Leven met een raadsel

Ik herlas XY van Sandro Veronesi. De eerste keer dat ik het las, las ik een boek over een nare slachtpartij ergens in de Italiaanse Alpen. Wie deed het? Waarom? Een krimi. De tweede keer las ik een boek over het leven. Een roman.

Bij een piepklein gehucht ergens hoog in de Italiaanse Alpen vindt een bloederig drama plaats. Sommige slachtoffers zijn al jaren dood, een van de slachtoffers is overleden als gevolg van een beet van een reeds lang uitgestorven haai. Niemand kan het navertellen, niemand kan het verklaren. Het boek vertelt het verhaal vanuit twee personages: een pastoor en een jonge psychiater. Ze worstelen allebei met de gebeurtenis, ieder vanwege zijn of haar eigen geschiedenis.

Ik moest denken aan een boek van Gerard Reve, ik meen Moeder en zoon. Daarin gaat hij uitgebreid in op de waarde van symbolen. Hij betoogt dat een symbool geen metafoor is. Een symbool “staat” nergens voor; een symbool geeft uitdrukking aan iets waarop we zonder dat symbool geen greep zouden kunnen hebben. Om een symbool te begrijpen moet je het niet willen begrijpen. Het woord ‘begrijpen’ is een krampachtig woord.  Je moet gelóven.

Daarover gaat XY. Over gebeurtenissen zonder verklaring. Over gebeurtenissen zonder betekenis. Over leven met raadsels. Over leven. Ik vond het de tweede keer mooier dan de eerste keer.

Een res nullius

Mijn zoon – ik zeg niet welke – zag een oude fiets zonder slot in de bosjes bij zijn werk staan. Hij had juist nood aan een fiets maar genoot een goede opvoeding. Hij keek ernaar en bleef eraf. Toen na een paar weken diezelfde fiets daar nog steeds in diezelfde bosjes stond, nam hij hem onder zijn hoede. Van Annet Huizing leerde ik onlangs dat het mocht. Die fiets was een res nullius. Die fiets was een ding van niemand.

Mijn zoon – ik zeg niet welke – vond ooit op de Westerhaven (een groot parkeerterrein in Groningen) een briefje van 25. Guldens, wel te verstaan. Hij had altijd belang bij geld maar ja, 25 gulden kon je niet zo maar meenemen. Stelt u zich het gemoed voor van zo’n knaapje. Dat geld brandt in je hand. We zagen eerlijk waar helemaal niemand in de directe omgeving die dat briefje verloren had kunnen hebben. Iederéén had het verloren kunnen hebben. Maar schiet je mensen aan met de vraag: ‘Meneer, bent u misschien 25 gulden verloren?’

Ik besloot als opvoeder dat het ook een levensles zou kunnen zijn. Bijvoorbeeld: als je geluk hebt, bof je. Geniet er dan maar van.

En zo geschiedde. Hij kocht er iets van. Een actionman?

De volgende ochtend vond in de klas het dagelijkse kringgesprek plaats. 10 kindertjes in een kring in de dorpsschool. Nog helemaal vol van zoveel mazzel, vertelde hij vertelde over zijn wonderbaarlijke vondst. De juf was geschokt. Met zo’n vondst had hij naar het politiebureau moeten gaan. De lol was er behoorlijk af.

Nu denk ik: dat was natuurlijk een gevalletje van res nullius. Had ik ‘m dat maar kunnen zeggen. Maar helaas. Toen lag de Zweetvoetenman nog niet in de winkel. Nu wel. En dat is een bof voor iedereen die meer wil weten over het recht of die dol is op mooie verhalen. Voor iedereen dus.

Annet Huizing en Margot Westermann (illustraties), De zweetvoetenman. Lemniscaat, 2017, ISBN 9789047708261

Meer weten over het boek? Annet vertelde erover op Radio 1

Het raadsel van de aankomst

kerkhof Chatagnols.jpg
De buurman aan het werk op het kerkhof: ‘Mon clientele n’est pas pressé’

In The enigma of arrival (Het raadsel van de aankomst) schrijft V.S. Naipaul over zijn leven in een boerengehucht in de buurt van Stonehenge. In lange, zich steeds herhalende beschrijvingen legt hij, steeds wat preciezer, steeds wat gedetailleerder, de veranderingen vast die hij er als voorbijganger waarneemt. Ik lees het boek zeker voor de vijfde keer. Nu pas valt me deze passage op:

It could’nt last, clearly. But while it lasted, it was perfection.

Als schooljongen was ik gefascineerd door wiskundige formules die de snelheid van een verandering weergeven. Met name een economieles staat me bij en de sensatie dat ik dat begreep: dat groei kon afnemen of juist kon toenemen en dat je die verandering in een formule kon vangen. Inmiddels begrijp ik dat je dat niet kúnt begrijpen.

Ik lees het boek hier, diep in de tuin van La Source de Castagnols, met uitzicht over het dal, ooit gevormd in één gigantische beweging van ijs en puin, of, wie zal het zeggen, uitgesleten door water, geduldig sijpelend of razend stromend korrel voor korrel, kiezel voor kiezel. Om me heen bijen, vlinders, vliegende beest, lichtjes zoemend, wat vogels ook. Wind.

Het huis staat in Castagnols, een minuscuul Frans boerengehucht ergens in de ruigte van de Cevennes. Het plaatsje is honderden jaren oud en bestaat uit een tiental halve ruïnes en woonhuizen die deels ruïne zijn, deels gerestaureerd. Het was ooit, vertelt de buurman me, een bloeiend plaatsje met een vrij grote kerk. Daarvan rest hier alleen een klein stukje kerkhof dat nog wel in gebruik is.

Van het woonhuis is een groot deel gerestaureerd maar lang niet alles. Zo is een deel van het grote huis ingestort en in de loop der tijd opgevuld met het debris van jaren en overwoekerd met braam en klimop. De komende winter gaat men dat uitgraven en gedeeltelijk restaureren tot een werkplaats.

Dat gebeurt komende winter. Nu lijkt het huis tot stilstand gekomen. Het enige wat hier nu beweegt is de parasol die lichtjes in de wind schommelt. En af en toe een vlinder die voorlangs de leistenen muren fladdert, op zoek naar wat nectar in de bloemen in de muur.

Voor wie inzoomt is het verval tot stilstand gebracht. Wie inzoomt ziet perfectie. Wie uitzoomt ziet de tijdelijkheid ervan. Wat ik bedoel is: we zijn toeristen. We komen en gaan. Morgen bijvoorbeeld gaan we naar Figeac van waaruit we een weekje weer een stukje van het Jacobspad gaan lopen, van plek naar plek. Fladderend als vlinders bij 30 graden.

Ochtend en avond

Jof Fosse ochtend en avond2

Soms zie je een boek en denk je ‘ja’. Dat overkwam me bij ‘Ochtend en avond’ van Jon Fosse. Ik kocht het vanwege de omslag.  Ik versleutelde de afbeelding enigszins moet u weten, boven de berg staat nog een grote volle bleke maan of een bleke opkomende zon. Dag en nacht lopen in elkaar over.

Het is een sprookje. Er was eens een oude visser die stierf. Hij heette Johannes, naar zijn opa. Fosse vertelt hoe het Johannes verging: bij zijn geboorte, bij zijn leven, bij zijn sterven. ‘En wat verder volgt’, zou de dominee gezegd hebben.

Als jongetje stelde ik mij de hemel voor als een enorm park met grote bomen en veel gras waar de zon altijd scheen en iedereen picknickte. Het was mijn – niet eens onintelligente – oplossing voor de levensgrote vraag: als ik bij mijn vader en moeder wil zijn in de hemel, willen mijn vader en moeder dat waarschijnlijk ook, maar waar blijf  ik dan? Ja, zo’n enorme collectieve picknick leek me wel wat. Dan kon je overal zijn bij iedereen.

De visser gaat dood. Hij wordt opgehaald door zijn goede vriend Peter. In een bootje gaan ze de zee op. Woorden verdwijnen. Zijn dochter blijft achter. ‘Ach vader Johannes,’ denkt ze, ‘ach vader Johannes.’

 

Moeder en zoon

Hermans en Reve.jpg

Ik herlas deze weken Nooit meer slapen en Moeder en Zoon, klassiekers, zal ik maar zeggen. Nooit meer slapen is – het spijt me – volkomen overbodig geworden. Diep in mijn hart wist ik dat ook wel voordat ik eraan begon. Iedere mus die er van het dak valt, doet dat met een reden. Niet dat die mus wist waar hij aan begon, hij wordt naar beneden gestuurd door de Grote Schrijver. Met een Doel. Iedere onweersbui die over de arme hoofdpersoon heen raast, betekent wat. En dat de portier blind is?

