Appeltaart

We schrijven iets van 2014. Oktober. Het was een onstuimige dag en ik had appeltaart in gedachten maar geen appels in huis. En zo fietste ik naar de boomgaard van ons Groninger Landschap bij Eekwerd. Daar hingen ze gratis, wist ik, goudrenetten. Grote rooie mooie goudrenetten. Over de Dieftilweg met hier en daar links en rechts wat huisjes tot de brug over het maar en daar linksaf de Schoolweg op. Rechts die ene oude school, links wind, water, land en lucht. Voor de brug bij Oosterwijtwerd naar rechts langs het maar. Links water, land en lucht. Rechts land en lucht. En overal die wind.

De boomgaard was verlaten. Het rook er naar verrot fruit en schapenmest. Het waaide hard. Het was koud. In het weiland naast de boomgaard stonden wat koeien, de schouders hoog opgetrokken tegen de kou, de neuzen bij elkaar. In de boomgaard zelf drentelden wat schapen. Hun geblaat klonk in de wind wat klagelijk. Op de grond bij de bomen lagen in de mest en de modder wat kapotte pruimen, peren en appels. En hier en daar ook nog appels die nog prima waren. Maar ik wilde die echt mooie grote rooien. Ik koos een goudrenettenboom die nog vol in blad zat. Mijn hartje bonsde van puur geluk wat sneller. Zulk mooi fruit en ik mag het plukken.

Dat deed ik. Ik plukte. Ik schoof wat takken opzij om die ene sublieme vrucht te plukken en keek recht in de verbaasde ogen van een enorme uil. Daar had ik dan weer niet op gerekend. Op een meter afstand zat daar dat imposante beest. Ik hield de tak vast en bleef kijken. Hij bleef zitten. Hij bleef kijken. De wind was even weggevallen. De schapen vielen stil. Eigenlijk waren alleen wij er nog, die uil en ik. Tot hij zich ogenschijnlijk wat verveeld opschudde en met enig misbaar opsteeg vanuit dat gebladerte, niet bang, niet boos, hooguit licht verstoord. Hij zocht zijn heil elders. De storm nam hij voor lief.


De foto plukte ik van de prachtige website Ontdek Noord Groningen

Een beetje sfeer

Je zag ze denken: een zeikerd. Het was dinsdagmiddag, half 1, en ze hadden juist twee torens op het grasveld pal voor onze deur gebouwd van zo’n 20 bierkratten. Ze hadden zich een stoeltje mee genomen en dronken een pilsje en hadden fijne boem boem feestmuziek. En ja, zo’n tafereel maakt de zeikerd in mij wakker. Van nature ben ik goedsmoeds en welwillend en tolerant, maar als ik twee net wat te dikke jongemannen voor mijn deur tref met bier in de hand en een bonkende gettoblaster op microformaat achter het muurtje, dan is het net of er een andere man in mij opstaat.

Die andere man had wel een beetje gelijk. Ooit was het aan ons hofje een stiltegebied. Je mocht er alleen maar fluisteren. En toen de monniken hier nog de scepter zwaaiden – nog langer dan ooit geleden – bofte je als je überhaupt iets mocht fluisteren. Nu is het weliswaar geen stiltegebied maar om nou pal voor iemands deur en open raam op klaarlichte dag je persoonlijke feestje te bouwen …

Dus ik sprak ze aan. Wat de plannen waren. Ze bleken mentor te zijn van een studiegroepje en begonnen hier met een introductiespel. Ze maakten er nog maar eentje open. Maar als ik er last van had, mocht ik er wat van zeggen. Dat deed ik. Ik wees ze op het feit dat op 5 meter afstand zich mijn werkkamer bevond (ik loog een beetje: ik mag daar helemaal niet werken, het is de kamer van mijn vrouw, maar zij heeft ook recht op stilte) en dat als je zo’n spektakel organiseert je beter in het Stadspark terecht kunt dan midden in een woonwijk.

En waarom die muziek? Dat was simpel. ‘Een beetje sfeer creëren.’

De muziek ging zachter en een stuk of 14 jongelui meldden zich om teamsgewijs over kratten te sjouwen en andere leuke spellen te doen. Veel sfeer had het niet. Toen kwam het autootje van de handhaving. Even later waren ze weg. De jongelui. Ze lieten niets achter. Zelfs geen zuchtje geluid. Zelfs geen ene doffe beat.

Ik voelde me schuldig. Mogen ze los, treffen ze mij.

Miniatuur

Mijn vrouw was uit werken en ik nam het er van. Ik bakte me een ei. Juist had ik dat op toen er werd aangebeld. Een man, mijn leeftijd, korte broek, sandalen, blote voeten, regenjas. Heel even aarzelde ik. Ik kende hem niet. Hij kende mij niet. Hij stelde zich voor als Klaas en hij had wat voor me. Letterlijk een kleinigheid.

Als hij dit ooit leest zal hij me wel corrigeren. Hij had het bekomen uit de boedel van de schoonmoeder van de buurman. Een piepklein beeldje dat ooit is uitgegeven door de firma Vopel Pelterijen alhier. Het jaartal 1851 staat aan de zijkant. Op het Internet vind ik niets over Vopel alhier. Maar ik weet dat ze er zaten: voor de Fa. Roerdink er kwam, zo rond 1925.

Lasse heeft  ooit gefascineerd staan kijken naar een miniatuurtje van de Martinitoren, midden op de Grote Markt. Gebukt, op z’n knietjes, bewonderend. Zo zat ik gisterenmiddag voor dit beeldje. Het heeft de grootte van een flinke vingerhoed. Maar het telt onze raampjes, het toont ons bovenlicht en de aansluiting voor de gaslantaarn aan de voorgevel zit er nog. Wonderlijk om je eigen huis op een gewone dinsdagmiddag zo terug te zien.

Ik noodde hem binnen. De gebakkeneilucht moest hij maar op de koop toe nemen. Hij dronk een kopje koffie, keek rond en vertelde over zijn loopbaan. Over de firma Vopel kon hij me verder niets vertellen. Even later vertrok hij met onbekende bestemming. Hij liet mij blij verbluft achter met mijn eigen huis. Ik zette het bij wijze van spreken in de etalage.

IMG_3086

Pronken

Voor ons huis staat een majestueuze tulpenboom. Hij bloeit. En niemand die het ziet.

Je hart bloedt. Maar de boom moet ook even de hand in eigen boezem steken: hij verstopt zijn bloemen wel heel goed. Hoe zo’n boom de evolutie heeft doorstaan is mij een raadsel. Wie bloeit, bloeie met verve. Laat het zien. Maak er wat van.

Deze tulpenboom zou wat kunnen leren van die schattige jongetjesduif die we zaterdag zagen. Het was een onooglijk beestje. Met voor zover ik dat kon zien maar heel weinig om mee te pronken. Maar hij wilde zo graag.

En hij maakt er wat van. Hij zet de staart overeind, pronkt, maakt zich bol, blaast de nek op, draait rondjes om z’n as en volgt haar waar ze ook maar gaat of staat. En zij? Zij laat het achteloos aan zich voorbijgaan. Nuffig pikt ze wat tussen de grassprietjes, ze heeft al gelegd en is er (haar woorden) ‘helemaal klaar mee’.

En dan lees ik dat we in het Noorden wel wat mogen opscheppen. Zou het helpen?

‘Het Noorden moet de schroom van zich afwerpen en opscheppen’ zeggen Joyce Walstra (MKB Noord) en Ton Schroor (NCW Noord) in het Dagblad. Ze presenteren vandaag in Den Haag namens het noordelijk bedrijfsleven een toekomstvisie: ‘Een nieuw perspectief voor een kansrijke regio’.

Dat zijn onraad-woorden! Noem jezelf kansrijk en de ander weet dat het een treurige boel is. En praat over nieuw perspectief en de ander weet dat het een uitzichtloze boel is.

En ondertussen bloei de tulpenboom. Het is niet onopgemerkt gebleven.

Picknick

Een van de grootste geneugten van het leven: picknicken. Het liefst met je eigen vrouw, in de vrije natuur, met een thermoskannetje koffie.

Onze kano’s liggen tegenwoordig in Winsum, bij de kanovereniging waar ik ruim 30 jaar geleden bestuurslid van was. En zo gebeurde het dat we via het vertrouwde Winsumerdiep en het wonderbaarlijk mooie Reitdiep ons rondje Mensingeweer deden. Vergeleken met 30 jaar geleden is er iets veranderd. Ze repareerden de sluizen. Dat betekent dat je tweemaal een minuut of 20 ligt te wachten maar ook (denken wij) dat je nu iets hoger op het water ligt en dus nog verder uitkijkt. Kanovaren is geweldig, mede omdat het altijd mooi weer is als je vaart. En omdat je zo heerlijk kunt picknicken. Bijvoorbeeld bij Schaphalsterzijl.

Vanwege mijn toch nog wat wrakke arm moesten we een uurtje later in Mensingeweer aan het terras bij de molen nog een keer pauzeren. Het was er druk. Er waren geen vrije tafeltjes maar bij een tafeltje zaten 2 mensen en stonden er 4 stoelen. Ik wilde vragen of we 2 stoelen mochten pakken maar bij nader inzien vond ik dat een beetje flauw. Ik vroeg of we aan mochten schuiven. Dat mocht. Het vervolg ontglipte me. Ik vroeg ‘Maar bent u leuk?’ Dat bleken ze te zijn. Sterker. In de loop van het gesprek bleek de meneer de aannemer te zijn die ons  was geadviseerd voor het Grote Dak Onderhoudsplan. Zo werd het nog een gezellig half uurtje.

Een van de grootste geneugten van het leven: een praatje maken met vreemden. Het liefst met je eigen vrouw, ergens op een terrasje.

 

Meer brugellende

Met bloedend hart reed ik weg. Ik moest eerst naar fysiotherapie en daarna naar Holwierde. Wie in het centrum van Groningen woont en een auto heeft, kan die auto maar beter laten staan. Parkeerplekken zijn er maar veel ervan zijn even buiten gebruik om reden dat de gemeente een extra brug wil aanleggen om daarmee het busverkeer uit hartje stad te loodsen om daarmee die stad groener en vriendelijker te maken. Ik ben helemaal voor.

Een brug bouwen is een ding, jezelf er een vergunning voor verlenen heel iets anders. Op de een of andere manier is de gemeente daarin net wat doortastender geweest dan we gewend zijn. De straten waren opgebroken, de blokkades geplaatst en een stuk bewonersparticipatie had plaatsgevonden wat resulteerde in een fijne nieuwsbrief over hoe we de komende 9 maanden moeten omrijden en omfietsen. Over parkeren repte de brief niet. Terecht want daar had men inderdaad geen oplossing voor.

En toen trok een advocaat aan de bel. Hij woont weliswaar niet in Stad maar heeft er wel z’n kantoor. Hij maakte bezwaar en de rechter gaf hem gelijk. Hoe lang er vertraagd wordt is onduidelijk. Misschien wordt het ook wel allemaal afgeblazen.

Bottom line: parkeren is nog niet mogelijk. Die auto moeten we maar laten staan. Maar ja. Holwierde. Het goede nieuws is, m’n plekje was er nog. Mijn hart sprong op in mij. Morgen moet ik weer op weg.

%d bloggers liken dit: