Kermis in Stad

Er is kermis in Stad. Het is kermis in Stad.

We namen vrijdag voorzichtig een kijkje, ik en de jongetjes. Grote kleinzoon wilde per se in het spookhuis. Ik legde -schreeuwend in zijn oor, de herrie was oorverdovend –  uit dat zoiets echt alleen voor grote mensen was. Hij legde zich erbij neer. Ergens ook wel opgelucht.

Maar zondagmiddag gingen we met de hele familie. Gezessen. Ditmaal naar de kinderkermis. Ook daar was de herrie oorverdovend maar de attracties waren haalbaarder. En zo ging grote kleinzoon met moeder in de draaimolen. En even later met vader en moeder en kleine broer in de trein. De draaimolen die ook nog op en neer gaat dorst hij bij nader inzien niet in. Op de Vismarkt gingen ze nog in een soort van roetsjbaan per jeep dwars door de jungle, ook dit weer begeleid door die daverende dreun en oorverdovende herrie.

Weer veilig thuis aan ons verstilde hofje speelde de kleine O vredig in de zandbak en lazen grote broer en ik Otje. Ik in de stoel, hij aan de rand van de zandbak, dus zonder plaatjes. We dronken een glas en aten neppe gehaktballetjes met rijst en groenten.

’s Avonds in bed klonk er door de open balkondeur het snerpende gegil van de meisjes die op 65 meter hoogte over de kop buitelden alvorens een vrije val te maken met de Airborne. Een jankende sirene overstemde de dreun.Ik viel als een blok in slaap. Het was vrede.

Er is kermis in Stad. Het is kermis in Stad.

Familie

‘Familie duurt een mensenleven lang.’ Oom Wolther citeerde gisteren Gerrit Achterberg bij de 90e verjaardag van zijn zus en mijn tante Jannie. Ze hadden natuurlijk gelijk, Achterberg en oom Wolther. En toch, in mijn geval moet ik een kanttekening plaatsen. Ik grossier in tientallen echt waar enorm leuke neven, nichten, ooms, tantes, aangetrouwde achternichten en -neven aan de Kassies-kant. We zagen elkaar eergisteren. Wat waren we vertrouwd. Soms lijken we sprekend op elkaar, soms spreken we hetzelfde, en vrijwel altijd is er die oerverwantschap die familie nu eenmaal kenmerkt. Maar. Ik weet gewoon niet wie wie is en wat we van elkaar zijn. Ja, de gastvrouw kende ik. Ze zag er ontzettend vief en jarig uit. Maar bij veel anderen tastte ik ernstig in het duister. Met vreemde mensen praat ik niet dus ik vroeg hen wie ze waren. Licht verwijtend keek men mij dan aan. Ik ben … en ik ben in 1963 nog bij jullie thuis in Geuzenveld geweest. Ik ben je nicht … kijk dan, die rode haren … En even later stond ik weer te repeteren. En moest ik toch weer mezelf bekennen dat de namen mij ontschoten waren. ‘Familie duurt een mensenleven lang’, dat kan waar zijn. Maar de namen gaan bij mij een stuk minder lang mee. Bij Jannies honderdste verjaardag vraag ik het organiserend comité om naambordjes. Of maak ik het Kassies-kwartet na dat mijn vader ooit gemaakt schijnt te hebben. Kennelijk viel het hem ook niet makkelijk.

We maakten na de lunch een tramreisje door Amsterdam. Daarna sloop ik ertussenuit. Ik wilde ook nog even Loesje kijken en mijn vrouw van de trein halen. Noem het de lokroep van de sirenen. Van iedereen afscheid nemen dorst ik niet. Wat als ze me zouden vragen wie ze waren.

Op de foto een bordje in de tram.

De laatste tulpen

Het is ieder jaar een moment. Een pijnlijk moment. Ik ging naar de bloemenkraam die zaterdag nog vol stond met tulpen. Ik ging voor tulpen. In de tuin bloeien ze uitbundig. In de bloemenkraam waren ze weg. Verdwenen. De bloemenkraammeneer haalde wat schuldbewust zijn schouders op.

