Bieten

Wie goed kijkt ruikt de bieten. Of verbeeld ik me die geur? Staat de wind verkeerd, is die fabriek op Hoogkerk allang gesloten? Op de Grote Markt bouwt men zich een tent zo groot als de Grote Markt. Zelfs de fietsen moeten ervoor wijken. In die tent straks het oktoberfeest. Met Marc Bakker, Schlagerband Jawohl en Uli Jurgens. Ja, ze willen herfst.

Maar ik, ik kocht van Raymond Carver ‘Uit het oosten, licht’. Scènes. Drama’s. Kleine verhaaltjes over kleine mensen met grote gevoelens.

Het kortste gedicht is dit:

De jonge meiden

Vergeet alle ervaringen die je ineen doen krimpen,
En alles wat met kamermuziek te maken heeft.
Musea op regenachtige zondagmiddagen, enzovoort.
De oude meesters. Dat soort dingen.
Vergeet de jonge meiden. Probeer ze te vergeten.
De jonge meiden. En dat soort dingen.


Raymond Carver, Uit het oosten, licht 2021 isbn 978 94 93186 34 7. selectie en vertaling Astrid Staartjes. Uitgeverij Vleugels.

Visite

De beide dames liepen de hal in en groetten me vriendelijk. Ik liep juist met wat hand- en theedoeken de trap op, zondag wasdag. Ze gingen er even goed voor staan. Ze bewonderden het schilderij dat in de hal hangt, bekeken de prent van Montyn en spraken hun waardering uit over onze twee wolkenlampen. Ook de kapstok kon rekenen op waarderende woorden. Dat stemde me natuurlijk blij maar die blijdschap werd toch overheerst door verbazing. Ik kende beide dames echt niet.

‘Ik denk dat u verkeerd bent’ zei ik, ‘we hebben de deur nog open omdat we net buiten zaten.’
‘Nee, nee, we kijken huizen.’
‘En nu bekijkt u ons huis?’
‘Precies.’

Ze wilden doorlopen, de woonkamer in. Ik legde de was op de trap en draaide me om.
‘Maar waar wilt u dan zijn?’ Je moet toch wat.
‘We bekijken huizen in de stad. En dit staat op de lijst.’
Ik had even geen weerwoord. Als je op de lijst staat, sta je op de lijst.

Maar ik zag: er begon iets te knagen. Er begon iets te dagen.
‘Of wóónt u hier? En lopen wij hondsbrutaal uw woning binnen?’
‘Hondsbrutaal wil ik het niet noemen maar inderdaad, we wonen hier en u loopt naar binnen.’

Zichtbaar geschrokken draaiden ze zich om en liepen snel de deur uit. Maar één dame kon het toch niet laten. Bij de deur draaide ze nog even om. Ze wees haast wat gepikeerd op de nieuwe deurmat.
‘U heeft anders wel de rode loper uitgerold.’

Waar ging het mis tussen ons?

Een beetje medelijden had ik wel. Ze hadden op stadhuis lucifers getrokken. Hij was de sjaak. Hij moest de gemeente vertegenwoordigen in deze bezwaarprocedure. Ze hebben er ongetwijfeld trainingen voor. Hummen, beetje met het hoofd schudden, een aantekening maken zo nu en dan. Hij deed het. Maar hij moest ons teleurstellen bleek na zo’n 20 minuten. Onze bezwaren tegen het hupsakee opheffen van zo’n 60 parkeerplekken, daar kon hij niets mee. Hij was verkeerskundige en hij ging niet over het parkeerbeleid. Dus al die alternatieven en oplossingen en suggesties die 9 weldenkende burgers aandroegen, jammer. Trouwens, zo deelde hij mee, die parkeerplekken, daar had de buurt al inspraak over gehad, 3 jaar geleden.