Dat Moeder en Zoon nog zo mooi is, wist ik eigenlijk ook wel voordat ik eraan begon. Reve is zo actueel, zo modern, zo – vooruit, ik gebruik het woord ook een keer – authentiek, daar kon Hermans niet aan tippen. Het boek geeft, met wat revistiese zijsprongen die je gewoon voor lief moet nemen, antwoord op de vraag: ‘Hoe ben jij, Gerard Reve, een man met toch een een behoorlijke dosis ontwikkeling, intelligentsie en gezond verstand, ooit in de Rooms-Katholieke Kerk terechtgekomen en er zelfs lid van geworden?’

Het geheim van het boek zit ‘m in de moed om de uiteindelijke dingen in symbolen te laten spreken zonder ze uit te schrijven. Hermans vond ons lezers zo dom, dat-ie het liefst het allemaal even zou uittekenen terwijl we lezen. Reve vertrouwt de lezer, Reve vertrouwt op de taal.

Ik heb geen idee of Reve nog veel gelezen wordt. Dat zou wel moeten.

De rechtvaardiging van een bestaan

JC-Bloem

J.C. Bloem publiceerde dit beroemde gedicht in 1945. Hij was 58.

Dichterschap

Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten,
Voor de rechtvaardiging van een bestaan,
In ’t slecht vervullen van onnoozle plichten
Om den te karigen brode allengs verdaan?

En hierom zijn der op een doel gerichten
bevredigende dagen mij ontgaan;
Hierom blijft mij slechts zelf en lot betichten
in ‘t zicht van ‘t eind der onherkeerbre baan.

Van al de dingen, die ‘k droomen zocht –
Erger: van alle, die ik wèl vermocht,
Is, nu hun tijd voorbij is, niets geworden.

En ik kan zelfs niet, als mijn onbevreesd
Erkennen mij verwijst naar de verdorden,
Aanvoeren: maar mijn bloei is schoon geweest.

Dit gedicht is terecht beroemd vanwege die eerste twee prachtregels. Maar daarna hoeven we eigenlijk niet verder te lezen. Het gedicht gaat ten onder in een huilerige brij van ingewikkelde zinnen die ook nog eens vorstelijk mank gaan aan rijmdwang.

Vooral het slot is sneu. Bloem wist als geen ander dat hij beschouwd werd als een grote, zij het kleine, dichter. Hij hengelt in die laatste strofe ongeneerd naar complimentjes: ‘Heus Jacques, je schrijft prachtige gedichten!’

Ach ja, je bent 58 en je vraagt je af: doe ik er toe?

Zinkgat

zinkgat china

Ik herlas de afgelopen dagen Nooit meer slapen, de roman van W.F. Hermans. Dat viel nog niet mee. Je moet je hoofd erbij houden. Alles betekent namelijk wat. En op gevaar af dat ik u nu de plot verraad: uiteindelijk mislukt alles en zelfs dat. Het boek is van 1966. Ik las het in 1975 voor de lijst van de middelbare school. En in 1980 voor de lijst tijdens de studie en in 1984 voor de lijst van de kinderen die ik onderwees. En nu, dik 30 jaar later gewoon, voor de lol. Uit nieuwsgierigheid.

Is het wat? Nee. U hoeft dat echt niet meer uit de kast te halen.

Ben ik veranderd of is het de tijdgeest? Betekende vroeger inderdaad alles iets? Ik heb de indruk dat tegenwoordig veel niets betekent. Het meeste is er gewoon, of gebeurt.

Ik zag een filmpje op het nieuws. Midden op een groot, druk kruispunt ergens in China ontstaat zomaar een enorm gat in de weg. Een zinkgat. Hermans zou het graag gebruikt hebben. Sterker: ik bedenk me net dát hij het heeft gebruikt: de novelle ‘Ruisend gruis’ gaat over zo’n zinkgat.

Wat betekent dat zinkgat in China? Hermans zou het geweten hebben. Misschien is dat zinkgat wel een begin van het einde. Dat het sneeuwt terwijl de bomen bloeien, dat kan geen toeval zijn.