Hopeloos verloren

Hij schuifelt wat tastend achter zijn vrouw door het plantsoen. Hij woont hier al zo’n 30 jaar maar maakt een hopeloos verloren indruk. En in zekere zin is hij dat ook: hopeloos en verloren. Waar ben ik? Waarom ben ik hier? Hoe kom ik terug? En waar is dat?

Een paar jaar geleden kon hij dat nog maskeren achter een dijk van in de loop der jaren geleerde trucs, protocollen en gewoontes, alles gebaseerd op oprechte charme en belangstelling. Daar is zo op het oog niets meer van over.

Een paar maanden geleden kon hij nog alleen de hond uitlaten. Het beestje was zijn steun en toeverlaat. Hij bracht hem eigenlijk altijd weer thuis. Nu zit dat er niet meer in en moet zijn vrouw mee.

Het is zondagmiddag. Kordaat, misschien af en toe wat kortaangebonden, neemt ze hem op sleeptouw. Zichtbaar moe, zichtbaar verdrietig. Ik weet, het is hun laatste wandeling hier. Vandaag verhuist hij naar een verzorgingshuis. Hij heeft er een mooie ruime kamer, vertelde zijn broer ons. En nee, het hondje kan niet mee.

Opperst geluk

Het is donderdag. Mijn vrouw heeft ’s ochtends een symposium, ik sta er dan alleen voor. Maar het programma voor de ochtend is inmiddels uitontwikkeld en zit robuust in elkaar. De middag is tegenwoordig lastiger omdat Lasse niet meer wil slapen. Maar vorige week heb ik onder de grote eettafel een tent voor hem gemaakt waar hij ging rusten. Dat ging eigenlijk heel goed. Ik zat in de voorkamer en las de krant. Lasse lag achter op zijn kussentjes en luisterde Bert en Ernie op de MyFirstSony. En overdacht het een en ander. Toen Bert en Ernie afgelopen was, was hij nog wakker.

‘Opa, ben je er nog?’
‘Ja lieverd, ik ben er nog hoor.’
‘Ga jij dood?’
‘Nee, nog lang niet. Ga jij nog even lekker liggen.’

Wat later moest ik erbij. En hoe het kwam, ik weet het niet, maar ik zong wat “Ja zuster, nee zuster-liedjes” voor hem. Althans, delen. Want in hun geheel ken ik ze niet meer.

‘Doebie doebie doeb’ was zwaar favoriet. Langzaam daagde me de tekst. Met de oude Jacob liep het niet goed af. Nee, dit was geen  liedje om in zijn geheel voor te dragen, realiseerde ik me. Maar dat was geen punt. ‘Doebie doebie doeb’ was genoeg. Gisteren wilde ik het grote boek uit de kast halen met alle liedjes en gedichten. Een goede voorbereiding is het halve werk. Maar het is weg. Zoek. Kwijt.

‘Je kunt het niet vinden’ zei mijn moeder dan en meestal had ze gelijk. Voorlopig doe ik het wel uit m’n hoofd. En in mijn eigen berijming.

Waar ging het mis tussen ons?

Een beetje medelijden had ik wel. Ze hadden op stadhuis lucifers getrokken. Hij was de sjaak. Hij moest de gemeente vertegenwoordigen in deze bezwaarprocedure. Ze hebben er ongetwijfeld trainingen voor. Hummen, beetje met het hoofd schudden, een aantekening maken zo nu en dan. Hij deed het. Maar hij moest ons teleurstellen bleek na zo’n 20 minuten. Onze bezwaren tegen het hupsakee opheffen van zo’n 60 parkeerplekken, daar kon hij niets mee. Hij was verkeerskundige en hij ging niet over het parkeerbeleid. Dus al die alternatieven en oplossingen en suggesties die 9 weldenkende burgers aandroegen, jammer. Trouwens, zo deelde hij mee, die parkeerplekken, daar had de buurt al inspraak over gehad, 3 jaar geleden.

Hé, opmerkelijk. Er waren 9 bezwaarmakers en geen van hen herinnerde zich iets van een dergelijke procedure. Een parkeerplek hier is best een dingetje namelijk. En als de gemeente er 60 wil schrappen in je directe omgeving en je daarover de mond gunt, dan wéét je dat. Waarschijnlijk heeft het een tijdje op een website gestaan en konden ze in de procedure de vakjes ‘inspraak’ en ‘participatie’ en ‘bewonerscommunicatie’ aanvinken.

Maar de ambtenaar wist het goed gemaakt. Hij wilde het besluit best nog eens toelichten. En desnoods nóg eens. Maar die parkeerplekken gaan weg en die kade wordt voetgangersgebied hoewel hij ook wel begreep dat er maar weinig mensen daar gaan lopen: te hobbelig en op veel plekken te smal, en misschien ook omdat er lichtelementen in de weg staan en bomen en omdat die enorme bussen er pal langs rijden. Wat een baan, zag ik hem denken. Maar ondertussen, ik heb me nog nooit zo rechts gevoeld. Bah.

Wat is nu eigenlijk mijn punt? Het opheffen van die parkeerplekken? Nee. Diep in mijn groenlinkse hartje vind ik dat geen gekke zet. Ja, het is automobilistje pesten maar het dient een doel. Minder blik in Stad. Nee, mijn ergernis betreft de tweespalt tussen de burger en de overheid. We waren er allemaal bij. Dat het onderlinge vertrouwen zo gering is dat het de overheid niet meer gaat om te profiteren van de inzichten van degenen voor wie ze werkt maar om het correct bewandelen van de procedures. Zodat ze niet nat gaat.

Waar ging het mis tussen ons? En vooral, kunnen we het nog goedmaken?

Jong

Ooit, zeg 25 jaar geleden, werkte ik als – tja, als wat? Veranderaar? Communicatie-adviseur? Organisatie-adviseur? Ik heb voor die baan nooit een functie-omschrijving gehad. Maar op de een of andere manier deed ik ook iets met kwaliteitszorg. En zo kwam het dat ik door mijn baas werd uitgedaagd om in Bratislava in een ziekenhuis voor de medische staf en het kader een training kwaliteitszorg te verzorgen. Ik zei ‘ja’. Ik was jong en overmoedig.

Maar ik was nog nooit alleen in het buitenland geweest. Ik had nog nooit alleen gevlogen in een vliegtuig vanaf een luchthaven met gates en deadlines en incheckbalies en boardingpassen en douaniers. Ik was nog nooit alleen in een taxi gestapt om van het ene land naar het andere land te rijden. Ik was jong en hopeloos verloren.

Waarom zei ik ‘ja’? Misschien wel om mijn vrouw te laten zien dat ik het kon. Dat ik het durfde. Zij bereisde in haar eentje de Chinese Volksrepubliek. Zij vloog naar Rusland en verbleef er in een datsja met echte Russen en veel champagne en wodka. Zij reisde potdomme de hele wereld over in haar eentje. Bratislava, hoe moeilijk kan het zijn? Ik was jong en bang.

Nou. Toen ik het hotel zag waar men mij had ondergebracht, wist ik dat het best lastig kon worden. En toen ik de volgende dag met 4 x 200 kartonnen fiches vier teams Slowaakse artsen en managers de principes van kwaliteitszorg ging uitleggen door hen uit te dagen een toren te bouwen, werd die indruk bevestigd. Dat ik dat uiteindelijk toch tot een goed einde bracht … ach, ik was jong en had geen idee. Misschien is dat nou overmoed.

Monumenten

‘Kijk, hier waren de griezelkamers.’ Ze geeft haar kleine zusje een rondleiding in wat tot afgelopen zomer haar school was. Ze is hooguit 8. Ze wijst op een gang met een aantal relatief kleine kamers waar juffen en meesters ongetwijfeld bijles gaven of vergaderden of waar ze zich even in alle rust konden terugtrekken voor een verkwikkend powernapje. Dat laatste zal wel niet de bedoeling zijn geweest. Net zoals de prachtige grote ronde erker die in het schoolplein is gebouwd en sprekend lijkt op een geschutskoepel waarschijnlijk gewoon werd gebruikt als kamer voor de conciërge toen dat beroep nog bestond.

S-J-Boumaschool-buiten

Maar wat een prachtige school is de Siebe Jan Boumaschool. En wat staat-ie angstig leeg. In 1932 werd hij gebouwd. Straks wordt hij een wijkcentrum waar de bewonersorganisatie van de wijk haar intrek neemt, en het bestuur van de speeltuinvereniging en het jongerencentrum van de wijk. Waar je je yogales kunt geven of volgen en misschien wel een cursus Creatief met kurk. Maar het was een school. Het is een school. En nu staat hij leeg.

Een lege school is zo ongeveer het meest triestige gebouw dat je je kunt voorstellen. Je hoort het opgewonden gesnater van al die kinderen. Je ruikt hun zweet, spuug en andere uitscheidingen. Je ziet de slijtsporen in de vloeren en op de deuren. En dan die gapende leegte.

Natuurlijk. Het was Monumentendag en er waren veel grote mensen die er een kijkje kwamen nemen. En buiten speelden wat kinderen. Mijn vertrouwen in de Overheid die boven ons is gesteld, is groot. Er moet een goede reden zijn geweest om hem te sluiten. Maar wat had ik hier graag mijn kleinkinderen – ze wonen er pal bij – op school zien gaan.

Al die schitterende monumenten. We bewaren ze. Terecht! We koesteren ze. Terecht! Maar we hebben vaak geen idee wat we ermee moeten. Nu ligt de bal bij al die bestuurtjes van al die verenigingen en instanties om in dat gebouw al die leegte te vullen. Ik vind het dapper. Een blik op het activiteitenprogramma van het JOP doet me het ergste vermoeden.

Schermafbeelding 2021-09-13 om 09.00.49

Zie over het gebouw de website met alle rijksmonumenten.

Die wijde hemel

Bij een bankje op de hei van de Engbertsdijksvenen stond een paal met in metaal gegraveerd een tekst van Aar van de Werfhorst. U mag het checken: het is ‘Aar’ en niet ‘Aart’. Hij schreef streekromans, leer ik op Wikipedia. Ik had nog nooit van hem gehoord. Maar wat een mooi tekstje.

Had hij er wel goed aan gedaan om deze wildernis voor de mens te ontsluiten? Hij had het land lief omdat z’n leven begon te bloeien toen hij het aanschouwde. Hij had het land lief om zijn weemoed en z’n armoed. Hij had het lief om de geheimen van z’n bodem, de verzonken wereld van planten, bomen en beesten. Hij had het land lief om z’n wijde hemel.

Staatsbosbeheer koos de tekst wellicht vanwege de eerste zin. Het gaat niet van harte, het ontsluiten van dat veengebied. Ik val stil bij de rest. Ja, dat herken ik. Dat je ergens staat en de hemel is er nog ruimer dan het land en wat daar onder schuil gaat. Al die ruimte, al dat licht, al die lucht. En ja, al die geschiedenis.

tekst-van-werfhorst-engbertsdijksvenen

Overigens is die Aar van de Werfhorst wel een figuur om meer van te weten. Hij leefde van 1907 tot 1994. Hij was openlijk homoseksueel en leefde samen met Hein Vos, een PvdA politicus die als enige minister tegen de politionele acties stemde. Over Aar schrijft Wikipedia nog:

Voor het schrijven van zijn boeken zocht Aar van de Werfhorst meestal de eenzaamheid. Hij schreef onder andere in een molen in Hellendoorn en een huisje in Ommen.

Ja, dat herken ik ook.