Over ‘en’ en afleren

Afleren. Mijn lessen over het schrijven van vlot Nederlands worden steeds meer afleerlessen. Een cursist zei me laatst: ‘Jij gaf ooit les aan mijn leidinggevende. Zij verbood me daarna om het werkwoord ‘moeten’ in mijn teksten te gebruiken. Dat heeft ze van jou geleerd!’ Ik schrok. Heb ik de spelregels ooit zo rigide geformuleerd? Ik kon het me niet voorstellen.

Maar wel trof het me dat mijn cursisten dergelijke rigide regels hanteren. Gemakzucht? Onzekerheid?

‘Een zin met ‘en’ beginnen? Nee, dat kan niet. Dat leerde ik op de middelbare school.’

En: ‘Een zin zonder werkwoord of onderwerp? Dat vind ik echt ongepast.’

En: ‘Een zin die uit één woord bestaat, nee, dat kun je echt niet maken in een zakelijke tekst.’

Echt niet?

Echt niet!

Docenten Nederlands, klopt het dat leerlingen nog steeds leren dat je een zin niet met ‘En’ mag beginnen? Of dat je geen zinnen mag maken die uit 1 (één) woord bestaan?

En nu ik toch leraren Nederlands aan de lijn heb: klopt mijn hypothese dat leerlingen op de middelbare school de lijdende vorm nog niet gebruiken maar dat ze dat pas leren als ze op de hogeschool of universiteit les krijgen?

Maar nu eerst vakantie. Daarna ga ik nadenken over aanleren.

Dansen in de schouwburg

Dansgezelschap Club Guy and Roni en de Slagwerkgroep Den Haag maken samen in Groningen al jaren prachtige voorstellingen. Wij zagen vrijdag de definitieve try out van Freedom. Wat mooi. Het fijne van dit soort all-in-theater is – vind ik – dat je het niet kunt snappen. Je beleeft het. Ondergaat het.

Dat gold ook voor deze voorstelling. Vraag me niet het uit te leggen. De voorstelling gaat volgens de toelichting over een man die 14 jaar vastzat in Guantanamo Bay en 14 jaar lang ondervraagd werd en gemarteld. Dit is dus geen lichte sprankelende opgewekte show. Maar wel aangrijpend en bij tijd en wijle oogverblindend. Letterlijk, maar ook figuurlijk. Schitterende beelden. Dreigende drums. Donderend geweld. En hoe ze de muziek en de muzikanten verwerkten in de voorstelling is briljant.

Wat de voorstellingen ook tot een feestje maakt is het publiek. Club Guy and Roni en de Slagwerkgroep Den Haag slagen er namelijk in een bijzonder jong publiek naar het pluche van de Groningse  schouwburg te halen. Bij de meeste voorstellingen kijk ik uit op uitsluitend grijze of geverfde grijze bollen. Maar niet bij deze voorstellingen. Integendeel.

Dat opgewonden gekwetter in de zaal voordat de voorstelling begint, dat gelach, gegiechel, geroep, geren, ze weten helemaal niet dat dat niet hoort! Dat we in de schouwburg beleefd nijgen naar elkaar en eventueel op fluistertoon een praatje maken over druk druk druk en wat fijn dat het weer kan. Ze denken dat schouwburgbezoek leuk is.

Nou ja, dat gaat er in de loop der jaren wel uit. Tot die tijd kunnen wij er een goed voorbeeld aan nemen.


Overigens gaf het DvhN 5 sterren aan de voorstelling. Als ik ze had, zou ik dat ook doen. Meer weten? Kijk op de site.

Het onvertogen woord

Ooit – we schrijven 1984 – gaf ik les, onder andere aan een 4-havo-klas. Het was m’n eerste jaar als docent. Ik was 26, zij waren 16. En nee, ik was nog niet zo “fit-to-the-job”. De rector die me aannam, wist dat. Hij vroeg me in het sollicitatiegesprek of ik tijdens mijn stages wel eens ordeproblemen had gehad. Ik bekende ruiterlijk van ja. 4 havo. Dat vond hij een pluspunt, alleen zo wist je waar je aan begon.

Het waren zware maanden, die eerste maanden met die ene klas. Ik was een enthousiaste docent. En zij waren niet bijster geïnteresseerd maar desgewenst best bereid om wat op te steken als dat aan de orde was maar wel op hun manier en in hun tempo en op hun moment. Soms hadden we een fijne les, soms een afschuwelijke. Maar altijd altijd zogen ze de energie en flair en zorgzaamheid uit me, altijd op zoek naar de grens.

Op zo’n moment zei ik uitgeput en uitgeblust tegen een leerlinge die een vraag stelde: ‘Ach trut, weet je …’ waarop ik een uitleg had willen plaatsen. Mijn ‘trut’ was niet het hunne. Mijn ‘trut’ was liefdevol en bekommerd bedoeld, verzuchtend en een beetje moe en, toegegeven, recht uit het hart. Hun ‘trut’ was een naar scheldwoord. Later kwam het toch nog goed met die klas. Maar dat was pas later.

Bieten

Wie goed kijkt ruikt de bieten. Of verbeeld ik me die geur? Staat de wind verkeerd, is die fabriek op Hoogkerk allang gesloten? Op de Grote Markt bouwt men zich een tent zo groot als de Grote Markt. Zelfs de fietsen moeten ervoor wijken. In die tent straks het oktoberfeest. Met Marc Bakker, Schlagerband Jawohl en Uli Jurgens. Ja, ze willen herfst.

Maar ik, ik kocht van Raymond Carver ‘Uit het oosten, licht’. Scènes. Drama’s. Kleine verhaaltjes over kleine mensen met grote gevoelens.

Het kortste gedicht is dit:

De jonge meiden

Vergeet alle ervaringen die je ineen doen krimpen,
En alles wat met kamermuziek te maken heeft.
Musea op regenachtige zondagmiddagen, enzovoort.
De oude meesters. Dat soort dingen.
Vergeet de jonge meiden. Probeer ze te vergeten.
De jonge meiden. En dat soort dingen.


Raymond Carver, Uit het oosten, licht 2021 isbn 978 94 93186 34 7. selectie en vertaling Astrid Staartjes. Uitgeverij Vleugels.

Een knuffeldynastie

Denk niet dat deze beer vergeten of verloren is. Hij poseert.

Op de vakantiefoto die de moeder van de kleinkinderen ons gisteren stuurde, zien we mijn oudste zoon met zijn oudste zoon. Ze fotograferen beer. Het is een plaatje.

Beer is deel van de familie, hij praat, denkt, eet, plast, poept, snurkt, leeft. Beer is van goede komaf. Hier op zolder ligt de Beer van de vader van de kinderen. Bij hem is er misschien wel sprake van een voltooid leven – je moet hem voorzichtig oppakken omdat veel vel weg is en de vulling verdwijnt. Ook deze Beer was niet meer weg te denken uit ons leven. En ja, ook ik had een knuffel die alles voor me betekende. Een zwarte poedel die na een paar jaar van intensief leven van mijn moeder een nieuwe vacht kreeg, gemaakt van de bruine voering van een bromfietshandschoen van mijn vader. Op een ochtend werd ik wakker en daar lag Blackie maar nu bruin en zonder krullen. Onmiskenbaar onherkenbaar dezelfde. Blackie is niet meer. Ik heb geen foto’s van hem. Ik denk dat mijn vader dat heel vreemd had gevonden: een foto van een knuffel maken. Ik denk dat mijn moeder het vanzelfsprekend had gevonden.

Wat is dat voor een gen dat maakt dat je als kind je ziel en zaligheid verknoopt met die van een beer?

Zzp’er in de put

Soms zit het mee, meestal zit het tegen. Kent u die uitdrukking? Ze beloofden me een grote klus en die komt er vast wel maar nu nog even niet. Ze vroegen me om met spoed iets te regelen en schreven niet eens bedankt. Ze gingen akkoord met een betalingstermijn van 3 weken maar betalen nog niet na 2 maanden voor werk dat ik in juni deed. En dan dan lengen ze de nachten ook nog eens en miezert het buiten en binnen en is het gas onbetaalbaar. Het goede nieuws: het behang hangt. Nog.

Awel. En dan moet je een les voorbereiden waarin je 21 doorgewinterde professionals vlot en wervend moet leren schrijven in anderhalf uur. De les welteverstaan.

Dan wreekt zich het zzp’erschap. Als kleine zelfstandige draai je in je eentje rondjes in de modder die je zelf creëerde. Anderhalf uur … vlot en wervend … 21 deelnemers … En begin ik te ploeteren. En wie rondjes ploetert in modder graaft zichzelf in. De horizon verdwijnt uit beeld, de bagger belemmert zelfs het laatste beetje uitzicht en het chagrijn groeit. En zit je eenmaal in zo’n onmetelijk zwart gat gevangen, dan klauter je daar ook niet zomaar uit.

Tot Marc belt en vraagt hoe het gaat. Ik leg hem het probleem voor. En hij draagt hupsakee en pasklaar loepzuiver de oplossing aan en gaat verder met prachtige websites bouwen.

Een beetje verwilderd veeg ik de modder van mijn glazen en kruip ik uit mijn zwarte gaatje. Ja, zo ga ik het doen. Een goede docent is lui. Ik wist het. Maar soms moet een ander het je even zeggen.