Hé, opmerkelijk. Er waren 9 bezwaarmakers en geen van hen herinnerde zich iets van een dergelijke procedure. Een parkeerplek hier is best een dingetje namelijk. En als de gemeente er 60 wil schrappen in je directe omgeving en je daarover de mond gunt, dan wéét je dat. Waarschijnlijk heeft het een tijdje op een website gestaan en konden ze in de procedure de vakjes ‘inspraak’ en ‘participatie’ en ‘bewonerscommunicatie’ aanvinken.

Maar de ambtenaar wist het goed gemaakt. Hij wilde het besluit best nog eens toelichten. En desnoods nóg eens. Maar die parkeerplekken gaan weg en die kade wordt voetgangersgebied hoewel hij ook wel begreep dat er maar weinig mensen daar gaan lopen: te hobbelig en op veel plekken te smal, en misschien ook omdat er lichtelementen in de weg staan en bomen en omdat die enorme bussen er pal langs rijden. Wat een baan, zag ik hem denken. Maar ondertussen, ik heb me nog nooit zo rechts gevoeld. Bah.

Wat is nu eigenlijk mijn punt? Het opheffen van die parkeerplekken? Nee. Diep in mijn groenlinkse hartje vind ik dat geen gekke zet. Ja, het is automobilistje pesten maar het dient een doel. Minder blik in Stad. Nee, mijn ergernis betreft de tweespalt tussen de burger en de overheid. We waren er allemaal bij. Dat het onderlinge vertrouwen zo gering is dat het de overheid niet meer gaat om te profiteren van de inzichten van degenen voor wie ze werkt maar om het correct bewandelen van de procedures. Zodat ze niet nat gaat.

Waar ging het mis tussen ons? En vooral, kunnen we het nog goedmaken?

Appeltaart

We schrijven iets van 2014. Oktober. Het was een onstuimige dag en ik had appeltaart in gedachten maar geen appels in huis. En zo fietste ik naar de boomgaard van ons Groninger Landschap bij Eekwerd. Daar hingen ze gratis, wist ik, goudrenetten. Grote rooie mooie goudrenetten. Over de Dieftilweg met hier en daar links en rechts wat huisjes tot de brug over het maar en daar linksaf de Schoolweg op. Rechts die ene oude school, links wind, water, land en lucht. Voor de brug bij Oosterwijtwerd naar rechts langs het maar. Links water, land en lucht. Rechts land en lucht. En overal die wind.

De boomgaard was verlaten. Het rook er naar verrot fruit en schapenmest. Het waaide hard. Het was koud. In het weiland naast de boomgaard stonden wat koeien, de schouders hoog opgetrokken tegen de kou, de neuzen bij elkaar. In de boomgaard zelf drentelden wat schapen. Hun geblaat klonk in de wind wat klagelijk. Op de grond bij de bomen lagen in de mest en de modder wat kapotte pruimen, peren en appels. En hier en daar ook nog appels die nog prima waren. Maar ik wilde die echt mooie grote rooien. Ik koos een goudrenettenboom die nog vol in blad zat. Mijn hartje bonsde van puur geluk wat sneller. Zulk mooi fruit en ik mag het plukken.

Dat deed ik. Ik plukte. Ik schoof wat takken opzij om die ene sublieme vrucht te plukken en keek recht in de verbaasde ogen van een enorme uil. Daar had ik dan weer niet op gerekend. Op een meter afstand zat daar dat imposante beest. Ik hield de tak vast en bleef kijken. Hij bleef zitten. Hij bleef kijken. De wind was even weggevallen. De schapen vielen stil. Eigenlijk waren alleen wij er nog, die uil en ik. Tot hij zich ogenschijnlijk wat verveeld opschudde en met enig misbaar opsteeg vanuit dat gebladerte, niet bang, niet boos, hooguit licht verstoord. Hij zocht zijn heil elders. De storm nam hij voor lief.


De foto plukte ik van de prachtige website Ontdek Noord Groningen

Een beetje sfeer

Je zag ze denken: een zeikerd. Het was dinsdagmiddag, half 1, en ze hadden juist twee torens op het grasveld pal voor onze deur gebouwd van zo’n 20 bierkratten. Ze hadden zich een stoeltje mee genomen en dronken een pilsje en hadden fijne boem boem feestmuziek. En ja, zo’n tafereel maakt de zeikerd in mij wakker. Van nature ben ik goedsmoeds en welwillend en tolerant, maar als ik twee net wat te dikke jongemannen voor mijn deur tref met bier in de hand en een bonkende gettoblaster op microformaat achter het muurtje, dan is het net of er een andere man in mij opstaat.

Die andere man had wel een beetje gelijk. Ooit was het aan ons hofje een stiltegebied. Je mocht er alleen maar fluisteren. En toen de monniken hier nog de scepter zwaaiden – nog langer dan ooit geleden – bofte je als je überhaupt iets mocht fluisteren. Nu is het weliswaar geen stiltegebied maar om nou pal voor iemands deur en open raam op klaarlichte dag je persoonlijke feestje te bouwen …

Dus ik sprak ze aan. Wat de plannen waren. Ze bleken mentor te zijn van een studiegroepje en begonnen hier met een introductiespel. Ze maakten er nog maar eentje open. Maar als ik er last van had, mocht ik er wat van zeggen. Dat deed ik. Ik wees ze op het feit dat op 5 meter afstand zich mijn werkkamer bevond (ik loog een beetje: ik mag daar helemaal niet werken, het is de kamer van mijn vrouw, maar zij heeft ook recht op stilte) en dat als je zo’n spektakel organiseert je beter in het Stadspark terecht kunt dan midden in een woonwijk.

En waarom die muziek? Dat was simpel. ‘Een beetje sfeer creëren.’

De muziek ging zachter en een stuk of 14 jongelui meldden zich om teamsgewijs over kratten te sjouwen en andere leuke spellen te doen. Veel sfeer had het niet. Toen kwam het autootje van de handhaving. Even later waren ze weg. De jongelui. Ze lieten niets achter. Zelfs geen zuchtje geluid. Zelfs geen ene doffe beat.

Ik voelde me schuldig. Mogen ze los, treffen ze mij.

Miniatuur

Mijn vrouw was uit werken en ik nam het er van. Ik bakte me een ei. Juist had ik dat op toen er werd aangebeld. Een man, mijn leeftijd, korte broek, sandalen, blote voeten, regenjas. Heel even aarzelde ik. Ik kende hem niet. Hij kende mij niet. Hij stelde zich voor als Klaas en hij had wat voor me. Letterlijk een kleinigheid.

Als hij dit ooit leest zal hij me wel corrigeren. Hij had het bekomen uit de boedel van de schoonmoeder van de buurman. Een piepklein beeldje dat ooit is uitgegeven door de firma Vopel Pelterijen alhier. Het jaartal 1851 staat aan de zijkant. Op het Internet vind ik niets over Vopel alhier. Maar ik weet dat ze er zaten: voor de Fa. Roerdink er kwam, zo rond 1925.

Lasse heeft  ooit gefascineerd staan kijken naar een miniatuurtje van de Martinitoren, midden op de Grote Markt. Gebukt, op z’n knietjes, bewonderend. Zo zat ik gisterenmiddag voor dit beeldje. Het heeft de grootte van een flinke vingerhoed. Maar het telt onze raampjes, het toont ons bovenlicht en de aansluiting voor de gaslantaarn aan de voorgevel zit er nog. Wonderlijk om je eigen huis op een gewone dinsdagmiddag zo terug te zien.

Ik noodde hem binnen. De gebakkeneilucht moest hij maar op de koop toe nemen. Hij dronk een kopje koffie, keek rond en vertelde over zijn loopbaan. Over de firma Vopel kon hij me verder niets vertellen. Even later vertrok hij met onbekende bestemming. Hij liet mij blij verbluft achter met mijn eigen huis. Ik zette het bij wijze van spreken in de etalage.

IMG_3086