Wim is weg #2

De afbeelding gisteren kwam uit ‘Wim is weg’, een Gouden Boekje uit 1959. Het is getekend door Rogier Boon. Annie Schmidt heeft het naverteld. Dat betekent volgens mij dat zij de tekst schreef op basis van zijn tekeningen.

Wim krijgt voor zijn verjaardag een fiets en hij besluit om naar Spanje te gaan. Hij pakt uit de koelkast eten en vertrekt. Hij rijdt door de stad, over de autoweg, door het bos en doet na de picknick z’n oogjes dicht en slaapt in. Zijn vader en moeder zijn ongerust. Op de televisie wordt er een extra politiebericht uitgezonden. Met zaklantaarns gaan mensen zoeken. Let op, spoiler alert: ze vinden hem. Iedereen is blij.

Meinarda leende het, en Marcella en Chris en Martin en Astrid en Martie en Jan Willem en Dick Nijdam en Rik en Hetty en Yvonne en Annelou en Lianne en Eveline. Mijn moeder zette het boekje in de bibliotheek van de Weerenschool waar ze rond 1967 werkte. Heel lief natuurlijk maar Meinarda cs hebben het boek met z’n allen behoorlijk gemaltraiteerd. En dat is jammer want het is een van de mooiste boeken die ik ken. De wereld die Rogier Boon tekende was totaal nieuw voor mij. Een koelkast! Tien cadeaus die ook nog eens in de kamer staan als je wakker wordt Een huis met een tuin en een hek eromheen! Een snelweg met auto’s. Een picknick. Alleen. De politie. Maar dat vliegtuig met dat spandoek erachter, dat kende ik.

Dit stukje kan allerlei kanten op. Over onze keuken in Geuzenveld. Over jarig worden en jarig zijn. Over het woord ‘avontuur’, alleen het woord zelf klinkt avontuurlijk. Over mijn moeder die behept was met dat gen dat ik ken: ‘Wilt u het? Alstublieft!’ Over de Weerenschool. Over die kindertjes die dit boekje leenden en terugbrachten en die waarschijnlijk nu ook de 60 gepasseerd zijn.  Maar werk wenkt.

Ik ga het niet nog eens uitlenen. Bovendien: u kunt het gewoon kopen. Bij de boekwinkel.

Deze diashow vereist JavaScript.

Langs de rivier

De boekwinkel had het zo slinks neergelegd dat ik het wel moest zien: Langs de rivier, van Esther Kinsky. Ik kende haar niet noch haar werk. Het is een vreemd boek en het is vooral een prachtig boek. Vind ik. Ik kan me namelijk goed voorstellen dat je na 4 bladzijden afhaakt. In Langs de rivier beschrijft ze wandelingen langs een aantal rivieren. Dat zijn niet de mooie plaatjes à la Kopland of Nescio. Nee, het zijn rommelige, troosteloze en vaak extreem gore plekken waaraan ze flarden herinneringen of associaties koppelt. Op een verlaten landje achter een spoordijk vindt ze in een uitgedoofd een vuurtje de resten van een plastic pop. Een altaar. Een offer. Haar woorden.

Het was een doorsneepop, door een vermoeide moeder of oma onderweg van het werk naar huis van een plank in de goedkope winkel gepakt op een avond voor een kinderverjaardag, een van de vele poppen die kriskras door elkaar op de plank zaten, maar de kleine dame in haar glitterjurk, die de moeder of oma door haar lange wimpers heen een steelse knipoog gaf, als een verre echo uit hun kindertijd, die moest het worden. Dat ze zo zou eindigen had niemand verwacht, de caissière in de goedkope winkel niet, de moeder of oma niet, en ook niet het meisje dat de pop cadeau had gekregen en haar broertjes en vriendinnen. Ook al kent iedereen die roekeloze offeraltaartjes uit zijn kindertijd, mijlpalen waarna niets meer is zoals het was.

Er gebeurt hoegenaamd niets in het boek. Er is niet of nauwelijks een plot. Ze wandelt, ze praat wat, ze noteert, ze herinnert, ze komt thuis, ze kookt water voor de thee, ze gaat naar de groenteboer, ze maakt wat foto’s. En te midden van al die flarden en beelden en scènes de eindeloosheid van de rivieren. De Lea (een rivier die van de Theems noordwaarts door Londen stroomt), de Rijn, de Ganges, de Theems. Over de Rijn schrijft ze:

De rivier betekende beweging, verwarring en onvoorspelbaarheid in een wereld die naar orde streefde. Op zijn rug droeg hij een varend, onvoorstelbaar leven in de vorm van vrachtschepen die we nooit voor anker zagen gaan, pendelend tussen vanverweg en naarverweg.

En o ja en niet onbelangrijk: het is schitterend vertaald uit het Duits door Josephine Rijnaarts.


Esther Kinsky, Langs de rivier. Uitgeverij Pluim, ISBN 978 90 830 7359 0

Dood

Ik check dagelijks 5 keer de verschillende bankrekeningen en 125 keer mijn e-mail maar het nieuws volg ik niet op de voet. Dat doet mijn vrouw dan weer wel. Als ze tijdens mijn koken, haast tussen neus en lippen, wat achteloos zegt: ‘En Snijders is dood’ schrik ik en slik ik.

Nieuws wordt vaak gebracht met het woordje ‘En’ vooraan de zin. Alsof het bericht een logisch vervolg is op dat wat er direct aan voorafgaat. In dit geval betrof dat de vraag of we ei zouden koken bij de asperges of toch maar niet omdat we de dag ervoor ieder ook al twee eieren kregen bij de lunch. Toch maar niet besloten we en Snijders is dood.

Helemaal onverwacht kan zo’n bericht niet zijn. Ik zag hem 2 jaar geleden hier in de Harmonie. Broos. Kinderlijk blij met ‘mijn nieuwe vriendin’. Hij had iets van het patina van de ietwat ijdele oude man die al een glimp heeft opgevangen van wat er om de hoek is en zich verheugt op een lekker koekje bij de thee. Hij had iets aandoenlijks. Een afschuwelijke, neerbuigende kwalificatie, ik weet het. Ik zag het bij mijn vader. Ach ja. Het woord ‘aandoenlijk’ zegt waarschijnlijk meer over de gebruiker dan over degene over wie het gebruikt wordt.

Aangedaan.

En Snijders is dood.

Iedere zondag las hij een kort verhaal voor. Beluister de laatste keer.

De Aa

‘We stonden erbij en keken ernaar. De Drentse Aa. Rivier is een te groot woord voor een ongedurig watertje dat moeite lijkt te hebben om te beslissen welke kant op te gaan. Alles kan. Maar uiteindelijk beland je toch in zee.’

Tot zover was ik. En toen wilde ik checken hoe je dat nou precies schrijft: ‘Drentse’ of toch ‘Drentsche’. En dan kom je bij Wikipedia en Rutger Kopland, allicht. Is het de rivier die de waarnemer dwingt tot de vergelijking met iemand die niet wat-ie wil? Ben ik het? Is het mijn geheugen?

Misschien is het wel dit: wat je leest, maak je je soms eigen. Of je het nu onthoudt of niet. Wat je leest, nestelt zich in je woordenschat en in je waarneming. Wat je leest, word je zelf.

Morgens aan de rivier, morgens waarin
hij nog lijkt te overwegen
waarheen hij die dag
weer zal gaan,

of hij diezelfde hevige bewegingen
zal maken als altijd,
of niet meer.

of zijn deze eindeloze aarzelingen
de lege gebaren van iemand
die al niet meer bestaat,

en zich heeft neergelegd

bij wat hij is, tussen zijn oevers,
in het zinloze spoor
dat hij groef.

Uit: Drentse A, Rutger Kopland, Verzameld werk, p. 241.

Alwetend

Eigenlijk zit ik altijd wel in een of twee series en een boek. Bij de keuze wat te doen met de avond wint het lui vermaak het vaak van het boek; aan het eind van zo’n avond tref ik mezelf vaak ietwat wezenloos bij de televisie en tel ik de mensen die die avond voor mijn ogen het leven lieten dan wel hun relatie in de knop gebroken zagen, duurzaam ontwricht of voor altijd bestendigd, en wens mezelf welterusten. Het is een raadsel hoe een mens na zo’n avond überhaupt nog een oog dicht durft te doen.

En zo gebeurde het dat ik aan het begin van de kerstvakantie dacht: ‘Ik kies een lekker boek.’ Het Bureau. Zeven kloeke delen kantoorgedoe. Maar opnieuw, voor de derde keer? Ik besloot toch anders.

Ik pakte David Mitchell’s “Utopia Avenue” en zeilde weg. Wat een heerlijk boek! Tot het halverwege een doodeenvoudig kinderboek blijkt waarin na een enkel dipje de helden alsnog … nou ja, veel mensen vinden het wel degelijk prachtig en voor wie het nog gaat lezen wil ik de pret niet bederven. Ik las het uit want het was duur.

En zo gebeurde het dat ik weer niet voor Het Bureau koos maar voor een moeilijke maar prachtige roman over een vrouw die het leven niet aan kan: “Van de koele meren des doods” van Frederik van Eeden. Tja en wat zal ik zeggen. Ik las het gisteren uit en sloeg er vandaag nog de Moderne Encyclopedie van de Wereldliteratuur op na. Een ‘voortreffelijke psychologische roman’ heet het boek daar te zijn. Ik weet het beter. Het is een flutboek van een betweterige bedillerige oude zeurpiet; het boek komt pas de laatste 100 pagina’s echt op gang als ze aan de morfine raakt. Maar daarvoor legt de auteur voortdurend uit wat er mis met die arme Hedwig en waarom de dingen gaan zoals ze in zijn verhaal gaan. Geen misstap wordt niet uitgelegd.

En zo gebeurde het dat ik gisteren dan toch weer begon aan het Bureau. Eerst maar eens deel 1. Hoe Maarten zwicht voor de terreur van de arbeid. Hoe zijn vrouw hem dat verwijt. Hoe kabouters de wereld in kwamen. Hoe de nageboorte van het paard wordt opgehangen. Ja, ik heb er zin in. Alles wordt beschreven. Niets wordt uitgelegd. Eigenlijk net het echte leven.

Foto: Stadsarchief Amsterdam

De uitvreter

Voor mijn workshop Scherper schrijven moest ik een recensie inleveren. 250 woorden. Ik koos voor De Uitvreter. Ik voegde ter illustratie een citaat toe. Dat zorgde voor strafpunten. In de les moest ik maar liefst 150 woorden inleveren. Daar werd het allemaal niet beter van. Gelukkig mag ik hier net zo lang en net zo bot schrijven als ik wil.

In het gesprek kwamen we op het woord ‘versterven’. Dat heeft inmiddels een andere betekenis gekregen. Bij Japi betekende het “je niet laten kisten door honger en kou.” Bovendien bleken veel deelnemers het boek niet te kennen. Inclusief de docent. Misschien u ook wel niet. In dat geval. Stop met lezen en ga naar de boekwinkel. Mooier boek verscheen er niet in het Nederlands.


Het is al even geleden dat De uitvreter verscheen. In 1911 om precies te zijn. Is het, 109 jaar nadat het voor het eerst verscheen, nog steeds leesbaar? Jazeker. Is het na al die tijd nog steeds lezenswaardig? Jazeker!

De uitvreter vertelt ons in 35 pagina’s het verhaal van Japi. Hij leeft op kosten van anderen. Voor werken deugt hij niet. Hij doet niets anders dan kijken, wandelen, eten, drinken en slapen. Zijn vrienden zijn gefascineerd door zijn fabelachtig vermogen om te genieten. En te versterven: ‘Zoo’n waterplas heeft het maar goed, die golft maar en weerspiegelt de wolken, is aldoor anders en blijft toch gelijk. Heeft nergens last van.’

Nescio schetst in enkele scènes hoe Japi ten onder gaat. Want ook Japi moet eraan geloven. Hij wordt verliefd, hij krijgt een baan, hij krijgt het druk.

Wat maakt dat we dit verhaal nu nog moeten lezen? Dat is in de eerste plaats de charme van Japi. Hoe hij zijn broodheren de boterhamworst aftroggelt. Hoe hij de schilderijen van vriend Bavink verkoopt. Hoe hij telkens weer met ‘Nieuwzen van den Dag’ aan komt om de vacatures vervolgens toch weer weg te gooien. Dat is in de tweede plaats zijn zo herkenbare worsteling met het leven: waarom, waartoe? En dat is toch vooral het wonderbaarlijk mooie sobere en toch kleurrijke taalgebruik waarmee hij de grote thema’s van het leven aankaart.

Dood zijn de tobbers gegaan bij honderde en honderde millioenen. Wie kent ze nog? En hoeveel zullen er sterven na dezen? Ze tobben maar, tot God ze wegraapt. En je zou denken: God zou ze een lol doen als i ze plotseling te grazen nam. Maar God weet beter dan jij of ik. Tobben willen ze, blijven voorttobben. En onderwijl gaat de zon op en onder, de rivier daar stroomt naar ’t Westen en blijft stroomen tot dat daar ook een eind aan komt.

Nescio, De uitvreter. In: Nescio, De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje. Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar,  Druk onbekend, 2018. ISBN: 9789038805108

Online lezen kan ook: via de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren

%d bloggers liken dit: