Tijd genoeg

Op een gegeven moment weet je dat je niet meer aan het begin van je leven staat, en ook niet meer halverwege maar dat de finish in zicht komt. Vergeef me de metafoor. Alles, of althans het meeste, doet het nog maar je bent genoodzaakt om je energie te doseren. Je bent met andere woorden op leeftijd.

Zou mijn tante Jannie zich herkennen in die eerste woorden? Ik denk het. En in die tweede formulering? Dat hoor ik vast nog wel. Ze kwam langs afgelopen vrijdag. Met haar hartsvriendin Lien. Ze logeerden gebeiden in het hotel naast ons en prikten bij ons een vorkje mee.

Wat voel ik me dan toch de koning te rijk, dat de broers en zussen van mijn vader en moeder bij ons op bezoek komen. Voor de goede orde, ze kwamen voor Groningen en Daan Roosegaarde, en dat ze allebei familie hebben in de stad, is een plus. Een mooie plus.

We hadden het over de daginvulling als je wat op leeftijd komt. En dat je de tijd neemt voor dingen. ’s Morgens naar het museum, ’s middags even niks. ’s Avonds lekker eten. ‘’Vreemd,’ bepeinsden ze, ‘hoe minder tijd je hebt, hoe meer je ervan neemt.’

Ik had na vrijdag nog het hele weekend voor de boeg. Ik wilde naar de toko want mijn vrouw kreeg een Indiaas kookboek, ik wilde kaas maken en chutney en Noorderzon vergde mijn tijd, ik moest nog sporten en zou zondag hardlopen en werken en Noorderzon. En ….

Tot ik de post bekeek. Of ik een abonnement op Plus Magazine wil. Met kans op mooie geldprijzen of een iPad. Ik bedank. Vooralsnog. Ik heb daar allemaal geen tijd voor.

Lopen

Terwijl wij in de brandende zon onze monstertocht volbrachten – we hadden eigenlijk wel voor een goed doel kunnen lopen – zette onze Lasse de eerste stapjes op weg naar de zijne. Van de oven naar de bank. U weet ervan.

Na mijn kleine bericht over die tocht, stuurde hij een homevideo waarop hij in de nieuwe tuin vanuit het fietsenhok naar zijn vader en moeder toe loopt, toch al gauw zo’n 8 meter. Als u een keer heel somber bent mag u mij een mailtje sturen, dan stuur ik u die film. Hij zit in dat fietsenhok dat wordt afgeschermd door een rek. Dan besluit hij dat hij naar vader en moeder moet. Hij grijpt het rek en richt zich op. Kijkt nog eens goed naar waar hij naar toe wil. Richt het vizier en gáát. Hobbel de hobbel, als een veel te dikke Japanse sumoworstelaar, zet hij de eerste stappen oostwaarts. Je houdt als toeschouwer je hart vast. Rechterbeen … linkerbeen … en rechterbeen. Het is een wánkel evenwicht maar het is evenwicht. Heel even zakt-ie door de knieën. Maar even later is hij bij zijn moeder waarna de stap naar zijn vader niet groot is. Hij wrijft stevig over zijn vaders been. ‘Aai papa aai.’

Tijdens de vakantie zaten we ieder voor onszelf af en toe op de telefoon te gluren. Je kon er donder op zeggen dat na een minuut of zo je hoorde ‘Aai papa aai.’

Twee weken later wandelt hij met me mee naar de Walburgstraat. Ik maak me zorgen. Voor je het weet, haalt hij voor mij een boodschapje. Op de fiets.

Gieter

Of ik de bloembakken water wil geven.

De schuine overburen zijn op vakantie. Zij vervullen een beetje de rol van buurtconciërge. Ze nemen de post aan. Helpen mensen die hun sleutel zijn vergeten. Houden het hofje in de gaten. Maken praatjes. Schenken op z’n tijd een glaasje. Buurtconciërge? Misschien wel jeugdherbergouders.

Maar ze doen méér. Ook de plantenbakken bij de huizen zijn hun verdienste. Ik mag best wat specifieker zijn: zijn buurvrouws verdienste.

Die plantenbakken … 30 jaar geleden zou ik niet geschroomd hebben om een woord als ‘tuttig’ te gebruiken. Misschien – ik ken mezelf van vroeger een beetje – had ik er nog wel een ‘r’ tussen gesmokkeld.

En nu? Een beetje ouder en een beetje minder kritisch ben ik inmiddels. Die bakken maken een straat tot een knus hofje. Ze geven kleur aan een toch al prachtig stukje Stad. En allemaal particulier initiatief meneer mevrouw!

Ik heb geluk: mijn taak als gieter is overzichtelijk.

Aangenaam

Het is weer KEI-week. De nieuwe eerstejaars maken kennis met Groningen.

Een kennismaking is in principe wederzijds. We ontmoeten elkaar en we zeggen ‘Aangenaam, hoe maakt u het?’ We laten de nieuwe mensen zien hoe we het hier gewoon zijn te doen. Zij zeggen dan iets als ‘Wadaptja’ en leren ons iets over hun gewoontes. Zo creëren we over en weer begrip voor elkander en wederzijds begrip is de weg tot een harmonieuze samenleving waarin we niet langs maar met elkaar leven, op weg naar een heerlijke toekomst en succes.

Is 4 dagen drinken en feesten de beste manier om met elkaar kennis te maken? Misschien wel, maar dan moeten we dat wel sámen doen. En moet de muziek op de Grote Markt wat zachter. Zeker na 23.00 uur ’s avonds. Dan slapen Groningers. Heel apatja.

Een groene kikker

Of we een glaasje kwamen drinken appten vrienden zondagmiddag. We appten van ja en gingen. Het was nog vakantie en ik was in korte broek. De gladheid van mijn benen werd geroemd. Ik werd wat ongemakkelijk. Het gaat niet zo vaak over mijn benen. Waarna ook de schoonheid van mijn benen geroemd werd. Ik werd nog wat ongemakkelijker. Waarop de vraag gesteld werd: heb jij al je talenten volledig uitgebuit?

Mijn ongemak nam toe. Ik hield me op de vlakte. Alleen het meervoud al! Maar daar kwam ik niet mee weg. ‘Ja,’ antwoordde ik, ‘ik heb mijn talentje uitgebuit. Ik kan vlot schrijven. En ik verdien er mijn brood mee.’ Maar het pure feit dat mij die vraag gesteld werd, zette me ’s nachts aan het denken. Misschien had ik nog wel meer talenten en zijn ze me allemaal gaandeweg ontglipt? En als dat het geval is, heb ik mijn leven dan vergooid? Vragen voor een koude en natte, mistroostige novemberavond met niets op tv,  de vrouw ergens ver weg en de fles jenever onder handbereik. Je hebt mooie benen en kunt schrijven. En nu? Columnist in de Volkskrant?

Awel. Kleinzoonlief kwam gisteren nog even langs en diepte uit de boekenkast onmiddellijk het boek op dat ik had moeten opdiepen uit mijn geheugen: ‘Kikker is kikker’. Of opa dat maar wilde voorlezen.

Het is geschreven en getekend door Max Velthuijs en gaat over deze vragen. Het is geen kinderboek. Het is een boek voor mannen van 60 die er in feite niet meer toe doen. Het verhaal is eenvoudig. Kikker is best tevreden met zichzelf tot hij ontdekt dat eend kan vliegen en varkentje kan bakken en haas kan lezen. Hij probeert te vliegen, te bakken en te lezen maar ontdekt dat hij dat allemaal niet kan. Diep ongelukkig brengt hij het boek terug naar Haas. Die stelt hem gerust. ‘Jij bent een kikker …’ 

Diep in gedachten liep Kikker naar de waterkant en keek in het water. Dat ben ik, dacht hij. Een groene kikker met een gestreepte zwembroek. Ineens voelde hij zich heel gelukkig en blij. Haas heeft gelijk, dat hij. Ik bof dat ik een kikker ben! Ik wil nooit iets anders zijn. En van plezier maakte hij een enorme sprong, zoals alleen een kikker dat kan. Het was net alsof hij vloog.


 

Max Velthuijs, Kikker is kikker.  Uitgeverij Leopold, ISBN 978-90-258-6841-3

Wandelen bij Niehove

Het was onstuimig weer en we wandelden van Niehove naar Niehove via een omweg van zo’n 11 kilometer. Een peulenschil ware het niet dat het hard waaide …

hoe kan ik een organisch verband leggen tussen deze wandeling en de 3 dagen met Lasse waar ik natuurlijk eigenlijk over wil schrijven? De onstuimigheid redt me daarbij niet. Die drie dagen waren niet onstuimig, ze waren relatief sereen en licht en vreugdevol. Op die paar woede-uitbarstingen na die veroorzaakt worden door een kleine storing in ons begripsvermogen. Hij zei toch duidelijk iets wat we niet begrepen en we begrepen het niet. Dat het – op zich best royale huis – dan toch te klein is, begrijp ik dan weer wél. Gelukkig is hij vrij kort van memorie en is hij van het ene moment op het andere weer helemaal een blije tevreden knaap.

Bijzonder vind ik hoe hij aan onze vraagstelling hoort, welk antwoord wij van hem verwachten. De vraag: ‘Zal ik dit overhemd dan maar kopen?’ beantwoordt hij met een volmondig ‘Ja’. De vraag: ‘We willen niet nat worden, toch?’ beantwoordt hij met een volmondig ‘Nee’. Vragen die beginnen met ‘Wil je’ beantwoordt hij trouwens wel altijd met ‘Ja’.

Hij is nu weer bij zijn ouders. Die wilden hem ook.

Ach ja, Niehove. Wat hebben we een prachtig land. En wat is het heerlijk om tegen elkaar te kunnen zeggen: ‘Zullen we een eind gaan wandelen?’ En dat er dan niemand is die zijn middagdutje moet doen. Hoewel: opa was wel nog een beetje moe.

 

O O

Dit is natuurlijk vooral een logboek. En u leest mee.

Als een beschonken cowboy, handjes buitenwaarts gekromd, beentjes in een royale O, waggelt Lasse door ons huis. Zelden met lege handen! Hij brengt de kopjes die op de lage tafel staan naar het aanrecht en op de weg terug neemt hij vaak een boekje mee. Toen ik gisteren aan het koken was, zag ik hem naar zijn stoeltje lopen met het boekje over Bert en Ernie. Hij legde het op tafel, zette zich in zijn stoeltje en ging lezen. Even later hoorde ik een hoog ‘O O’. Hij had zijn beker water omgestoten. Ik liet hem maar begaan.

Niet alleen de lange wandelingen zijn nieuw. Ook zijn praten is nieuw. Zijn woordenschat tot nu toe: oké, o,o, mooi, Gijsje, Eekje, oma, opa, mama, papa, bopa, klokken (met het handje aan het oor – als het carillon zijn deuntjes doet), nopje, lekker, drinken, (ba)naan, Susie, boe. En natuurlijk ‘ja’ en ‘nee’. De volgorde is willekeurig. En ik mis vast wat.

We “hebben” hem nu drie dagen wegens verhuizing van zijn ouderlijk huis. Vandaag doen we de 4 mijl. Morgen lezen we Moby Dick. En brengen hem naar zijn nieuwe huis. Hoewel  – we overwegen om hem te houden. Maar waarschijnlijk voelen we ons morgenmiddag net als die meneer die ik gisteren zag.