Oenothera Missouriensis

Vanmorgen vroeg had ik een afspraak met Jan en Dinie. Een vreemde gewaarwording. Mijn ouders heten Jan en Dinie en zijn overleden. Toen ik Jan en Dinie sprak kon ik het niet laten om het te benoemen: ze zaten daar zo knus naast elkaar aan tafel, samen bij de laptop.

Mijn Jan en Dinie waren bijna 60 jaar getrouwd. Mijn Jan en Dinie, ik mis ze.

Nadat mijn moeder (afgelopen zondag 7 jaar geleden) overleden was, werd ik vaak overvallen door de impuls om haar even te bellen. Mijn ouders konden zich enorm verheugen in andermans geluk. Als de Oenothera Missouriensis in bloei stond, bijvoorbeeld, of als de jongetjes een succes hadden beleefd. Míjn jongetjes.

Nu mijn jongetjes groot zijn en kinderen hebben of krijgen, zou ik m’n ouders erg blij maken met berichten over hun achterkleinkinderen. Over de ovenwekker die weer op de meest onverwachte momenten piept. Over de buikgriep. Over beer en de toverstokken. Over hoe Vestdijks ‘De zieke mens in de literatuur’ helaas niet helemaal ongeschonden achterbleef na de laatste logeerpartij. Nog steeds denk ik geregeld: ‘Even bellen’.

Die andere Jan en Dinie wisten zich niet zo goed raad met mijn bekentenis. Zij at haar broodje en daarmee was iedere gelijkenis met mijn ouders weg. Mijn moeder kreeg ’s morgens geen hap door haar keel.

Naar school

We moesten naar het ziekenhuis. Wie ons liefheeft hoeft zich totaal geen zorgen te maken. Niks aan de hand, het is de knie, en die is eigenlijk ook dik in orde. Maar het bracht ons ’s morgens om 8.02 in de bus. De middelbarescholierenbus.

Zij was vrij groot voor haar leeftijd, hij vrij klein. Ze stonden pal tegenover elkaar, hij hield met zijn linkerhand de stang vast, zij met haar rechterhand. Die handen zochten elkaar op. Het was een fascinerend spel. Ze raakten ze elkaar even, ze verwijderden ze zich van elkaar.  Ze naderden elkaar. Een hand spreidde zich, een andere hand ook. En hij sloot zich. En weg was hij en weg was zij en daar waren ze weer samen. Het ging gepaard luid gekwetter over niks. Haar boezempje op zijn ooghoogte.

Even had ik medelijden met hem. Maar dat was misschien de man die wist wat de jongen nog allemaal te wachten stond.

Een tientje

Die foto gisteren, die maakte ik voor mijn beide zonen. Ze stonden tijdens zomervakanties in Frankrijk menigmaal met hun neus tegen de etalages van Franse Zwitsersezakmessenwinkels gedrukt. Met in de zak een tientje. Weet je nog?

Daags voor de grotezomervakanties kregen ze allebei van mijn ouders een tientje. Altijd. Steevast. Tien gulden. Een vermogen in de zak van de een, een habbekrats in het knuistje van de ander. Ach, wat hebben mijn vrouw en ik dat jaarlijkse tientje vervloekt. Want waar de een niet wist hoe snel hij het stuk moest slaan, daar wist de ander van pure keuzestress niet waar hij het aan moest uitgeven. De een kocht er op de eerste dag een niemendal voor, de ander op de laatste dag chocola want hij had eerder niet kunnen kiezen uit een een voetbalshirt, een vlieger, een zakmes of iets anders. En dan, wat kreeg je voor tien guldens? De een was verdrietig omdat het geld alweer op was, de ander omdat hij er achteraf gezien toch liever iets anders voor had gekocht dan Toblerone.

Wij hebben overwogen om aan mijn ouders te vragen dat geld niet meer beschikbaar te stellen. Maar het hoorde bij vakantie en misschien was het goed voor hun financiële opvoeding. Als ik heel eerlijk ben: ik geloof dat er niet zo veel is veranderd. Of ze er nog over in huilen uitbarsten, dat geloof ik dan weer niet.

Op de foto (eigen maaksel) een souvenirwinkel in Zweden. Met, hé bekende gezichten.

Een man zonder plan

De badkamer was schoon en ik ruimde tot slot wat boeken op die in de slaapkamer beland waren maar zich daar niet thuis voelden. Ze wilden naar boven, naar de kast die niet op alfabetische volgorde staat met Nescio, Snijders, Wigman, Salter en Kouwenaar en Kopland en Nader tot U en ik begreep dat wel. Zo belandde ik boven en op een gegeven moment merkte ik dat ik achter de computer zat.

Maar wat ging ik dan doen met die computer? Werkelijk waar, ik had een plan toen ik er aan ging zitten.

Ik klikte op de fotomap maar dat hielp niet. Hoewel. Even later dwaalde ik door Franse stadjes, Griekse vergezichten en de woestijn bij Ouarzazate. Al die duizenden vakantiefoto’s. Is vakantie dan echt het belangrijkste in mijn leven? Allerminst. Ik ruimde daarom wat foto’s op. Foto’s waarvan ik werkelijk waar niet meer wist waarom ik ze had gemaakt of die ik in meervoud had gemaakt. 25 foto’s verdwenen. Waaronder 2 foto’s van een etalage met zakmessen. Ruim 12.000 bleven over. Maar waarom zat ik er?

Van mijn plan daagde me nog steeds niet. Tot ik weer bijna beneden was.

Neem de tijd

De derde wet van Wout luidt: ‘Wie ‘even’ zegt, weet beter.’

Ik schoof online aan bij een overleg tussen enkele ambtenaren. Mijn rol was tamelijk passief. Het ging over een voor mij nieuw beleidsterrein, mij paste terughoudendheid. Ik luisterde. En turfde ‘even’. Dat gebeurde haast vanzelf. Ik heb in de loop der jaren een allergie ontwikkeld voor het woord ‘even’.

Na 10 minuten stopte ik. Het leidde me te  veel af. Alles ging even, moest even of zou even gedaan moeten worden. Maar de dingen gaan niet even. De dingen hebben recht op hun tijd, de dingen hebben tijd nodig. En wie ze die tijd niet gunt, misgunt ze een kans. Even overleggen, even kortsluiten, even sonderen, even een telefoontje, even navragen, even aanschuiven, even een afspraak inschieten, even in de week leggen, even. En telkens ging het om communicatie.

‘Nee,’ wilde ik roepen, ‘nee! Wil minder, doe minder, en geef de communicatie de aandacht die het verdient. Hoezo ‘even’? Neem de tijd!’ Maar ja, dat zei ik niet. Wel verstoutte ik mij na afloop vast te stellen dat de overleggen telkens halve uurtjes tussen de bedrijven lijken te  zijn. Wat zijn dan de bedrijven?

M’n eerste twee wetten ben ik vergeten.

De zin van het leven

 ’t Eenigste wat me spijt is dat je op Walcheren niet eens af en toe een relletje hebt.

We schrijven (uit mijn hoofd) 1914 en de Uitvreter vergelijkt de Zeeuwen met het welwillende Hollandsche beschaafde publiek. Tja. Een relletje.

Hier aan ons verstilde hofje klonk gisterenavond laat vanaf de Grote Markt een megafoon:

Attentie attentie hier spreekt de politie. Verwijder u onmiddellijk anders wordt u aangehouden.

Een avondje lekker rellen. Het was kennelijk in 1914 een aangenaam verzetje. Het is opnieuw een aangenaam verzetje.

We wandelden bij het Hemrik. Een tiental Shetlanders stond wezenloos wat voor zich uit te kijken. Ik vroeg hen naar de zin van het leven. Ze wisten het niet. Ik vroeg hen naar de zin van hun leven. Ze twijfelden. ‘Een relletje misschien?’ opperde er een.

%d bloggers liken dit: