Waar was dat feestje?

Bij de buren aan de Walburgstraat is zaterdagnacht een feestje gevierd. Ik bedoel niet dat de buren dat feestje vierden. Hun pleintje was de plaats van handeling.

Om de feestvreugde te verhogen, besloten de feestvierders de straatlantaarn eens grondig onder handen te nemen. Ik begrijp dat wel. Wat is er nu leuker dan Duncan kijken? Precies: straatlantaarns mollen! Iedere dag, nu alweer bijna twee jaar lang, probeer ik die neiging te onderdrukken. Het is een beetje een taboedingetje. Groot gelijk dat je met elkaar besluit om zo’n taboe nu eindelijk eens te doorbreken.

Wat gaat er door je heen als je zoiets doet?

Wat ging er door je heen voordat je zoiets doet?

En: what’s next?

Ik word soms  – even maar – heel rechts. Dan denk ik: meer bewakingscamera’s, lijfstraffen, Duncan kijken.

Groot en klein

Hardlopend langs het Van Starkenborghkanaal bots ik bijkans tegen dit bord. Groot schip gaat voor klein schip. Een levensles voor wie nog niet zo lang mee gaat, een open deur voor de rest van Nederland. Groot gaat voor klein, rijk gaat voor arm, rechts gaat voor links, waarheden die geen betoog hoeven.

De achtergrond van deze levensles van Rijkswaterstaat is de botsing van een forse boot met de te vroeg zakkende Paddepoelsterbrug. De boot won. De brug is weg. Wie is hier groot, wie is hier klein?

Maar nu liggen daar dus in het water twee gigantische obstakels, een soort wegversmalling voor het vaarverkeer. En staat er dat bord. Hoe het met de boot is, weet ik niet. In Groningen maken we ons meer zorgen of Rijkswaterstaat die brug überhaupt terug gaat plaatsen.

Dat bord van RWS zou zo maar een vooruitwijzing kunnen zijn naar hoe onze Rijkswaterstaat al die wandelaars en fietsers beschouwt.

Kermis in Stad

Het is weer kermis in Stad.

Mijn ouders hadden de oorlog en de crisis meegemaakt en waren bovendien gereformeerd opgevoed. Ze vonden geld uitgeven op een kermis eigenlijk verspilling. Totaal ongepast.

In Amsterdam zijn we bij mijn weten eenmaal naar de kermis geweest in Geuzenveld. Dat moet een idee zijn geweest van mijn vader: hij kon soms onverwacht erg uit de band springen. Die keer bijvoorbeeld dat mijn moeder naar haar zus in Canada ging en hij met zijn 4 kinderen achterbleef. We gingen toen met z’n vijven naar Limburg. Met het vliegtuig!

Hoewel. Misschien was het wel een idee van mijn moeder. Ook zij sprong een enkele keer uit de band. Die ene keer dat mijn vader en moeder met ons uit eten gingen vanwege hun 35e trouwdag en de ober vroeg of we vooraf wat wilden drinken. Mijn moeder zag haar kans schoon. Ze wilde wel een glaasje sherry. Mijn vader ging toen bijna dwars liggen: thuis krijg je het gratis.

Terug naar die kermis in Geuzenveld: waar ik in mocht weet ik niet meer. Misschien gingen we gewoon kijken. En dat we dan iets lekkers kochten: dan kréég je tenminste nog iets voor je geld.

Groningen 1947

De foto kwam ik tegen in een bericht van Dick Heizenberg in de Facebook-groep ‘Je bent een Stadjer als’. Het is 1947. Een groot deel van het centrum van Groningen is verwoest. Weg. Wie goed kijkt ziet dat het puin inmiddels ook weg is. Wat rest is leegte. Je wéét dat het gebeurd is maar als je die kaalslag zo ziet, is dat toch schrikken.

Tegelijkertijd is er dat mirakel. Het stadhuis, het Goudkantoortje (dat kleine gebouwtje links van het grote stadhuis) en de kerk. Ze staan er nog. Hoe is het mogelijk?

Op die laatste vraag las ik wel een antwoord al kan ik het precieze bericht niet meer vinden. Het komt er op neer dat de Duitsers de kerk (die toen de oorlog begon in de steigers stond) als een soort van afluisterpost gebruikten. Ze wilden hem bij de bevrijding van Groningen dan ook vernietigen maar dat werd verijdeld.

Wat ook opvalt is dat het gebouw van Vindicat dat ten behoeve van de bouw van het Forum verplaatst moest worden (met andere woorden: afgebroken en enkele meters verderop weer opgetrokken) er in 1947 nog niet stond. Veel gebouwen hebben maar een levensduur van 60 jaar. Gelukkig staan sommige gebouwen langer.

 

Meelopers

Het was – Nederlandse lezers weten het – gisteren de warmste februaridag ooit. En dus zat ik tussen de middag voor het huis met mijn boterham met kaas en mijn kopje koffie. Schaamteloos. Hoewel. Enige gêne is er nog wel. Ik zit voor een groot en mooi huis op de mooiste plek van Groningen op een heerlijke stoel met een onovertroffen kopje koffie en vers brood met lekkere kaas; wat zullen de mensen wel niet denken?

Tegelijkertijd realiseer ik me ook dat de mensen niet zoveel denken. En de mensen die denken, zijn veelal op weg naar het hotel of komen daar net vandaan.

Wie ook niet denken zijn de scholieren die in cortège over ons kerkhof trekken als het pauze is. Ze zijn op weg naar de winkel, op weg naar hun lunch. Chips, koeken, broodjes. Bent u toevallig vader of moeder van een kind op het Werkman of het Praedinius? Geef ze geen brood mee. Dat mieteren ze onverbiddelijk in de prullenbak. Er zijn er maar heel weinig die met hun broodtrommel mee lopen in de optocht.

Maar ze zijn er. Ik wil graag aan hen mijn respect betuigen. Ze lopen mee, maar het zijn geen meelopers. Ik zou het niet gedurfd hebben, zou ik nu daar met al die andere scholieren in de klas hebben gezeten. Hulde voor de broodtrommeldragende scholier. Nog even en ze zijn uit het straatbeeld verdwenen. Net zoals de voddenman, de melkboer, meneer die de vuilnisbakken schoonmaakt of de ijsventer achter zijn bakfiets met steekijs en koperen bel. Hoewel die laatste misschien een doorstart zou kunnen overwegen.

My first play

Theater voor baby’s. Kan dat? Ja, dat kon. Afgelopen donderdag was er in het Groningse Grand Theater een try out van het theaterstuk Landing van Jasmin Hasler, bedoeld voor baby’s van 6 maanden tot 18 maanden. Lasse wilde er per se heen maar heeft nog geen CJP. Ik streek mijn hand over het hart. Vooruit dan maar.

De zaal was enigszins verduisterd, het toneel bestond uit een aantal houten kubussen waaromheen een groot, lang koord, zo’n koord waarmee je op school touwklom. Wij zaten daar weer achter. De kinderen op de een kleedje. De mama’s en de papa’s en de opa op een krukje.

De twee spelers stapten met enig “ado” over het koord en gingen aan het werk met de spullen die er stonden. Ze maakten geluiden. Ze zorgden voor kleuren op de kubussen. Er ontstond een spel met spullen en kleden en vormen en materialen. Metaal, borstels, ballen, stemmen. Dingen vielen. Dingen zweefden. Dingen gingen.

De 10 aanwezige baby’s reageerden allemaal anders. Je had er die dachten dat het participerend theater was. Ze haastten zich naar de spullen op het toneel, beklommen de kubussen en renden achter de ballen. Er waren er die alleen maar naar de andere baby’s keken. Er waren er die naar het toneel keken.

Lasse bijvoorbeeld. De andere kinderen konden hem niet boeien. Wat er vóór hem gebeurde wel. Ademloos zat hij op de grond, veilig tegen me aan; met open mond volgde hij  wat er gebeurde. Banaantje? Hij keek niet op of om. Ik zette hem met z’n knieën op de grond. Kon-ie leuk mee doen. Maar nee. Ik zette hem weer voor me en aaide hem over de bol. Er biggelde een traantje langs z’n wang.

De kerk als tijdmachine

Het hangt in de lucht en je moet het tekenen … Geen flauwe mop maar een serieuze uitdaging voor Martin Hillenga en Stefan de Keijser, schrijver en tekenaar van het boek ‘De kerk als tijdmachine’. Het boek laat kinderen van 8 tot 14 zien hoe een kerkgebouw door de eeuwen heen veranderde. En hoe die veranderingen de veranderingen in de wereld rondom die kerk weerspiegelen. 12 platen à la Jetzes of Isings met telkens een deels opengewerkte kerk in het midden. Een kleine 100 korte tekstjes over wat we kunnen zien.

Het hangt in de lucht en je moet het tekenen: de reformatie bijvoorbeeld.

Maar hoe teken je de reformatie? Hoe breng je zoiets abstracts in beeld? Hillenga en De Keijser kozen voor een scène uit de beeldenstorm. De hemel is donker, op de achtergrond brandt de toren van een andere kerk: onweer trok over het land. Centraal op de voorgrond onze kerk. In en rond de kerk slaan plunderaars en vandalen hun slag. Een vrouw voert de vogels. Een soldaat kijkt toe. Bij iedere plaat kun je als docent of vader of moeder uren vertellen. Maar kinderen kunnen er ook ongetwijfeld hun eigen verhalen bij maken.

En ze kunnen de toelichtingen van Hillenga lezen. Je leert iets over de kerk zelf. Bijvoorbeeld wat een doksaal is. Maar je leert ook over de eerste luchtballon  in Nederland (een Gronings initiatief!), het ontstaan van de bril of de herkomst van de uitdrukking ‘Een rijke stinkerd’.

We waren gisteren bij een middag van de Stichting Oude Groninger Kerken. Zij namen het initiatief voor dit boek, zij regelden de fondsen. En zij organiseerden in het Museumklooster Ter Apel een middag waarin de makers en initiatiefnemers over het boek vertelden. Ik begreep dat het maken ervan nogal wat voeten in de aarde had. Ieder detail moest kloppen. Dus als op de tweede tekening mannen met een schop in de weer zijn, zien we niet de schop die we een aantal pagina’s en eeuwen later zien. Alles klopt. En dat vergt tijd en geduld.

Het is een Gronings boek over Groninger kerken. De voorlaatste plaat toont de kerk in het jaar 1969, het jaar waarin de Stichting Oude Groninger Kerken werd opgericht. De kerk staat leeg, het dak stort bijna in en op het kerkhof staan uien, preien, wortels en sla. Op de achtergrond een boortoren met een trots vlaggetje. En de laatste plaat? De kerk is gerestaureerd. Windmolens staan op de achtergrond. Het is waarschijnlijk de laatste zaterdag van augustus: de Zomerjazzfietstour is gaande. Een jazzband speelt in de kerk.

In de muur boven het raam zien we een scheur. Een vrachtwagen van Stoffer Kats Steigerbouw is in aantocht.

Maar ook: een bordje met ‘De kerk is open’.

De Stichting Oude Groninger Kerken bestaat 50 jaar. Trakteer uzelf en de stichting en koop het boek. Zie de website van de SOGK.