Wonderen

Deze eerste vakantieweek is een oefening in hernemen. Herinneringen waaien me in flarden aan. Hier waren we ooit. De eeuwenoude plataan die onze tent schaduw, beschutting en nadruppelende regen biedt, stond hier 18 jaar geleden ook. Toen nog een jong aangeplant boompje waarvan je niet wist of-ie het ging halen. Om ons heen jonge gezinnen. Heel veel jonge gezinnen met minimaal 3 kinderen. “3 is het nieuwe 2” vertrouwde een jonge vader me toe.

Ik zwom de Aveyronne op. Best ver. Niemand in de buurt. Ik was alleen in een rivier. In de boom links van me flitste iets blauws. Verhip. Een vogel met een lichtgevende stralend blauwe rug, Gemakshalve noem ik hem ijsvogel. Hij bleef stil zitten terwijl ik zachtjes in mijn oudemannenschoolslag naar hem toe zwom. Van onderen was hij minder spectaculair. Gelukkig vloog hij op. Hij scheerde over het water, happend naar insecten. Even later zat-ie aan de andere kant. Ik zwom verder.

En toen moest ik terug.

“Magisch hè?” zei de Belgische moeder van 4 kinderen toen ik weer bij ons strandje kwam. Ze was – verbeeld ik me – een beetje jaloers. “Magisch!” antwoordde ik.

Waarschijnlijk zwom ik ook toen de rivier op, 18 jaar geleden. Waarschijnlijk dacht ik ook toen dat het me altijd bij zou blijven. Bomen worden groot. Mensen gaan dood. En ondertussen moet je de rivier op zwemmen en kom je soms een ijsvogel tegen.

Scherf even terug op aarde

Het is laat op de avond.

Vanuit de beuken rond de kerk klinkt het regelmatige geluid van een aanlopend fietswiel. Een uil. In Leermens is het alweer herfst. Regenvlagen jagen langs het huis dat nog nagloeit van een korte zomer. Was het maar vast 2100.

Kijk. In de tuin vond ik ’s middags een scherf. Een blauw appeltje. Onderdeel van iets. Toen verloren of weggegooid. Niets. Nu gevonden. Nu weer terug op aarde. Terug in de voorkamer waar-ie ooit iets was.

De scherf passeert ons. Net als het huis, de uil, de wind, de beuken, de kerk. We staan stil en kijken het verbaasd na. Misschien nu hier even zwaaien naar alles wat voorbij gaat?

Maar het is al laat. We gaan slapen.

Lees ook Blauw, van Fetze Pijlman

 

Van de radar

‘Kijk eens hoe ver die oude opa gaat!’ riep een meisje verbaasd naar haar speelkameraadjes. Ze bedoelde mij. Ik zwom de rivier op, ver van het gewoel van 4 kindertjes. Au.

Helemaal ongelijk kan ik haar echter niet geven. Hier op de camping Fans zijn wij de oudste kampeerders. Dat lijkt een bovenmenselijke prestatie maar op een camping met zo’n 10 tenten is al gauw iemand die pineut. Er is hier helemaal niets te beleven. Voor vermaak wordt niet gezorgd. Kampeerders zijn hier helemaal op zichzelf aangewezen. Tot overmaat van ramp is de wifi beperkt tot de schuur die op zo’n 150 meter van onze tent staat, en doet mijn telefoon het er niet. Ik ben compleet van de radar.

U kunt zich wellicht de rust voorstellen die over ons komt. Een 50 meter naast ons, waar een buurtent had kunnen staan, hangen twee hangmatten. Een moeder en haar zoon kruipen erin. Ze leest hem voor. Ik hoor alleen dát er voorgelezen wordt. Niet wát. Ik ben nog wat aan het uitblazen van een stukje hardlopen naar Pont Mirabel. Daar kwam een man aanlopen met een handkar achter zich waarop twee grote emmers zand. Rivierzand. Ik had mijn bestemming bereikt en blies uit, me klaar makend voor de terugloop. Hij stopte. Er volgde een gesprek over dat zand. Ik ben niet nieuwsgierig maar weet gewoon graag alles. Wat doet een Franse meneer van een jaar of 70 met twee grote emmers nat rivierzand? Hij ging het aan de kippen voeren. Dat kan kloppen, weet ik. Wie de kippen niet laat scharrelen moet ze zand geven. Dat eten ze. We bespraken de terreur van de buizerds, vossen en marters, het rare eetpatroon van Hollanders (tussen de middag brood met kaas) en de mogelijkheden van rivierzand voor het maken van cement voor de woning.

Hij ging eten. Ik rende terug. Blies uit. Ging zwemmen. Blies uit. At wat. En dan gaat er een moeder voorlezen … Het liefst was ik bij hun in de hangmat gekropen, maar mijn vrouw raadde mij dat af.

Healthy ageing

Onlangs fietste ik door Westervelde, een Drents dorpje met zo’n echte enk, ietwat verscholen tussen hoge bomen. Het was prachtig Nederlands weer, wind tegen, grote glunderende witte wolken en een royale zon. Er stond een oudere meneer in zijn moestuin. Hij rustte even uit en liet zijn oog keurend gaan over zijn oudedagsvoorziening. Hij zag er niet ontevreden uit.

