Traditie

Het is 31 december, een heldere dag. Het beleg van Leermens is begonnen. Kruitdampen hangen boven de ijsbaan. De carbidbussen knallen. Het dooit. Schaatsen zit er niet meer in. Daar is ook geen tijd voor.

Oudejaarsdag is traditioneel een drukke dag. Zo loop ik als het even kan een rondje ‘Garsthuizen’. Waarom juist dat rondje? Ik weet het niet. Dat doe ik gewoon. En – ook een traditie –  op Oudejaarsdag moeten we de tuin sleepveilig maken.

Slepen. In Groningen mogen jongelui tijdens de nacht van 31 december op 1 januari losstaande spullen uit je tuin halen en die elders neerzetten, het liefst op een ludieke plek. Ik herinner mij dat er een keer een complete boerenkar stond op het platte dak van café Bosker in Eenum. Drank maakt in jongens van een jaar op 15, 16 veel kracht los.

Maar goed – je tuin sleepveilig maken is best een klus. Wij verslepen straks onze  tuinspullen zodat die arme jongens dat vanavond niet kunnen doen. En niet alleen wij doen dat. Heel Leermens kent deze eeuwenoude traditie. Er valt dus nauwelijks meer wat te slepen.

Leermens vergrijst. Over tien jaar is er geen jeugd meer die sleept. Maar let op: we halen op oudejaarsdag allemaal onze tuin leeg. Waarom? Gewoon, traditie.

Jij ook hier?

Ik geloof dat ik het kan, groeten in het Gronings. Niet dat ‘moi’ of ‘oant moarn’ van de televisie. En ook mijn ‘gojdaag’ klinkt waarschijnlijk minder Gronings dan ik zelf denk. Nee, het gaat mij om de geluidloze groet vanuit de auto of vanaf de fiets.

Je kunt je voorstellen dat als je elkaar niet kunt verstaan (de een zit in de auto, de ander fietst) je even zwaait. Of de hand op steekt. Dat is in Groningen te uitbundig. Het moet ingetogener.

Een instructie.

Je ziet het tegemoetkomende verkeer van ver aan komen. Je hebt dus alle tijd om je voor te bereiden. Zodra je elkaars gezicht zou kunnen zien, houd je het hoofd ietwat voorovergebogen. Vervolgens beweeg je het hoofd licht naar boven waarbij je je wenkbrauwen iets optrekt, alsof je verbaasd bent, ‘Jij ook hier?’ En tegelijkertijd maak je met je rechterwijsvinger een opwaartse beweging. Niet te veel maar ook niet te weinig. Twee tot drie centimeter: dat komt niet zo precies.

Mist

Wie van Groningen naar Leermens rijdt, neemt bij Eenum de Schansweg. Je gaat dan eerst linksaf, een smalle weg langs het Eenumermaar. Na zo’n 200 meter maakt die weg een scherpe bocht naar rechts. Je steekt dan het maar over en rijdt de Eenumerhoogte op. Zo’n 200 meter na de Eenumerhoogte maakt de weg een scherpe bocht naar rechts en even later weer een scherpe bocht naar links. Als je dan aan je linkerhand het Leermstermaar hebt, maakt de weg nog een flauwe bocht naar rechts. Om het centrum te bereiken moet je dan linksaf de brug over. Pas op voor verkeer van links: automobilisten kunnen je niet zien. Na zo’n 200 meter sta je dan op de Leermster bult. De rit vergt op de fiets of met de auto zo’n 3 minuten.

Tenzij het mistig is. Of tenzij er geoogst wordt. We hebben de aardappels en de uien gehad. De wortels zijn nu aan de beurt. Langs de weg ontstaat deze dagen een soort hutspot, fijngestampt door auto- en tractorwielen en aangemaakt met modder. En echt waar: je ruikt hutspot. En die hutspot zorgt, zeker met wat regen, voor een parcours waar Hennie Stamsnijder heel gelukkig van zou worden.

Tenzij het mistig is. Want dan wordt zelfs Hennie hier niet blij. Als het mistig is, kun je je erg alleen voelen. Borden zijn er nauwelijks: die zouden het landbouwverkeer ernstig belemmeren.

Jaren geleden vierde mijn zoontje zijn verjaardag. Het mistte. Vaders en moeders uit Stad kwamen per auto hun kroost ophalen. Een barre tocht was het. Een moeder was in tranen. In konvooi zijn ze weer richting Groningen vertrokken. We hebben nooit meer iets van hen gehoord.

 

Mien lutje lanteern

In Leermens is het Sint Maarten. Elders trouwens ook. Maar lang niet overal. In Utrecht bijvoorbeeld. Daar wordt dit feest niet gevierd. Althans, tot 1983 toen ik er wegging. We verhuisden dat jaar naar Groningen. En hoewel ik als jongetje jaren in Amsterdam-Noord woonde (waar Sint Maarten groot gevierd wordt, althans tot 1972 toen ik er wegging) overviel het me: ‘11 november is de dag’. Maar wij hadden niets in huis. Mijn toenmalige vriendin had net haar eerste baan. En ik studeerde nog. Wisten wij veel.

We woonden in een kinderrijke nieuwbouwbuurt dus Sint Maarten was een groot feest. Nadat we eenmaal ‘nee’ moesten verkopen aan een grote groep zingende kinderen voor de deur en we nog veel meer lampionnen in het donker op ons huis zagen afkomen, hebben we het licht uitgedaan. Op de grond zittend, het bord op schoot, keken we stiekem het A-team.

Jarenlang hoefden we er niet meer aan te denken: onze zonen kwamen van school met de prachtigste lampionnen. De eerste keer loop je mee. Je staat wat besmuikt schuin achter de zingende kinderen en probeert bij het uitdelen van het snoep niet te zeggen ‘Wat zeg je dan?’. Maar leuk is anders. De tweede keer ging Rick mee, de zoon van onze oppas. En de volgende keren gingen ze alleen. Maar het was natuurlijk ook gewoon feest. Stel je voor: twee hummeltjes, dik ingepakt, die –hoewel in hoog-Hollands opgevoed- in prachtig plat Gronings ‘Mien lutje lanteern’ zingen.

In de loop der jaren verloor het feest z’n onschuld. Vooral Freek pakte Sint Maarten zakelijk aan. Met wat vriendjes trokken ze de regio door. Ze begonnen op tijd, aten om 18.00 uur erwtensoep bij Jannie in Eenum, en gingen dan nog een flinke tijd door. Ik zette dan in de keuken de weegschaal klaar. Kilo’s werden er “opgelopen”. Een afzichtelijke berg met het gruwelijkste snoep.

En nu? Groningen vergrijst. Ik koop nog steeds een paar zakken twixjes en nutsjes maar blijf er steeds vaker mee zitten. Vorig jaar kwam er niemand. Stel je voor: de lampen branden, twee vijftigers met drie zakken chocoladereepjes. Op de bank. De wereld draait door.

Het Paleis

Het Paleis in Groningen is een …ja wat eigenlijk? Ik begin voor het gemak andersom. In 1983 kwam ik voor het eerst in Groningen. Mijn toenmalige vriendin solliciteerde er bij de afdeling Fysiologische Chemie van de RUG. Dat was gevestigd in een groot, statig gebouw waar het rook naar scheikundelokalen. Maar soms ook naar boerenkool omdat je daar zo mooi lipides uit kunt halen. En naar stallen. Mijn toenmalige vriendin kwam, zag en overwon. En we bleven.

We zijn 27 jaar verder. Het laboratorium heeft ondertussen jaren leeg gestaan. En toen is het omgetoverd tot een … oké, een centrum. Of zoiets. Laat ik zeggen wat er is: een brasserie, een hotelletje, tientallen ateliers, galeries, een uitgeverij, woningen, werkplekken voor artistieke types, vergaderzalen, een conferentiezaal en een laboratorium waar ze 3D-dingen kunnen printen. Ik kom er met enige regelmaat en word iedere keer getroffen door het enthousiasme, de creativiteit en de gedrevenheid. We kwamen er ook afgelopen zondag. Het Paleis was het startpunt van een wandeling door de stad langs ateliers van vormgevers en kunstenaars.

Bij de entree stond een enthousiaste jongen die als een volleerd marktkoopman ons voorspiegelde wat we allemaal konden zien. En eenmaal binnen lieten kunstenaars ons gevraagd en ongevraagd zien wat ze maakten en hoe ze dat deden. Mijn huidige vrouw, weer terug in haar oude werkplek, kreeg een stoomcursus werken met een 3D-ontwerppakket. We kochten bijna een kapstok van 4 meter hoog, twee bijzettafels waar we niets mee konden en een groot schilderij. Waarom? Omdat het werk mooi was en de kunstenaars er zo enthousiast over vertelden.

Het Paleis is echt een nieuw laboratorium geworden. Een laboratorium waarbij men de transfer naar de samenleving serieus neemt. Een laboratorium waar men dingen onderzoekt, probeert, maakt en aan de man brengt. Ik vind het geweldig. Wie van kunst wil leven, moet kunst willen verkopen.

Kijken? www.hetpaleisgroningen.nl

Hier en daar een opklaring

Het Groninger land is de afgelopen weken opgesierd met talloze zeecontainers vol kunst. Ze stonden er wat verloren bij, die containers. Aangespoeld. Alsof een vrachtschip zijn lading heeft verloren. Gelukkig was het beleid.

Op zaterdag en zondag gingen de deuren van de containers open en zetten zich een of twee vrijwilligers op een keukenstoel in of voor de container. Een kan koffie naast zich en vaak met een pakje stroopwafels en een krant of tijdschrift. In de container hing of stond kunst. En Nederland fietste er langs. Vanuit mijn werkkamertje had ik een prachtig uitzicht op de container bij onze ijsvereniging Nooitgedacht. Je moet je voorstellen: zo’n 100 jaar geleden is een kwart van de wierde van Leermens afgegraven. De vruchtbare wierdegrond ging naar Drenthe en en het gat dat restte is ’s zomers een weiland voor schapen en ’s winters een plas water voor eenden. In bevroren toestand dient de plas als ijsbaan.

Maar nu staat daar dus die container. Tussen de schapen. Het miezert en het is koud. Treurigheid troef. Je zult er maar zitten, denk ik dan bij m’n eigen. Dan hoor ik weer een colonne opgewekt babbelende fietsende kunstminnaars. Sommigen met paraplu, anderen met een stevige Agu-regenjas. Alsof het niet regent. Alsof het niet koud is. Ze fietsen van Eenumerhoogte naar Leermens naar Godlinze via Zeerijp naar … Ik weet het niet. Maar pal boven die eenzame containers met hun eenzame gastvrouwen en gastheren gaat de zon weer schijnen.

%d bloggers liken dit: