Goed bestuur

Vandaag, vanmorgen vroeg, toen de zon nog niet op was maar er wel over dacht, was het glashelder aan de zuidzijde, boven de kerk, ons Forum en ons provinciehuis. Pal op het zuiden lag een minuscuul maantje loom achterovergezakt tegen een donkere hemel. Eén heldere ster ernaast. Venus? De ochtendster?

Tegen die heldere koude lucht braakte de schoorsteen van het provinciehuis goorgrijze maar ongetwijfeld brandschone rook uit. Het had wat weg van een gigantische oceaanstomer die het sein ‘volle kracht vooruit’ had gekregen. Deze provincie moet bestuurd en daar gaan we vandaag werk van maken.

Maar een half uurtje later was de zon op en de ochtendster verdwenen en bleek de uitstoot van een gigantische oceaanstomer gereduceerd tot een sneu beetje grijze lucht uit een klein en beschaafd pijpje. Het was alsof ze bij de provincie hebben gedacht: ‘Laat ook maar, het loopt ja wel lekker ja. We houden het voor gezien en gaan naar huis, gedichten schrijven.’

Ja. zo moet het gegaan zijn. We zijn stuurloos en het gaat goed.

O, kom er eens kijken

In Groningen ging zaterdag een aantal mensen de Grote Markt op. Ze hadden een geel hesje aan en demonstreerden tegen …   Het leven is te duur en er zijn te veel regels en veel mensen verdienen te weinig behalve de rijken en de directeuren. En gelijke kansen zijn er ook niet. Ook in Groningen rommelt het. Voor zover ik het begrijp is het frustratie, onmacht. Je hoort hosanna-verhalen over de economie, je telt je eigen zegeningen en je denkt: ‘Rutte rot op’.

Terzijde. Ik zocht dat woord ‘hosanna’ op, onzeker over de spelling. van Dale verwijst naar het verhaal waarin Pilatus de massa vraagt wie hij vrij moet laten: Barabbas, de beruchte misdadiger, of Jezus. U weet hoe dat afliep. En met die verwijzing geeft het woordenboek: ‘Vandaag “hosanna”, morgen “kruisigt hem”‘. Niets is wispelturiger dan de massa. Voetballers kunnen er over mee praten. Mark Rutte nu dus ook.

Van alle Gele-hesjes-eisen verbaast me het pleidooi voor gelijke kansen het meest. Een kans is een kans. Een kans kan je missen. Stel nou eens dat we bij onze geboorte inderdaad allemaal precies dezelfde kansen zouden hebben, en iemand verzuimt zijn kans te pakken? Moet hij of zij dan maar op de blaren zitten? Zo’n land willen we toch niet? Nee, dan lijkt een pleidooi voor een basisinkomen mij relevanter.

De sfeer zat er niet erg in. Het had wat plichtmatigs. Het journaille deed zijn ding. De demonstranten deden hun ding. En ondertussen shopte Groningen zich suf en speelde de fanfare ‘O, kom er eens kijken’. Een boeiend lied in deze context.

O, kom er eens kijken
wat ik in mijn schoentje vind
alles gekregen
van die beste Sint!
Een pop met vlechtjes in het haar
een snoezig jurkje kant en klaar
drie kaatseballen in een net
een letter van banket.
O, kom er eens kijken
wat ik in mijn schoentje vind
alles gekregen
van die beste Sint!
Een bromtol met een zweep erbij
een doos met blokken, ook voor mij
en schaatsen en een nieuwe pet
een letter van banket.
O, kom er eens kijken
wat ik in mijn schoentje vind
alles gekregen
van die beste Sint!

Een lied van tevreden burgers die maar wat graag bij de pakjes neerzitten.

Bekijk het verslag hier.

Een vreemdeling aan het Martinikerkhof

We zagen een vrij forse jonge man die in een zak, verzwaard met een zware kei, plompverloren in de sloot was gekieperd. Hij was een vreemdeling zeker, afkomstig uit Scandinavië, de Alpen of misschien de Oeral. Een bergachtig gebied in elk geval.

Nee, geen aflevering van Silent Witness maar de bittere werkelijkheid, zo’n 1100 jaar geleden. Hij was een van de om en nabij 20% vreemdelingen die in die periode Groningen bevolkten. Frappant. De Rijksuniversiteit Groningen maakten gisteren de cijfers bekend van het aandeel allochtone studenten. Ongeveer 20% En dan beklagen zij zich nog over het tekort aan woonruimte … Ze weten niet half hoe we dat probleem met allochtonen vroeger oplosten! Mind you, Groningen telde in die jaren een kleine 200 inwoners en was daarmee een van de grootste bewoningen in Drenthe. Niet mijn woorden maar die van Bert Tuin.

Bert Tuin, archeoloog in Groningen, is een van de archeologen die in Stad de opgravingen aan de zuidzijde van het Martinikerkhof deden. Dat was een pietsje een domper gisteravond. Het ging over de andere kant van de kerk. Ze hebben er minutieus in kaart gebracht waar en hoe en wie er begraven zijn geweest. Voor zover mogelijk. Lang niet altijd kon er duidelijkheid komen. Maar het was indrukwekkend om aan het eind van de lezing een overzicht te zien van mensen die ze wel konden traceren.

Allemaal Stadjers. Middenstanders, kleine lieden, maar groot genoeg om genoemd te zijn. Het verhaal bijvoorbeeld van het bakkersechtpaar Jan Bakker en Elisabeth Steenhuizen. Ach heden, zou mijn moeder verzuchten. Binnenkort publiceert men de resultaten van het onderzoek in een echt tijdschrift. Laat ik tot die tijd dat verhaal maar onverteld laten.

Werd er aan onze kant dan helemaal niemand begraven? Tuurlijk wel. Maar die graven zijn in de loop der tijden verrommeld. Zo noem je dat als archeoloog. Veel geleerd.

Wintertijd

Onvermoeibaar, onvermurwbaar slaat de Martinitoren de kwartieren achterover. Rücksichtslos. Onverbiddelijk. Al die eeuwen lagen hier in de slaapkamers aan het Martinikerkhof mensen te slapen, al die eeuwen schudde de toren ze uit bed als het hun tijd was.

Zo’n klok regelt je leven. Op weekdagen neemt hij de kwartieren  vanaf 7 uur ’s morgens tot 11 uur ’s avonds mee. Ieder kwartier doet-ie een deuntje. ’s Nachts slaat hij alleen op het hele en halve uur. Geen deuntjes maar gewoon bedaard klokgelui. Om op 7 uur even vol op het orgel te gaan en alle deuntjes achter elkaar door te spelen. Wakker worden. Uw dag begint. In het weekend krijgen Stadjers er een een uurtje bij. Ja, we worden betutteld.

Sinds de nieuwe wintertijd word ik echter steevast om kwart over 6 wakker en krijg ik een uurtje om dat gebeier en gelui te beluisteren en plannen voor de dag te smeden. Wat moet er gebeuren, wat wil ik dat er gebeurt, wat staat te gebeuren?

Vandaag een thuisdag. Vanavond een lezing. In het Scheepvaartmuseum.  1200 jaar begraven op het Martinikerkhof.

Bekijk de info.

 

En toen was er hoop

‘Gelukkig ben je hier’ schreeuwt de gemeente Groningen letterlijk van de daken. Het is hier ‘Let’s Gro’, een inspiratiefestival waarin Groningers worden uitgedaagd om mee te denken over de toekomst van Stad en Ommeland. Op de pilaren van het gemeentehuis staat deze tekst. Op het tankstationnetje van Dudok staat het ook. Het zal op meer plekken staan.

Lasse en ik wandelen de stad. Hij heeft z’n poezenmuts op. Hij brabbelt wat voor zich uit, kijkt nieuwsgierig in het rond, lacht naar de meisjes en steelt menig vrouwenhart. Ik loop er wat timide achteraan, ik ben maar de opa, ik duw. Maar iets van zijn aura moet toch ook op mij afstralen, ik ben toch maar mooi zijn opa.

Op de Grote Markt staan enkele tijdelijke woningen waar in gepraat kan worden. Waar in het communicatiekwadrant van Van Ruler de gemeente met stakeholders een dialoog kan aangaan. Op een van die huisjes staat aan de buitenmuur:

We zinken weg in ons afval. Het wordt steeds heter in de stad en droger in het ommeland. We moeten van het gas af! Hoe kun je op die manier nog gelukkig zijn?

In ons ‘Shopping Centre’ laten we zien wat je allemaal kunt doen om toch weer (enigszins) hoopvol naar de toekomst te kijken.
Samen met partners laten we zien wat er mogelijk is. Bij jou thuis, in je straat en in je buurt.

Goedemorgen ook.

Weer ‘enigszins’ hoopvol naar de toekomst kijken, dat willen we allemaal wel. Klinkt toch anders dan dat ‘Gelukkig ben je hier’.

Wij lopen verder. ‘Prrpaaa pwwwrpp paopaw prw’ klinkt het voor me uit. De meisjes draaien zich om, vertederd. Er is hoop.

Avondmaalschroom

De 18e eeuw was de tijd waarin de avondmaalschroom zich zo’n beetje op haar hoogtepunt bevond. De avondmaalschroom? Precies: de avondmaalschroom! Historicus Harry Perton deed gisteren in de Groningse archieven verslag van zijn onderzoek naar de mate waarin mensen deelnamen aan het avondmaal. Het betrof de provincie Groningen. Hij bestudeerde per kerkelijke gemeente de boeken waarin de dominees de administratie deden. Hoeveel lidmaten waren er, hoeveel van hen deden de belijdenis en hoeveel van hen namen deel aan het avondmaal.

Perton nam zijn publiek mee op een lange reis langs plaatsen als Beerta, Eexta, Feerwerd, Leens, Aduard en Finsterwolde. We hoorden tientallen plaatsen langskomen. Overal zag je hoe men aan het begin van de 18e eeuw opgewekt en massaal ter avondmaal trok. Overal zag je hoe men halverwege diezelfde eeuw schroomvallig bleef zitten om een handjevol gezegenden aarzelend naar voren te zien schuifelen.

Dat avondmaal was namelijk wel een dingetje. Was je het wel waard om aan te zitten aan de tafel des Heeren? Als je die vraag al te makkelijk met ‘ja’ beantwoordde deugde je in sommige kringen niet. Maar als je hem met een stellig ‘nee’ beantwoordde, deugde je in diezelfde kringen ook niet. Het luisterde nauw.

Maar aanzitten werd in die 18e eeuw steeds minder gebruikelijk. Perton liet zien dat in de loop van de 18e eeuw de bevindelijke predikanten het wonnen van de meer wereldse predikanten. Aanzitten aan het avondmaal deed men nog maar zelden. Pas aan het begin van de 19e eeuw zag je een kentering.

De 18e eeuw was ook de eeuw van de grote ontdekkingen en uitvindingen. in 1752 vond Benjamin Franklin bijvoorbeeld de bliksemafleider uit en in 1782 plaatste Cornelis Krayenhoff de allereerste bliksemafleider in Nederland op de toren van de Grote of Martinikerk van Doesburg. Het was de eeuw waarin de Bedumer Geert Reinders ontdekte dat je je koeien kon beschermen tegen de runderpest door ze in te enten.

Het was de tijd van de rede. Het menselijk vernuft kon wonderen verrichten. Maar niet voor de bevindelijken. Een brandverzekering namen ze niet. Bliksemafleiders plaatsten ze niet. En de koeien inenten? Zij vertrouwden op God.

Stadjer

Het is alweer even geleden. We deden Monumentendag in Stad. We beklommen de watertoren bij de Noorderbinnensingel. We verbaasden ons over het uitzicht. Richting het zuiden, maar ook de andere kant op. Al die torens. Die onvermoede hofjes net naast de watertoren. Ja zelfs het Forum krijgt iets majestueus, al is het alleen maar vanwege die enorme glaspartij. ‘Is het dan toch gebeurd,’ vroeg ik me af toen ik gisteren deze foto als achtergrond van mijn mobiel bombardeerde, ‘ben ik nu een Stadjer?’

Ik bedoel, je ziet een stad. Is het er mooi? De ouden van dagen in het verzorgingshuis pal vooraan wonen er ongetwijfeld naar volle tevredenheid maar het is natuurlijk een foeilelijk gebouw. En je ziet dat er veel van dit soort misbaksels staan in die stad. Je ziet ook hoe weinig groen er eigenlijk is, in het centrum. En dat het een beetje een allegaartje is.

Maar je ziet ook: Stad. Wie er ooit woonde, ziet onmiddellijk: dit is Groningen. Het Forum, de Martinitoren, die eeuwige bouwkraan, de Sint-Jozefkathedraal, de Nieuwe Kerk, het Academiegebouw, de A-kerk en wat verder volgt. Misschien is dat het wel, je vertrouwdheid met een plek creëert verbondenheid met de plek. Ooit schreef ik een stukje over de bomen in de buurt, en hoe goed ik ze kende. Ik geloof dat de schrijver ermee bedoelde: ik hou van die omgeving omdat ik ermee vertrouwd ben, omdat ik de verhalen ken.

Dat ik de foto als achtergrond voor op de telefoon klikte, zit’m toch niet in de skyline maar de lucht erboven. Die ruimte. Die enorme wolkenpartijen. Ze zijn er wel in de stad. Je moet er alleen even voor klimmen.

Lees bomen in de buurt (27 oktober 2010)