Ik heb een groot zwak voor moestuinen, ze staan voor spaarzaamheid en vlijt en geduld en zelfstandigheid en eigen boontjes en ook voor vertrouwen in de natuur en alles wat komt, inclusief onkruid, slak en rups.

Deze tuin lag er pront bij. Toen ik wat dichterbij kwam zag ik dat de meneer niet ‘ouder’ was maar ‘oud’ en dat hij niet stond maar zát, op zijn rollator. De schoffel leunde er tegenaan.

Dat een moestuin niet toereikend is als oudedagsvoorziening weet mevrouw Klijnsma best. Ze bedoelde gewoon dat we wat creatiever moeten zijn als het gaat over de vraag hoe we straks de eindjes aan elkaar kunnen knopen. Een moestuin helpt daarbij. Niet vanwege de extra inkomsten maar vanwege het gezonder ouder worden.

(Op de foto mijn groentetuin – een leven geleden)

Stil

Het is na bijna half twaalf ’s avonds. Het is nog een beetje licht. Achter ’t Zandt gloeit de lucht nog wat na. Het waait heel zachtjes. Je voelt het. Je hoort het in de beuken rond de kerk. In de essen achter het huis zitten tientallen roeken; ze zijn er maar je hoort ze nauwelijks. Eentje fladdert heel even op maar de rest blijft zitten. Aan de andere kant van de ijsbaan hoor ik een regelmatig schril, hoog gepiep. Mij is ooit verteld dat dat een uil is. Hij of zij houdt het na een minuut of wat voor gezien. In de haag scharrelt een beestje. De kikkers in de sloot zijn er al eerder mee gestopt. De klok van ’t Zandt slaat een keer, de klok van Eenum slaat een keer. De klok van Leermens slaat een keer. De galm blijft even om de toren hangen. En dan is het toch echt stil. Helemaal stil. Het is de totale afwezigheid van geluid. Alleen die wind. Dat ene zuchtje.

 

Knaasjes, knijten en knutten

De laatste weken word ik ’s morgens af en toe bont en blauw wakker.  Mijn oor bonkt. Mijn wang brandt en mijn voorhoofd is met bloed besmeurd. Dat zijn de nachten dat ik geterroriseerd word door knaasjes, knijten en of knutten. Muggen dus, in alle sekses, soorten en maten. Ondanks een actief hor-beleid weten sommige van deze monsters onze slaapkamer binnen te dringen.

Gezoem. In mijn half-droom-half-slaap-half-waakstand (ja, dat kan) hoor ik eerst hoe een jongeman op zijn brommer bij Godlinze richting ’t Zandt gaat. Een hoog, ver en de-nachtdoordringend gezoem dat naarmate de knul dichter bij de afslag naar Leermens komt, lager en doordringender wordt. Zo bij Schatsborg, 1000 meter bij ons vandaan,  neemt een Japanse kamikazepiloot het van hem over in mijn slaapkamer. Ik hoor hoe de arme Jap vastbesloten mijn richting op raast. Vlak voor de inslag neemt een knijt het stuur in handen. Dat is het moment dat ik de knut in kwestie langs voel scheren. Een oorverdovend gezoem en een licht briesje langs de wang of langs het oor. Daar gaat de knaas.

Pats. Dat is het moment dat ik mezelf een klap geef. De ervaring heeft me geleerd me dat een corrigerende tik niks doet. Dan is de vogel alweer gevlogen. Nee. Het enige wat soms werkt is een dreun. Hard, gericht, dodelijk. De Fred Teeven-approach. Soms loopt dat goed af. Soms word ik wakker met bloed aan mijn hand en bloed op het hoofd. Mijn bloed of knutbloed?

Alles komt terug

ComposthoopBij het uitstrooien van de compost kwam ik laatst het bruine keukenmesje tegen, je weet wel, dat mesje met het houten heft, dat mesje waarvan de punt was afgebroken bij het openmaken van een dichtgeweckte jampot. Ach ja, daar was-ie weer. Beetje verweerd, beetje verfomfaaid maar verder helemaal de oude. Zijn vervanger was inmiddels weer weg.

Hem kwam ik vanmiddag tegen. In diezelfde composthoop. Eigenlijk was die vervanger een fijner mesje dan zijn voorganger. Ben ik straks loyaal aan dat oude mesje of kies ik voor zijn veel jongere opvolger? Mezelf kennende zal ik er wat omheen draaien, de komende maanden, waarna het probleem zichzelf oplost.

Gisteren hadden we de overburen te eten. Gerard vroeg naar ons bordbeleid: er stonden namelijk drie witte borden en een zwart bord op tafel. Waarna bleek dat hij nog een wit bord van ons had dat ooit in het dorpshuis was blijven staan na een etentje aldaar waarna Irma het maar aan hun had gegeven. En jawel, zojuist bracht hij dat witte bord.

Alles komt terug. Zelfs de enorme esdoorn naast de composthoop, die boom die we 15 jaar geleden omhakten. Ik kon pas laatst de stobbe verwijderen. Nu zit daar een hardnekkig gat dat de herinnering aan die boom levend houdt.

Alles komt terug. Misschien is alleen de composthoop zelf de uitzondering die de regel bevestigt.