Leve de koning

Koekhappen, Dik Trom, zaklopen, In de soete suyckerbol, het koningshuis. Zomaar wat oud-Hollandsche tradities..

Ik geloof niet in Sinterklaas of de kerstman, ik geloof niet in een koning. Het is werkelijk een van de malste gebruiken die we in dit land kennen. Het idee dat er een familie is waar men vindt dat zij boven hun landgenoten gesteld zijn. Het idee dat er landgenoten zijn die menen dat zij moeten bijdragen aan het levensonderhoud van die familie. Het gaat me niet om het geld, een koningshuis is duur, maar presidenten zijn dat ook en een kop op je land is handig. Het gaat me om de collectieve verering van een vrouw en later haar zoon en weer later diens dochter, en hun kinderen en broers en zussen. Niet omdat ze het verdienen maar omdat ze afstammen van ene Willem van Oranje. Goed beschouwd is het wel razendknap gedaan.

Ik geloof dan weer wel in een feestdag en tompoucen. Hoewel ik ook niet weet hoe ze bij de Hema en AH erin geslaagd zijn die tot een traditie te marketen. Razendknap gedaan.

Dwaalgast

De rusteloze benen heb ik van mijn moeder. De nachtelijke trek dank ik aan mijn vader. De hooikoorts heb ik gelukkig helemaal van mezelf. Combineer deze kwaliteiten en zie mij ’s nachts in de huiskamer zitten. Buiten is het stil. Het huis is donker. De kamer koud. Ik eet een krekker. Ik kijk een aflevering van Midsomer Murders  of maak een puzzel en luister Rustradio.

Dit klinkt sneuer dan het is. Toegegeven, toen de jongens nog thuis woonden en ik nog wat stiller moest zijn, voelde ik me af en toe net een dwaalgast in m’n eigen huis, aangewaaid met een straffe oostenwind, ontheemd, vergeefs zoekend naar voedsel en verwante soortgenoten.

Tegenwoordig beschouw ik het vooral als quality time. Hoe complex de plot ook is en wie al die mensen ook zijn, ik bekijk het in alle rust en stilte. En ik hoef niets te onthouden want volgende week moet ik het ook nog kunnen zien.En de week daarop opnieuw. En meestal slaap je de nacht erop zo heerlijk.

Ruimte

220000 nieuwe woningen in Noord-Nederland. 600 hectare extra Eemshaven. Om mij hoeft het niet. Tuurlijk, ik heb makkelijk praten.

Groningen. Tien minuten fietsen en je was buiten. Tien minuten fietsen en de ruimte legde zich om je heen als de armen van je moeder. Wind, stilte, regen voegden zich. Zon ook soms. Tien minuten. Ik vond dat een troostrijk idee. Tien minuten werden vijftien minuten. En als het aan onze gedeputeerden ligt worden die vijftien minuten over 10 jaar twintig minuten.

Oudeschip. Vanaf de Eemshaven vreet onze economie langzaam en heel zeker steeds meer ruimte  voor nog meer opslag van nog meer kilobytes en de aanmaak van nog meer kilocalorieën voor nog meer kilometers elektrische auto’s en vliegtuigen. En als het aan onze gedeputeerden ligt, komt daar nog heel veel meer industrie.

Ze zijn bij de provincie wel erg gul met onze ruimte.

Lasse en Olaf – dat weet ik zeker – hoeven het huis niet uit. Die blijven lekker bij papa en mama wonen. En al die Amsterdammers die voortaan vanuit hun Groningse woonboerderij zoomend en zonnend hun centen willen verdienen, kunnen die niet gewoon drie hoog achter op 50 vierkante meter à tienduizend euro  blijven hokken?

Lieve mensen, Groningen heeft u niet zo veel te bieden. Heus, Groningen is zo leuk niet. Altijd wind, altijd mist, altijd regen.

De probleemstructuur

Herman Tjeenk Willink wil een dun coalitieakkoord. De Volkskrant berichtte er gisteren over:

De partijen die samen willen regeren zullen het eens moeten worden over de problemen, over de oorzaken, over een gemeenschappelijk einddoel en over de belemmeringen die dat doel in de weg staan.

Dit lijkt verrassend veel op een van de vaste structuren waarmee ik in 1976 leerde schrijven in de colleges Taalbeheersing.

In die colleges leerde ik werken op basis van een aantal vaste vragensets over het thema van een tekst. Een van die vragensets is de probleemstructuur. Daarin behandelt de schrijver 4 vragen over een problematische situatie.

  • wat is het probleem
  • waarom is het een probleem
  • wat zijn er de oorzaken van
  • wat is ertegen te doen

Mensen zijn geneigd de tweede vraag over te slaan. En dat is jammer want juist die vraag kan verhelderend werken. De vraag dwingt de schrijver namelijk om na te denken over de gevolgen van een problematische situatie. Tjeenk Willink slaat die tweede vraag duidelijk niet over.

Stel dat in het regeerakkoord ook een hoofdstuk wordt opgenomen over het wantrouwen van de burger jegens de rijksoverheid. De vraag waarom dat zo problematisch is, gaat over het fundament van onze samenleving. Als we de overheid niet vertrouwen, worden we als burgers minder gezagsgetrouw en nemen we ons eigen inzicht als richtsnoer. En dat kan leiden tot hoogst onwenselijke situaties. Die op hun beurt kunnen leiden tot nog meer controle en nog meer inzet van handhavingsmiddelen.

In dat licht is de vervolgvraag ‘wat zijn er de oorzaken van’ pijnlijk. Het antwoord kan namelijk niet anders dan luiden: een permanent blunderende permanent glunderende (het woord ‘plunderen’ rijmt ook) premier die overal mee weg komt.

De laatste vraag is dan niet moeilijk te beantwoorden. Maar of Tjeenk Willink daar op uit komt, ik betwijfel het.

Narcissen

Een kranig bosje narcissen, verdwaald in de berm van de snelweg. We razen erlangs met z’n allen. Ooit reed hier Karel langs. Hij had een pot narcissen gekocht voor zijn verloofde maar ze maakte een  eind aan de verloving en Karel smeet de narcissen uit het raam. Ooit stond even verderop een fijne woning met een mooie tuin. De kat stierf en werd begraven in de tuin. Toen het huis gesloopt werd vanwege de komst van de snelweg, groeven ze de kat op en herbegroeven hem wat verderop. Met aanhangend bolgewas. Ooit – de snelweg was er nog niet – fietste hier Marie die erg van bloemen hield. Ze kocht in de uitverkoop 500 bollen en verstrooide de bollen langs haar dagelijkse fietsroute. Ooit stond hier een huis waar mensen woonden, ooit.

Die narcissen getuigen van doorzettingsvermogen, van hoop tegen beter weten in, van het potentieel van het toeval, van levenslust, van teloorgang ook.

Bermmonumenten zonder bordje. Je rijdt er voorbij en hebt geen tijd voor een foto. Gelukkig komen sommige narcissen ook goed terecht in het wild.

Zwaaien

Zo dadelijk naar de dokter voor de controle. Ik ben er bijna, al zeg ik dat zelf. De linkerhand kan de rechteroksel al enigszins wassen en daar is iedereen blij mee. De linkerarm kan al zo’n 130 graden omhoog (ter vergelijking: de rechterarm kan 180 graden omhoog en als ik m’n best doe nog wel wat verder). En zijwaartse bewegingen gaan goed.

Ik doe daar ook wel m’n best voor. De eerste tijd moest ik de oefeningen liggend doen. Dat maakte het niet makkelijk want probeer maar eens van de grond overeind te komen zonder je linkerarm te gebruiken. Voor die oefeningen moest ik dus m’n bed opzoeken. En dat is niet mijn favoriete habitat: ik kon alleen maar op mijn rug liggen. Nu mag ik mijn  oefeningen op de bank doen of staand. Handen in de lucht en zwaaien maar.

Die zwaaibeweging wordt nog wel eens verkeerd uitgelegd door argeloze voorbijgangers. Ze zwaaien terug.