Wilt u mijn moeder zijn?

Onlangs overleed mijn tante Corrie Sorgdrager. Ik was niet bij haar begrafenis. Plicht en afstand, twee barrières. Ik was er wel bij toen haar man, oom Dirk, werd begraven in de Grote Kerk van Westzaan. Mijn vader had een toespraakje geschreven maar kon het niet uitspreken. Te geëmotioneerd. Ik geloof dat tante Alie het heeft voorgelezen.

Het ging over vroeger. Over de oorlog. Allicht. Hoe de grote broers Henk, Jan en Dirk naar Duitsland moesten.

Het ging over veel vroeger. Hoe Dirk en Jan – twee Amsterdamse straatjochies – de roltrap van de Bijenkorf wilden proberen. Maar ze mochten er niet in zonder begeleiding. En dus gingen ze buiten bij de ingang staan en vroegen ze aan vreemde dames: ‘Mevrouw, wilt u mijn moeder zijn?’

En nu zijn ze zijn allebei overleden. En nu dus ook tante Corrie. Ze hadden weinig  contact met elkaar, mijn vader en zijn broers. Wonderlijk dat het zo loopt. Eert uw vader en uw moeder. Eert uw broers en zussen. Eert uw familie. Neem ik mezelf voor.

Telefoon

We zijn weer thuis, Lasse en ik. Ik moest vanmorgen 14 cursisten in anderhalf uur leren hoe ze vlot en wervend kunnen schrijven. Maar nadat ik dat gedaan had, kon ik dan eindelijk Lasse halen van de crèche. Met een lege kinderwagen ging ik die kant op. Ik had me zorgen gemaakt over hoe men me bekijkt: een oudere man met een lege kinderwagen, maar geen haan die ernaar kraaide. Gewoon is gewoon als je het gewoon vindt.

Nu ligt-ie op de vloer op het kleed met zijn telefoon te spelen. Een Fischer Price telefoon uit 1900. Een gekleurd plastic geval met een draaischijf en een hoorn. En een draadje om hem aan voort te trekken. Het is vooral dat draadje waar Lasse zich om bekommert. Een plastic draadje waar je heerlijk je nieuwe tandjes in kunt zetten.

Het zal me benieuwen wanneer hij in de gaten krijgt dat de moderne telefoon draadloos is. Ik denk niet dat hij belang heeft bij zo’n ding.

Nu is hij van het kleed gedraaid, telefoon naast zich, handen op de grond en het hoofd omhoog. Hij kijkt eens rond, brabbelt in de hoorn. Waar gaan we naar toe en hoe doen we dat? Rollend, voorlopig.

De orgelman gaat door

Aan de overkant krijgt over een minuut of wat Dr Ban Ki-moon een eredoctoraat van en bij de Rijksuniversiteit Groningen vanwege zijn jarenlange inzet voor “een mondiale aanpak van de opwarming van de aarde”. Om ons in de stemming te brengen beiert het carillon een keur aan bekende deuntjes. Ik moet denken aan de orgelimprovisatie na de preek in de kerk in Veenendaal. Een eindeloze preek, een eindeloze improvisatie. Alsof de organist ons wilde zeggen: ‘Nu ik!’ Je hoorde flarden van melodieën langskomen, en je dacht ‘Jan Hessels Mulder, stop nu’.

Maar dat doet hij niet. De dominee is gaan zitten. De gemeente wacht rustig af. Het is zondag, we hebben de tijd. Maar bij mijn vader groeit de ergernis zichtbaar. We zijn hier niet voor de organist. Elders in de kerk begint iemand te kuchen. Voeten schuifelen, ruggen worden gerecht, billen worden herschikt. Moeders overwegen om nog maar een pepermuntje uit het zondagse handtasje te peuteren. Nu begint ook de dominee te kuchen. De ouderling van dienst kijkt ostentatief naar boven, maar de orgelman is in trance en gaat door. Door. Door.

Dan daalt er een soort vertraging in het spel en lijkt het orgel even adem te halen om vervolgens met enkele klaroenstoten de gemeente wakker te schudden. Een ademloze stilte hangt boven de banken. Een verdwaalde zonnestraal piept door het glas-in-loodraam. Verwachtingsvol schikken we het liedboek nog even op zoek naar een optimale afstand tussen oog en handen. Jan Hessels Mulder rekt het moment tot aan ondraaglijkheid om juist als we het liedboek maar weer weg willen leggen de eerste tonen aan te heffen van het lied in kwestie. De opluchting die zich over de kerk verspreidt is onmetelijk.

Hier en nu heeft de beiaardier het sein ‘stop’ gekregen en is braver. De stilte daalt over het kerkhof. De plechtigheid is begonnen. Maar net op tijd. Het is weer een ongewoon mooie, veel te prachtige oktoberdag. Ban Ki-moon moet aan de slag.

Op de foto de Brugkerk in Veenendaal, foto: André van Dijk

Klungel, rommel, rotzooi

In de Volkskrant schreef Julien Althuisius een artikel over de hang  naar efficiency. Bijvoorbeeld bij het koken. Het moet allemaal handiger, slimmer, sneller. Althuisius bestrijdt dat.

Zijn betoog is me uit het hart gegrepen. Het eindigt als volgt:

Het cliché dat de reis belangrijker is dan de bestemming gaat ook op voor koken. Klungel, rommel, rotzooi, verkwist, vloek, tier, smijt, kwak, mors, hak, wanhoop en geniet. Doe het alleen, met vrienden of samen met je kinderen. Maak er een puinhoop van. Wees niet bang voor mislukking. En wat je ook doet, wees vooral niet efficiënt.

Er schuilt veel waars in zijn betoog. En het geldt wat mij betreft niet alleen voor koken. Het geldt voor carrièreplanning. Het geldt voor de opvoeding. Het geldt – tot een zekere leeftijd – voor de liefde. De hang naar efficiency doodt het experiment en dus ook het onverwachte. Maak er een puinhoop van. Voorkom wel dat anderen onder het puin terecht komen.

Terug naar Utrecht

Ze werd 60 en vierde het. In Utrecht, in onze studiestad. Er waren zo’n 50 mensen en ik kende hen. Althans, de meeste. Althans, ooit. In ieder geval even. Het was geen reünie voor mij. Met de meeste aanwezigen had ik in al die jaren hooguit een paar woorden gewisseld. Bij een eerdere verjaardag. Bij de begrafenis van haar vader. Bij de promotie. Bij de oratie. Bij de volgende oratie. Bij toeval.

Maar er was veel overlap. We hebben vrijwel allemaal in Utrecht gestudeerd. We zijn er vrijwel allemaal 20 geweest. We gingen allemaal aan het werk en zwierven  uit over het land en verder. Veel van ons kregen kinderen. We werden vrijwel allemaal ouder en ouder en naderen de 60 of waren stiekem die mijlpaal al gepasseerd. Maar hier en nu, in dit feestelijke restaurant, op deze warmste zaterdagavond in oktober ooit, waren we weer 20. Of we elkaar nou ooit kenden, kennen of niet meer, we konden weer samen feest vieren. Eigenlijk was het belangrijkste verschil dat we nu wél met mensen konden praten die lid waren geweest van het Corps of de UVSV. En dat we om 18.00 uur begonnen en om 22.30 uur naar huis gingen. Met de auto.

Toen we thuis kwamen, het was inmiddels zondag, troffen we de keuken in een toestand die mijn vader als “licht wanordelijk” zou hebben aangeduid. Mijn Antwerpse zoon, die hier tijdelijk voor werk is, had van de gelegenheid gebruik gemaakt om wat studievrienden uit Stad uit te nodigen. Hoe konden we daar bezwaar tegen hebben?

Nog twee zuidelijker dagen

Herfstdag

Heer: het is tijd. De zomer was zeer groots.
Leg op de zonnewijzers thans uw schaduw,
en stel de velden aan de winden bloot.

Beveel de laatste vruchten rijp te zijn;
verleen hun nog twee zuidelijker dagen,
stuw hen naar de voleinding, Heer, en jaag
de laatste zoetheid in de zware wijn.

Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer.
Wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven,
in lanen rusteloos dwalen, telkens weer,
als op de wind de blaren zullen drijven.

R.M. Rilke (1875 – 1926), vertaling Anton Korteweg (1944)

Het origineel (in het Duits) vind je hier, met een korte toelichting op de vertaling van Korteweg zelf.

Gebarentaal

Morgen (12 oktober 2018) houdt Onno Crasborn zijn oratie. Hij is hoogleraar Nederlandse Gebarentaal aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij pleit voor meer aandacht voor gebarentaal. Om te beginnen morgen. Ik juich het toe.

Zijn vader en moeder gebruiken in de communicatie met onze Lasse een heel klein beetje gebarentaal. Niet omdat-ie doof is of omdat zij doof zijn maar omdat het een waardevolle aanvulling kan zijn op de communicatie tussen mensen. Ik denk dat sommige gebaren als het ware al deel uitmaken van ons communicatie-orgaan, ons taalcentrum.

Als ik schrijf, de handen aan het toetsenbord, de ogen afwisselend gericht op het scherm en op de toetsen, en mijn getyp even stilvalt, zie ik plots hoe ik mijn handen omdraai, de rug van de handen naar de tafel, en de vingers naar het hart wijzen. En hoe mijn vingers vervolgens richting het scherm gaan wijzen, de duimen omhoog en zich vervolgens voorwaarts spreiden. Ik schrijf. Ik gebaar. Ik typ. Het is één activiteit. Dat gebaren aan dat toetsenbord is onderdeel van de poging me te uiten.

Wie filmpjes ziet waarin gebarentaal wordt gebruikt, ziet ook hoe dat gebaren gepaard gaan met expressie. De uitdrukking van de ogen, de wenkbrauwen en de mondhoeken maken deel uit van de communicatie. Taal zit in ons lijf.

Dat brengt me bij de belangrijkste reden: het is zo leuk om dat gebaren te zien en te merken dat je er echt wat van kunt volgen. Het is zo leuk om te ontdekken hoeveel gebaren en mimiek je al gebruikt.

Ik kreeg een boekje bij Lasse met de belangrijkste gebaren en ken zodoende een paar gebaren. Spelen bijvoorbeeld en boekje lezen en eten en lekker en meer en op. Ik probeer ze te gebruiken. Helemaal op één level zitten we nog niet. Zeker het gebaar voor op, hoe duidelijk ook, lijkt hij niet te vatten.

https://www.gebarentaalinelkklaslokaal.nl