‘Is het weer zover?’ zei ik.
‘Het is weer zover’ zei hij.

Schaarste

Bijzonder. Op m’n oude dag krijg ik het nog druk. Met werk. Er waren de afgelopen 20 jaar best veel momenten dat ik me een zzp’er teveel voelde. Boventallig. Overbodig. Overtollig. Nu – aan de vooravond van een vakantie – merk ik dat Nederland geen zonnebloemoliecrisis heeft maar een tekstschrijverscrisis.

Net nu. Zat ik ooit om werk verlegen, zocht ik ooit de rechtvaardiging van mijn bestaan, nu denk ik vaak toch even, ach, laat ook maar, ’t is klaar, het is gedaan. Al dat werk, het is toch eigenlijk gewoon jammer van je tijd?

Op mijn facturen schreef ik vroeger ‘voor u gewerkte uren’. Binnenkort verander ik dat. Dan schrijf ik: ‘Door u gederfde uren.’ En dan verhoog ik ook mijn tarieven.

Op leeftijd

We waren gisteren bij de Kleine Plantage. Nog een keer. We komen er al 30 jaar. We kopen er onze tuinplanten. We kochten er onze tuinstoelen. Onze tuintafel. Maar vooral – we dwaalden er door de prachtige tuinen en genoten van schitterende borders en van de prachtige doorkijkjes over het Groninger land. En nu stoppen ze. Althans, op 30 juni. Ze zijn op leeftijd.

Zo jammer. Maar aan alles komt een eind, verried een van de eigenaren. Hij pinkte geen traan weg. Wij begrepen het wel. Maar het zet je wel aan het denken. Er zijn een hoop mensen uit ons leven verdwenen die jarenlang dingen voor ons deden of die ons dingen verkochten. Onze tandarts, de dameskledingwinkel, de schilder, de lampenwinkel, en meer en meer. Gewoon, omdat ze klaar waren. Omdat ze stopten. Omdat ze op leeftijd waren.

Wij kwamen thuis met planten voor de nieuwe border tegen de schuur. Een stukje van 3 meter bij gemiddeld zo’n 60 centimeter. De tegels moesten eruit. De grond eronder in vuilniszakken afgevoerd. Nieuwe grond erin. Planten erin. Ik was z0ndagmiddag gevloerd, geradbraakt alsmede uitgeteld. Even gingen mijn gedachten terug naar Leermens, jaren 90. Ik draaide mijn hand niet om voor zo’n stukje van anderhalve vierkante meter. Ik was nog niet op leeftijd.

Zelf kijken? Dat kan nog tot 1 juli 2022

Het verhaal van mijn vader

In 1943 kon mijn vader met zijn Mulo-diploma aan de slag bij de PTT in Amsterdam. Een jaar later verplichtte zijn werkgever hem om naar Duitsland te gaan om daar voor de Duitse PTT te gaan werken. Hij kon kiezen: als hij niet ging, stuurde men zijn vader die ook bij de Post werkte. Hij vertelde dit verhaal aan mij en m’n kleine zus in de zomer van 2006, toen we hem en mijn moeder interviewden over die eerste 25 jaar van hun leven. Dit is zijn verhaal. Ik weet zeker dat hij het mooi zou vinden als anderen het ook eens horen.

Bij de Post

Op mijn 15e begon ik op de melkfabriek. Twee jaar later, in 1943, kon ik bij de PTT aan de slag. De PTT moest drieduizend mensen leveren voor Duitsland. Ze namen dus 3000 mensen aan en stuurden die naar Duitsland. Zo simpel was dat. Maar dat leerde ik pas achteraf

Mijn vader werkte daar ook. Kort na het voltooien van de opleiding werd ik gebeld door de afdeling Personeelszaken. Ik moest daar komen en kreeg te horen dat ik naar Duitsland werd gestuurd. En er werd bij gezegd: “En denk erom, als je onderduikt nemen we je vader.” Zo was het dus. De tragiek is – ik maak even een sprong in de tijd- dat er lange tijd sprake van is geweest dat de Duitse regering aan dwangarbeiders een bedrag zou uitkeren. Ik heb dat toen ook aangevraagd. Daartoe moest ik bewijzen dat ik in Duitsland geweest was. Maar hoe doe je dat? Het paspoort waar in stond dat ik Neustrelitz mocht verblijven was ik kwijt. Ik heb toen de PTT gevraagd om papieren. Mijn ‘staat van dienst’ bleek in het Postmuseum te liggen. Toen deze na lange tijd boven water kwam, stonden er de kleinste dingen in maar over die uitzending naar Duitsland stond geen letter. Er ontbreekt gewoon een jaar. Mijn aanvraag is met vele anderen afgewezen. Tja, er was een algemene arbeidsplicht. Ik was 17 dus ja …  Maar er waren tal van uitzonderingen. Als ik de HBS had gedaan, had ik niet gehoeven.

Neustrelitz

Mijn vader en moeder brachten mij naar de trein. Dat was heel schrijnend. Ik was 18. De reis duurde tot ’s avonds. Ik kwam in Rostock aan. Daar sliepen we. De volgende dag werden wij verdeeld over de postkantoren. Ik kwam terecht in Neustrelitz. Ik had daar een kamer, nou ja, een hok. Daar waren nog drie Nederlandse jongens gehuisvest. En daar moest je het zien te redden. Je kreeg elke week een bonkaart. Je kon daarmee eten kopen en zelf koken maar je kon er ook mee naar een restaurant. Je had daar Mittagtisch. Ik was jong en onbezonnen. Als ik vrijdags die bonkaart had afgehaald was het feest. Er zaten een paar bonnetjes op waarmee je een broodje kon krijgen.’ Hij wijst aan hoe groot: een flinke kadet.  ‘Dan vrat ik dat op, op weg van de bakker naar huis. Ik kan me nog herinneren dat ik thuiskwam en het broodje op was. En dat ik toen terugging en weer een nieuw broodje haalde. Op woensdag was eigenlijk alles op. Ik dacht altijd: op de een of andere manier komt er wel wat. En dat was ook zo.

Om te beginnen was elk restaurant verplicht -bij restaurant moet je je een soort café voorstellen, niets bijzonders- om Stammtisch te geven. Dat waren Pellkartoffeln met misschien een handje groenten erbij. Maar daarvoor moest je wel opschieten. Ik probeerde vaak twee restaurants te halen. Soms lukte dat, als de bediening een beetje vlot was. En je kon ook Kartoffelsuppe krijgen. Dat was eigenlijk best lekker.

Mijn eigen stiekeme oorlog

Ik had op school Duits gehad, ik begreep elk woord. Ik kan me nog herinneren dat een Duitser tegen me zei: ‘Mensch, du verstehst doch Deutsch’ alsof een Hollander zou zeggen, ‘Je verstaat toch wel Nederlands!’ Het was geen vraag maar het was gewoon kritiek. De vanzelfsprekendheid waarmee hij dat zei, was bijzonder.

Ik werkte op de afdeling Pakketpost. Dat was mooi want in die pakketten zaten vaak etenswaren. Ik stal daar als de raven. Als jongen in de groei wil je wel. Ik wist echt wel dat je niet mag stelen maar ik had en heb geen enkel gewetensbezwaar. Tenslotte werd ook mijn vrijheid gestolen. Bovendien, Duitsland en ik waren in oorlog met elkaar… ik voerde daar mijn eigen stiekeme oorlog. Ik moest postpakketten sorteren en gooide ze dan wel eens in de verkeerde hoek. Ze wilden dat ik een Duitse pet droeg met een adelaar erop. Daar brak ik toen één vleugel af. Achteraf slaat de schrik me om m’n hart. Ze sloegen je letterlijk het hoofd eraf als je stal.

Een herinnering: het gebeurde nogal eens dat ik ’s morgens niet gegeten had. Ik werkte op het station. Dan kocht ik in de stationsrestauratie een glas donker bier. Dan had ik niet zo’n hongergevoel. Om 09.00 uur werd er altijd ‘gefrühstuckt’. En dan zaten die weldoorvoede Duitse postambtenaren  – die ook vaak nog een boerderij hadden- brood met spek te eten. Ik moest me bedwingen om dan niet om een boterham te vragen. Dat is me altijd gelukt maar het heeft me veel moeite gekost. En nu nog denk ik dat die mensen niet zulke beroerlingen waren. Het kwam eenvoudig niet bij ze op om te veronderstellen dat ik honger had.

Die tijd in Duitsland, het was een wonderlijke tijd. Ik voelde me in Neustrelitz op de een of andere manier toch wel thuis. Het was haast een stadje uit de negentiende eeuw. Veel bewoners hadden achter hun huis een koe. ’s Ochtends gingen die koeien achterelkaar naar het weiland, buiten de stad. En ’s avonds kwamen ze weer terug. En elke koe wist waar ze woonde en stapte daar uit de rij. Ik vond dat een mooi gezicht. Je hebt daar een heleboel meren. Een daarvan was de Glambeckersee. Aan de overkant stond een postbus. Als je die bus moest legen, moest je helemaal om dat meer heen. Je kon het ook laten en dan had je een kwartier gewonnen. Maar soms stopte de baas er een Steckkarte in. En dan konden ze zien dat ik de bus niet had geleegd. En dan kreeg ik op mijn sodemieter. “In diesen schweren Kriegeszeiten…” Dan moest iedereen zijn plicht doen. Dat was me duidelijk.

Door het oog van de naald

Ik had een soort netwerk van mensen waarmee ik wat kon ruilen. Zo kende ik ook enkele Nederlandse Waffen SS’ers. Ik kwam daar wel in de kazerne. Ik herinner me dat ik er op kerstavond was. De trappen waren ondergekotst door dronken soldaten, de grauwheid en triestheid kwamen op me af. Ik ruilde er wat spullen voor een onderbroek. En dat werd verraden. Op een nacht, ik sliep, stonden er plotseling zes Waffen SS’ers in mijn kamer. Ik moest mijn bed uit en ze zagen onmiddellijk dat ik een onderbroek van de Waffen SS aan had. “Ausziehen”, brulden ze. En daar stond ik, naakt… naakt. En zo voelde ik me ook. Ik ben die nacht door het oog van de naald gekropen want ze gingen op zoek naar andere gestolen spullen. In mijn kast had ik een postpakket staan waarop aan de onderkant het adres stond. Als ze het hadden opgetild was ik dood geweest.

De volgende dag moest ik bij de directeur komen. Hij sprak me ernstig toe maar had ook wel wat begrip. Hij zei iets van “Je had misschien helemaal geen onderbroek.” En dat was ook zo, ik had niets. In die tijd was de oorlog zo’n beetje afgelopen. Mijn zaak viel onder het burgerlijk recht maar die Waffen SS’er kwam voor het militair strafgericht. Ik moest daar getuigen. Ik zie het nog voor me, die hoge militairen. “Ich öffne die Verhandlung.” Ik moest vertellen of hij zich defaitistisch had uitgelaten. Hij vroeg of ik het woord begreep. Ik was er heimelijk een beetje trots op dat ik dat wist: ja dat begreep ik best. En nee, nooit. Niet een defaitistisch woord. Maar goed, hij werd veroordeeld tot Strafeinsatz. Dat betekende dat je een opdracht kreeg waarbij je je doodvocht. De politie was met mijn zaak nog bezig.

Ik wist: ik moet hier wegwezen. Neustrelitz was een stad in chaos, in ontbinding. De Russen kwamen eraan. Ik was daarvóór al ingezet voor het graven van een tankval om de tanks van de Russen tegen te houden. Volkomen knots maar goed. Met een paar mensen hebben we een postkar gejat. Zo’n handkar. We hebben daar onze spullen opgeladen en zijn vertrokken.

De reis naar huis

Ik heb de route niet bijgehouden. Ik had geen idee waar ik zou slapen en wat ik zou eten. Maar ik wist zeker: dit komt helemaal goed. Alles bij elkaar duurde de reis naar huis ruim een maand. Ik kwam op een trein die heel langzaam reed. Hij werd gestookt met hout en dat was op. Mensen moesten hout kappen om de trein weer op gang te helpen. Maar ik merkte wel dat dat niet opschoot en ben weer gaan lopen. Omdat we geen kar meer hadden heb ik mijn spullen toen ergens begraven. Ik dacht in alle ernst dat ik die nog eens kon gaan opgraven. Al die spullen liggen daar dus nog. Ik heb geen idee meer wat het was maar voor mij was het heel waardevol.

Schwerin

We kwamen ergens aan. Het pantseralarm ging: een aanhoudende toon. De situatie was echter zo verward dat je niet wist of er Amerikaanse pantsers aankwamen of Russische. Toen gebeurde er een soort wonder. Ik kwam op het station waar een trein klaar stond (met zoals ik daarna begreep hoge Duitsers die liever niet in handen van de Russen wilden vallen) met achteraan een restauratiewagen. En die werd bemand door een restauranthouder uit Neustrelitz. Ik kende die man goed. Ik had daar vaker gegeten. Hij was een dikke man die niet in dienst hoefde vanwege zijn suikerziekte. Hij hielp me in de trein die meteen vertrok. Met een witte vlag reden we door de Duitse linies naar Schwerin. Toen we daar aankwamen zag ik een Amerikaanse militair. Toen had ik het gevoel: nu ben ik thuis. Een Duitse militair werd krijgsgevangen gemaakt door die Amerikaan. Hij moest zijn bajonet afgeven. “Womit soll ich dann mein Brot schneiden?” Een Duitse soldaat in deze afhankelijkheidspositie! We hadden de oorlog gewonnen!!

Ik wist dat als je de stad in ging, je niet meer kon wegkomen. Er was een kazerne waarin alle buitenlanders werden geconcentreerd. Ik ben uiteindelijk toch maar naar de kazerne gegaan. De Amerikanen hielden er buiten de wacht. Binnen waren de Polen er de baas. Zij regelden er de dingen, niet in hun nadeel. Het was koud en we stookten de kachel met kleerhangers. Er stonden daar rekken met jassen en ander spullen. Daar vond ik een paar laarzen die ik voor mijn vader meenam. Die heb ik nog de hele tocht door Duitsland met me meegesleept. Plotsklaps kwam het bericht dat we allemaal naar de andere kant van de Elbe moesten. Bij het verdrag van Potsdam was geregeld dat de Russen de oostzijde van de Elbe zouden controleren en de Amerikanen de westzijde. En zo werden wij overgedragen door de Amerikanen aan de Engelsen die ons op vrachtwagens hebben geladen en naar Rheine brachten. Dat ligt al in de buurt van Nederland. Daar kwam ik in een echt concentratiekamp terecht. Verschrikkelijk. Er was een gevangenis binnen het kamp. Nieuwe mensen moesten eerst gescreend worden want er hadden zich Waffen SS’ers tussen de vluchtelingen gemengd. Je kon hen herkennen aan de tatoeages onder de oksels. Naar die binnengevangenis vormde zich een rij. Waffen SS’ers die naar de gevangenis werden gebracht, werden geslagen met knuppels. Ik heb een keer meegeslagen. Ik schrok van mezelf. Ik wist niet dat ik het in me had. Ik zal het nooit weer doen maar toen deed ik mee. Dat is toch vreselijk als je dat van jezelf merkt. We kregen daar ’s morgens één brood voor twintig mensen. Dat werd vrij eerlijk verdeeld. En ’s avonds was er soep. Maar die werd onderweg van de keuken naar de barakken geplunderd. Ik ontmoette een Duitse jongen die in de keuken werkte. Hij zei dat als ik me om vier uur ’s nachts in de keuken zou melden, hij me een stuk brood zou geven. Ik sliep daar op stro en het was dus niet zo moeilijk om wakker te blijven. ’s Nachts sloop ik naar de keuken en ja hoor, daar kreeg ik een boterham. Daar heb ik echt honger gehad.

In Nederland

Op een dag werden we in een vrachtwagen geladen en daarmee gingen we naar Nederland. Coevorden. Dat was begin juni 1945. Toen zag je hoe proper Nederland was. In Coevorden werden we eerst ontluisd. Je werd gewoon onder je kleren ingespoten met DDT, ze hadden geen idee wat voor spul het was. Over je haar werd petroleum gegooid en daarover deed men een doek. Dat moest dan 24 uur blijven zitten. Ook je kleren moesten ontluisd worden. Dat gebeurde in de drooginstallatie van een kartonfabriek. Iemand had zijn lucifers in zijn zak laten zitten. Die ontbrandden en alle kleren vlogen in brand. Niet mijn kleren gelukkig. Maar we hadden behalve onze kleren helemaal niets. Die mensen waren dus gewoon helemaal naakt. In zo’n armzalige toestand verkeerden we. Vervolgens werd ik naar Groningen gebracht. Daar kon je met aardappelschillen een extra maaltijd verdienen. Dat deed ik natuurlijk. Ik weet nog goed dat ik een keer nadat ik twee maaltijden had gehad voor het eerst echt genoeg had gegeten.

Van Groningen werden we naar Zwolle gebracht. Daar konden we in een locomotievenloods douchen. Hoe ik daar geslapen heb weet ik niet, maar het was een gribus. Ik zorg zelf wel dat ik thuiskom, dacht ik. En zo liep ik van Zwolle naar Wezep. Daar sliep ik in een politiecel op een stalen matras.

De Reinier Claeszenstraat

Al die tijd had ik die zware laarzen uit Schwerin bij me. Ik had ook een mooie rugzak, met echt bont afgezet zodat het allemaal kurkdroog bleef. Die had ik ook in Schwerin georganiseerd. De volgende dag liep ik naar Harderwijk. Ik meldde me bij het postkantoor. Van daaruit kon ik mee met een legerauto met post naar Utrecht waar ik in een noodhospitaal terecht kwam. Ik sliep daar op een brancard. Van de zuster kreeg ik een witte boterham en het smaakte me als cake. “Eten ze hier in Nederland zo?” vroeg ik me af. De volgende dag werd ik nog aangehouden door een groep BS’ers (binnenlandse strijdkrachten) die zich heel belangrijk voelden. Met hen moest ik nog mee naar de commandant. Daarna kon ik bij het Amsterdam-Rijnkanaal voor een gulden mee met een boot naar Amsterdam. Ik had in Coevorden een voorschot gekregen van 25 gulden. Later is dat uiteraard keurig op mijn salaris in mindering gebracht. In de Amsterdamse haven lagen de opgeblazen kranen, een troosteloze aanblik. En zo stond ik bij het Centraal Station. Daar vandaan liep ik naar de Reinier Claeszenstraat. Ik had al die tijd geen contact met mijn ouders gehad en had mezelf al wel voorgehouden dat mijn moeder wel overleden zou zijn. Maar ik trof alles weer gewoon aan. En ik, sufferd, meldde me onmiddellijk weer bij de PTT en daar werd ik meteen aan het werk gezet.’

Betrekkelijk kort daarna kwamen mijn broers Henk en Dirk terug. Zij waren een tijd onder het Russische bewind geweest. Het was ze niet meegevallen wat ze daar gezien hebben. Daar praatten we niet over met elkaar. Er moest gewerkt worden. Dat was de stemming in Nederland.

En die laarzen? Toen ik ze trots tevoorschijn haalde, zei hij: ‘Maar jongen, daar ben ik toch te veel heer voor.’ Hij trok ze niet aan. Tja, hij realiseerde zich niet dat ik er heel Duitsland mee doorgelopen was.

%d bloggers liken dit: