Fijne verjaardag

Het was een fijne dag gisteren. Dat moet wat te maken hebben gehad met al die wensen die mijn vrouw werden toegewenst. Ik opereer een leven lang in haar slipstream en profiteerde volop.

Vroeger kreeg je kaarten op je verjaardag. Nu app’jes. En een kaart. Ik ben zo vrij die kaart vrijwel in zijn geheel te citeren: ‘Van harte gefeliciteerd. Heb een leuke dag.’ De auteur is Hollands van geboorte. Het is een fijne kaart die ik zomaar zelf geschreven zou kunnen hebben.

Mag ik u nu wat teksten voorleggen van jongelui uit Chili, Griekenland, Italië, India, Colombia en Polen?

We hope this day brings you a lot of happiness, love and warmth. Let’s continue to do great science and make good memories together ….

En:

Happy happy birthday. We wish you a lovely day! May this new year bring more happiness ans lots of love.

Of:

I wish you a very happy and fun-filled birthday and hope all your birthday wishes and dreams come true.

Of

A very happy birthday!! Wishing you a day filled with happiness and a year filled with joy.

Een Poolse schreef ten slotte deze wens:

Fijne verjaardag. Proost!

Zij woont al zeker 15 jaar in Nederland. Maar dat begreep u al.

Ik nam me voor om mijn verjaardagswensen iets bloemrijker aan te zetten.

 

Kruisbessen gezocht

In Leermens, ach ja Leermens, groeide ons het fruit boven het hoofd. Vaak letterlijk. Bij de perenboom, de pruimenboom en de walnotenboom moest je soms op je hoede zijn! Ik had op een gegeven moment 150 potten jam staan. Alles eigen tuin. Die potten zijn over, uit en op. Onlangs kon ik op de Eikemaheerd een paar kilo zwarte bessen plukken en bij Anke een dikke pond rode bessen. Maar de kruisbessen hingen er niet voor de burgerpluk.

Je kunt ze op de markt kopen. Maar zo werkt het niet. Hou je van ananasjam, dan heb je geen keuze. Maar je moet in het leven als het even kan zelf je bessen plukken. Bovendien, fruit plukken is zo ongeveer het fijnste karweitje dat ik ken. Die hoorn des overvloeds, al dat rode, paarse en groene goud dat daar zomaar hangt, dat heerlijke vooruitzicht van al die borrelende pannen, die rij lege jampotten strak in gelid, die klik in de pot als de jam afkoelt en de pot zich vacuüm zuigt, klaar voor jaren jamgenot. Ja, zet mij voor een volle rijpe struik bessen en ik word een rijke bramenplukker.

De kruisbes is de ideale bes voor jam, zeker samen met z’n bittere vriend de zwarte bes. Ze hebben gemene doorns en veel valse scheuten. In de loop van de jaren leerde ik ze plukken: stevige handschoenen, van onderen beginnen en per tak werken. En niet te vroeg plukken. Laat ze rijpen, bezwoer ik mezelf, geef ze tijd. Vaak kon ik ze pas na onze vakantie plukken.

Vorig jaar hadden we nog jam uit Leermens. Dit jaar is alles anders. Die jam is op en niet alleen gaan we heel laat op vakantie, de bessen zijn er ook nog eens erg vroeg bij.

Mijn vrouw is vandaag jarig. U kunt haar blij maken: heeft u struiken kruisbessen die u niet gebruikt? Laat het ons weten. U hoeft ze niet in te pakken, we plukken ze graag zelf.

Bach in de Der Aa-kerk

Met precies 98 andere bevoorrechten mochten wij afgelopen zaterdagavond naar de Der Aa-kerk in Groningen waar Hannes Minnaar de Goldberg-variaties van Bach speelde. We kenden het stuk goed van de lp die Glen Gould ooit maakte en wij grijs draaiden, eind jaren 80. Dat hummetje onder de baslijn! De lp heeft een nare tik en we kochten de cd van Marcel Worms toen hij de eerste 16 variaties speelde in het koetshuis van Ekenstein op een zomerse middag, bij ‘Terug naar het begin’. Maar op die cd staat ook een opname van Metamorphosis, een wonderschoon stuk van Philip Glass dat het meestal wint van Bach. Kortom: we hadden de Goldberg-vartiaties al heel lang niet meer gehoord.

Het was onvergetelijk. Dat deed Bach. Dat deed Minnaar. Dat deed de kerk.

We zaten slecht. We keken Minnaar op de rug. We zaten geweldig. We keken uit op de enorme ramen in de westmuur.

Toen hij om kwart over 8 begon met een prelude, begon buiten tegenover ons de zon te dalen. Na al die regen en al dat grauw was de hemel eindelijk strakblauw. Het licht scheen door de duizenden ruitjes in de hoge ramen, de kerk baadde in het late avondlicht. Naarmate de avond vorderde en de zon daalde, kreeg het zonlicht minder vat op de ramen. Dat begon bij de onderste ruiten. Het licht werd daar kleurlozer. Maar doordat de zon lager kwam te staan werd het licht door de hoge ruiten juist uitbundiger. Het was de muziek van Bach, de kleuren parelden door de hoge ruiten tegen het gewelfde plafond. Een lichtshow van de Rolling Stones stak er bleek bij af. Steeds minder kleur in de lage ruiten, steeds meer kleur in de hoge. En toen Minnaar de laatste variatie inzette, verdween ook het laatste beetje kleur uit de hoge ramen en van het plafond.

Minnaar verdween. De kerk stroomde leeg. Op ons kerkhof speelde de toren voor de laatste keer die dag psalm 133.

Een attractie

Nu het zomer is, de economie weer aantrekt en horecabezoek weer mag, is het een stuk drukker op ons kerkhofje en onze stoep. Soms weet je gewoon niet waar je naar moet kijken. Dat wordt nog lastiger met de televisie aan. Die staat in ons geval namelijk voor het raam. Terwijl we de actualiteiten van nu kijken, zien we ook een stel boksende jongemannen op het gras alsmede een bruid en bruidegom die op de foto willen met de Martinitoren op de achtergrond, een waarschijnlijk juist gepromoveerde doctor met zijn gevolg op weg naar het restaurant en/of een Maserati die parkeert naast de geparkeerde rode autootjes van Stadsbeheer die controleren of er niemand parkeert, ik bedoel: het is bij tijd en wijle een drukte van belang.

Daar komt bij dat wijzelf ook een attractie zijn. Voorbijgangers op het Martinikerkhof moeten het qua huizenbinnenkijken doen met veel vitrage en kantoor. En dan is daar opeens ons huisje. Ruiten worden schermen.

‘Hé,’ zie je de mensen denken. Ze houden even de pas in of gaan er zelfs even goed voor staan. Eerst is er de tulpenvaas. Dan kijken ze wat verder de diepte in, richting de tuin. Dan bekijken ze de rest van de ruimte, de neus tegen de ruiten.

Wij zitten op de bank en kijken tv. Ieder een dekentje op schoot of bij barre weersomstandigheden om de schouder en op schoot.

De reacties verschillen. De mensen schrikken en lopen gauw door. Anderen groeten even en lopen door. Een enkeling bluft zich erdoorheen. Die doen net alsof we er niet zijn en blijven ostentatief nog even staan. ‘Ik heb hier recht op’ stralen ze uit.

Ik zwaai dan vaak even. Ze zwaaien nooit terug. Soms denk ik wel eens: het wordt wel erg druk. Moeten we niet óók aan de vitrage?

De stang

Straks – als een klus geklaard is – ga ik het nieuwe kinderzitje halen dat we besteld hebben. Het oude Bobikezitje is nog prima. Toch wil ik een nieuw zitje. Om reden dat we laatst dat ongelukje in het Stadspark hadden.

Dat ongelukje liep met een sisser af. We zochten een picknickplek en dachten die te hebben gevonden bij een boomstam op een stil en lommerrijk plekje, ver van de gekmakende drukte elders. Maar ik heb een herenfiets.

Ooit heeft iemand bedacht dat mannenfietsen met een stang tussen de benen uitgerust moeten worden. Als er nou één geslacht is waarvan de leden moeite hebben met een ruime en royale zwaai van het rechterbeen achterwaarts over het zadel, is dat het mannelijke. Laat dat nou mijn geslacht zijn! Ooit wilde het allemaal nog wel maar in de loop der jaren verwerd mijn koninklijke zwaai echter tot een wat benauwd minizwaaitje en nu m’n kleine kleinzoon niet zo klein meer is, bleek dat minizwaaitje niet voldoende.

Daar stonden we. Ik op mijn linkerbeen, de handen aan het stuur, het rechterbeen vast in de ruimte tussen kleinzoon en zadel. Het onvermijdelijke bleek onvermijdelijk.

Nog steeds schrikken de dieren in het Stadspark af en toe ’s nachts wakker als ze in hun droom weer die ijselijke kreet horen die onze Lasse toen slaakte. Wees gerust, er was niets aan de hand. We vielen niet, we neigden,  en die neiging zette zich door in een tijdelijk verlies van mijn balans waarop we met een zekere versnelling de grond raakten die ons warm en ruimhartig opving, Lasse veilig geborgen door zijn stoeltje. We zetten ons op de boomstam en met een doosje rozijntjes kwam alles weer goed.

De dagen daarna oefende ik in stilte in de schuur op de zwaai bij het af- en opstappen. Maar ik ben gewoon een wat stramme man. Ik moet dat niet willen met zo’n heerlijk jongetje achterop. En zo komt het. Voortaan gebruiken we de fiets van oma. Het oude Bobikezitje past daar niet op. Iemand nog belang bij een zitje?