhoog (ter vergelijking: de rechterarm kan 180 graden omhoog en als ik m’n best doe nog wel wat verder). En zijwaartse bewegingen gaan goed.

Ik doe daar ook wel m’n best voor. De eerste tijd moest ik de oefeningen liggend doen. Dat maakte het niet makkelijk want probeer maar eens van de grond overeind te komen zonder je linkerarm te gebruiken. Voor die oefeningen moest ik dus m’n bed opzoeken. En dat is niet mijn favoriete habitat: ik kon alleen maar op mijn rug liggen. Nu mag ik mijn  oefeningen op de bank doen of staand. Handen in de lucht en zwaaien maar.

Die zwaaibeweging wordt nog wel eens verkeerd uitgelegd door argeloze voorbijgangers. Ze zwaaien terug.

Verlegen

Ik ben er wat mee verlegen, met mijn nieuwe broodbakboek. Het kwam zo maar uit het niets aan de deur met de post, vorige week en ik dacht, het zou kunnen dat mijn verjaardag er iets mee te maken heeft en wachtte tot de gulle gever zich zou melden met hartelijke felicitaties of gewone felicitaties of misschien een enkele proficiat. Waarop ik een zeer welgemeend dankjewel (ik zeg ‘je’ tegen mensen die mij een broodbakboek sturen) zou kunnen laten blijken.

Maar niks.

Zo’n boek komt toch niet vanzelf bij de post? En ik kan moeilijk mensen in het wilde weg aanschieten met de vraag of dat boek soms van hun afkomstig is. Ik bedoel – de kans is erg groot dat dat niet het geval is waarop ik bang ben hen in verlegenheid te hebben gebracht. Zitten we allemaal in verlegenheid.

Desalniettemin – ik heb een nieuw broodbakboek en begon gisteren met een nieuw desempje. Zo’n desempje maak je met meel en water en tijd. Magie. Met een deel van dat toverspul bak je je brood en het resterende deel vul je aan met meel en water en tijd. Het is lang geleden dat ik met desem werkte. In Beijum om precies te zijn, toen we nog geen kinderen hadden en wel tijd. Een beetje zoals nu dus.

Hoe ouder je wordt, hoe meer tijd je hebt.

Desem in wording. Ik besloot deze foto niet voorop te plaatsen.

Solliciteren

Tegen 2 uur ’s middags daalde er een diepe rust neer over het Martinikerkhof. Er bleken wat vogels te fluiten. Scholieren joelden wat onderweg naar de supermarkt voor chips en brood. In de verte wat stadsgewoel. Vier beiaardiers speelden gisteren voor. Ze kregen alle vier een klein uur de tijd. Technisch repertoire, klassiek repertoire, populair repertoire.

Vier kandidaten voor twee banen als beiaardier.

Een goede procedure kost tijd. Van 9.00 uur ’s morgens tot 14.00 uur ’s middags zaten in weer en wind op het bankje in het plantsoen 2 buitenlandse beoordelaars. Op een stoeltje bij buurvrouw voor, een Nederlandse beoordelaar. Door de dag kwamen er meer mannen. Ze tikten mee, ze humden mee, ze schreven mee, ja, ze leefden mee.

Toen het klaar was verzamelden de mannen zich bij het bankje. Ze hadden genoeg gehoord. Ik zag wat opluchting in hun gedrag, misschien zelfs wat joligs. Het was een lange dag geweest.

Dat vonden wij ook wel. Ik draag ons carillon een warm hart toe maar na drie kwartier heb ik meestal wel genoeg klok gehoord, en na 4 uur is de stilte weldadig. Zo kan het dus ook.

Dan zet de graafmachine onder de Gardepoort zich weer aan het graven.

Alleen op Ameland

Een vriendin appt dat ze alleen op Ameland zit om een nota te schrijven. Ze klinkt niet blij, wel plichtsgetrouw. Ik ben stikjaloers.

Hoe komt het dat ik dolgraag alleen in een huisje op Ameland zou zitten? Natuurlijk: Ameland trekt altijd al ben ik er nog maar 2 keer geweest. Maar als ze in Zeeland was gaan schrijven of in de Ardennen of in Wanneperveen, ik zou net zo jaloers zijn geweest. Het is niet de locatie. Het is de seclusie. Vreemd, want in zekere zin leef ik al als een kluizenaar. En van de mensen met wie ik mijn kluis deel, houd ik heel veel.

Het is de verlatenheid die me trekt, en het vooruitzicht dat niets je dag en je gedachtegang kan verstoren. Winterbandenwissel? Kaas kopen? Lunch? Fysiotherapie? Een postbode? Dat is daar allemaal niet. Je kunt 7 x 24 uur volstrekt je eigen gang gaan. Een week? Nee, langer. Een maand. Hoewel. Eigenlijk zou ik drie maanden in seclusie moeten leven. De dingen die ik dan zou kunnen voortbrengen! Daar zou die ene beleidsnota bleekjes tegen afsteken.

En misschien kom ik met lege handen en een vol hoofd thuis. Of een leeg hoofd.

Ooit (15 jaar geleden?) trok ik er per fiets op uit. Ik zou 7 dagen door Nederland fietsen. Kamperen. Alleen. Op dag 3 was ik weer thuis. Ik vond het saai, niemand om tegen te zeggen hoe mooi het was, niemand om tegen te zeggen hoe fijn het was, niemand om stil mee te zijn, niemand die me waarschuwde om het glaasje jenever niet op de telefoon te zetten.

Mijn vroegtijdiger thuiskomst moet een verrassing geweest zijn voor mijn gezin. Maar diep in hun hart wisten ze het vast wel. Grote mond. Klein hart.