Weer keert het voorjaar

19 januari was een mijlpaal. 19 januari is een mijlpaal. Het is de verjaardag van mijn moeder. De feestdagen zijn na 19 januari definitief voorbij. Op 19 januari kun je zien dat het langer licht blijft. Op 19 januari begint het voorjaar.

Het waren bezweringen, natuurlijk. We bezwoeren elkaar dat het uiteindelijk goed zou komen. Dat we op de weg terug zijn naar het licht. Dat het ooit voorjaar wordt. En zomer. Dat het licht is als je wakker wordt, dat het licht is als je thuis komt. Dat het licht is als je ’s avonds nog even een blokje om loopt voor een ijsje. Dat het warm wordt. Dat je buiten eet.

We geloofden erin. We vertrouwden erop.  Al jaren. Terecht. 19 januari blijkt ook de eerste dag dat de zon nipt boven dat waanzinnige Forum van ons uitpiept en we haar heel even in levende lijve mogen waarnemen.

19 januari. De broer van een lieve vriendin overleed. De dag ervoor werd een lieve neef geboren. En zo gaat het alle dagen.

 

Een gouden ring

‘Tja, dat helpt ook niet.’ Het was eruit voor ik er erg in had. Ik frik. Ik zeikerd. Ik betweter. De meneer lag languit op zijn rug, armen gespreid, buik ontbloot, in de natte klei van het door onze boeren zo kundig omgeploegde deel van het Martinikerkhof. Het was koud en er waaide een stevige wind vanuit het tochtgat tussen het gemeentekantoor en de Martinitoren het kerkhof op. De bolletjes aan de goede kant bloeiden.

Lasse en ik kwamen van de kinderboerderij via de kaaswinkel terug van een stukje fietsen en zagen hem liggen. ‘Doet ’t niet’ wilde ik bij wijze van misplaatste grap zeggen. We hadden ‘Kikker en het vogeltje’ gelezen. Dat gaat over een vogeltje dat dood op z’n rug ligt, pootjes richting de blauwe hemel. Eend en kikker constateren op een gegeven moment dat het vogeltje niet slaapt maar kapot is.

Ik kon het voor me houden en stapte af. Je kunt zo’n man niet laten liggen vond ik. En zo kwamen we in gesprek, voor zover je van gesprek kunt spreken. Ik nodigde hem hartelijk uit om op te staan en op een van de bankjes te gaan zitten maar dat lukte niet. ‘Ik ben van de wereld’ verklaarde hij, ‘maar pakt u die gouden ring even.’ Die lag er niet. Dus ik herhaalde mijn uitnodiging. ‘Ik help u even’ en ik wilde hem de hand pakken. ‘Nee, nee,’ verklaarde hij, ‘ik ben echt te veel in de war.’

En zo gebeurde het: ‘U heeft ook wat te veel gedronken, denk ik. Dat helpt ook niet.’
‘Ik ben dakloos,’ reageerde hij snibbig, ‘probeer jij dan maar eens een hele dag stuk te slaan zonder bier.’ Ik moest toegeven, dat zal inderdaad niet meevallen. Maar ondertussen lag hij daar. ‘Zoek die ring nou maar,’ beet hij me toe.

Ik heb hem niet gevonden.

Dragen

Soms als het leven even niet zo meezit, laat Lasse het koppie hangen, zakt licht door de knieën, doet z’n ogen dicht en mompelt klaaglijk ‘dragen’. Ben je zijn vader of moeder, dan zou je wellicht geneigd zijn hem een virtueel schopje onder het kontje te geven. ‘Kom op jong, even doorzetten. Flink zijn.’ Maar zijnde zijn opa ga ik door de knieën en neem hem in mijn armen.

Bovendien. Ik begrijp het zo goed. Dat oergevoel. Die snak naar compassie.

Coach me niet. Moedig me niet aan. Geef me geen schop onder de kont. Inspireer me niet. Hou me geen wortel voor. Draag me. Er zijn ongetwijfeld psalmen geschreven over dat verlangen. En zong De Dijk ook niet zoiets? Vast. Wie ben ik om zo’n knaapje dat te ontzeggen?

Bovendien. Misschien dat Lasse ooit mij … maar dan is het vast te laat.

Tou eem

RTV Noord besteedde onlangs aandacht aan de verruwing van de zeden op het internet. Ik juich dat toe. Ik kijk een enkele keer naar de reacties die op websites van het Dagblad van het Noorden en RTV Noord bij berichten staan. Het levert een ontluisterend beeld op van de wereld waarin we leven.

Ze pakten het leuk aan, daar bij RTV Noord.. Een jongeman las op de Grote Markt een bloemlezing voor van de naarste reacties op willekeurige berichten. Je vraagt je af wat er door iemands hoofd gaat als hij of zij dergelijke teksten op Facebook uitkraamt. Wat bezielt je om iemand toe te wensen dat hij … nou ja, ‘en wat verder volgt’, zei de dominee dan.

Ik hoef op dit vlak de hand niet eigen boezem te steken. Ik geloof niet dat ik me ooit aan dergelijke uitlatingen schuldig heb gemaakt. Maar ik realiseerde me wel dat ik toen ik nog auto reed, andere weggebruikers wel eens onheus bejegende als ze ongepast rijgedrag tentoonspreidden. Het was een uitlaatklep. Je schrikt. Je doet iets met die schrik. Je gooit de bal onmiddellijk bij de ander: ‘Kijk toch uit je doppen!’

Met het raam dicht, zeg ik er onmiddellijk bij. Hoewel, een enkele keer bleek het raam toch open te staan. Oei.

Het vreemde is dat als ik in “real life” in botsing kom met een medemens, ik onmiddellijk ‘Sorry’ zeg of ‘Pardon’. Ongeacht of ik de botser ben of de bebotste. Als er echt contact van mens tot mens is, zoek ik de schuld bij mezelf. Het komt niet in me op om boos te worden.

Ik ben niet heiliger dan anderen. Wat voor mij geldt, zal ook voor de meeste andere mensen gelden. Kennelijk beschouwen we internet niet meer als een medium maar als een uitlaatklep. En gaan we ervan uit dat het raampje dicht is.

Bekijk het item (op Facebook)

Onder de douche

Af en toe mogen ze onder de douche, de planten op m’n werkkamertje. Dan zet ik ze gezellig bij elkaar in de badcel, zet het water op 30 graden en de kraan aan. Het levert een mooi tafereel op, vind ik zelf. Ze staan er knus met z’n drieën na de zwemles in hun zwembroekje giechelend en ietwat bibberend, schoudertjes opgetrokken onder de douche, plannen makend wie bij wie gaat spelen en wie bij wie gaat eten en wat ze gaan doen.

Aan die zwemlessen heb ik overigens niet zo’n goede herinneringen. M’n eigen zwemlessen kreeg ik in het sportfondsenbad waar we met de schoolbus uit Amsterdam-Noord naar toe gingen. Ik werd altijd erg wagenziek in die bus. Hij stonk en hij schommelde. En de zwemlessen van mijn kinderen? Ik had het druk in die tijd. Ik las tijdens de les stukken en had altijd haast. Wie met wie ging spelen was beslist relevant. Ik hoopte altijd dat die van mij bij de ander ging. En wat was het warm en benauwd in die kleedruimtes.

Ach, wie weet krijgt Lasse op de donderdagmiddag z’n zwemlessen en kan ik er nog eens echt van genieten.

Overigens: de planten laat ik staan tot ze droog zijn. Dat heb ik met mijn kinderen eigenlijk nooit gedaan.

Een kruimeldief

Mijn vrouw betrapte me zondagmorgen toen ik een aflevering van Midsomer Murders herbekeek. In ons huishouden is ‘overdag televisiekijken voor de lol’ synoniem met bankhangen, de ultieme verveling, op sterven na dood. Voor de goede orde: Buitenhof mag dan weer wel. Wie deze regels ooit bedacht heeft, weet ik niet meer. Het zou zomaar schrijver dezes kunnen zijn geweest.

Maar het regende. Het was januari. Het kwam nooit meer goed met de wereld en in elk geval niet met mij. Ons kerkhofje was leeg. De wereld stil en zonder troost. Toen ik wist wie het had gedaan en waarom, ging ik van pure arremoede hardlopen in de sportschool – ook al zo’n ledig iets. Eenmaal thuis bleek dat mijn vrouw wat nodig had van de bouwmarkt. En dat ik dat best even kon halen, niks te doen hebbend.

Dat wat er nodig was, is relatief groot maar licht en goed draagbaar. Ik keek naar buiten en pakte de autosleutels. ‘Ga je met de auto?’ zei ze. Sommige vragen zijn geen vraag maar een observatie waar een waardeoordeel aan is gekoppeld. Ik nam aan dat dit zo’n vraag was en ze had natuurlijk gelijk. Zo hard regende het nou ook weer niet.

Pas toen ik de Oosterhavenbrug op fietste, wind en regen mee, zag ik hóe gelijk ze had. Ik was niet de enige met een vleugje januari-blues. Heel Groningen had de auto gepakt en ging richting het Zuiden, richting de IKEA. Verkeersregelaars moesten ervoor zorgen dat de boel niet volkomen uit de hand liep. Als mensen zich vervelen gaan ze kennelijk naar de IKEA. Spullen kijken. Spullen kopen. Balletjes eten.

Ik niet. Zo ben ik niet. Ik ging naar de Praxis en kocht wat nodig was. En een kruimeldief.

 

Sip sip sip

Nee, een groot succes was het niet, ons bezoek gisteren aan de wondere wereld van het Groninger Forum. Ze hebben er echt alles in de kast gezet om Lasse een fijne ochtend te bezorgen maar, om de metafoor maar even te volgen, de kast viel om, en we konden de klik niet vinden.

Dat was de schuld van mijn zoon.

En van een natuurwet die luidt dat wat je er zaterdag en zondag met je vader deed, je er  de donderdag erop ook met je opa doet. De kracht van patronen. Onvermijdelijk. Onontkoombaar. Al op de roltrap had Lasse het over ‘nijntjes’. En dus liep ik zijn bibliotheekgedeelte binnen met maar één opdracht. Een boek over konijntjes.

Lasse zelf raakte onmiddellijk verstrikt in de magie van de iPad. Daar staan er 4 van op een tafel. Je doet je best om die duivelse machine uit zijn bereik te houden, leest de hele dag voor uit echte boeken van echt papier, en stuit vervolgens  in de kinderbibliotheek bij de entree op een hele serie iPads. Lasse ging er even goed voor staan. En duikelde in een mum van tijd een icoon op van een man met een baard. ‘Opa’ wist hij.  Maar toen hij op ‘opa’ klikte, sprong in het scherm een bijna levensgrote kop van een oude, verwarde man met problemen in het autistisch spectrum en klaar voor gedwongen opname. Mijn schat schrok zich wezenloos. ‘Dragen!’ commandeerde hij in tranen en jawel, ‘nijntjes!’

Dick Bruna vonden we maar dat was het niet. Een boek over een jongetje dat droomt dat hij een konijn is: ook niet. Enzovoorts. Toen een groepje sjonnies de vloer pakte en een enorm kabaal maakte, leek de sfeer echt bedorven en toen Lasse in een zitkuil ook nog eens keihard zijn hoofd stootte en zijn gebrul een doodse stilte bewerkstelligde in dat heidens tumult, wist ik: ‘Genoeg. Het is genoeg geweest.’

‘Nijntjes’ piepte hij klagelijk toen we naar de uitgang liepen.

Die avond vertelde mijn zoon dat hij dat misschien inderdaad even had moeten uitduiden. Het begrip ‘nijntjes’ betekent in Lasses universum een wii-achtig spel dat kinderen in het Forum spelen en dat Lasse geweldig vindt om naar te kijken. Er verschijnen silhouetten op de muur die hij ziet als ‘nijntjes’. Tsja.

Was het een leuke dag? Ja, het was een heerlijke dag, want na de bibliotheek was er nog een fijne stadswandeling en ‘Ga je mee, kleine beer?’ over de sloffer en de sijpelaar en de ploffer en plof plof plof en sip sip sip. ‘Nog een keer!’ verordonneerde mijn kleinzoon, ‘sip sip sip!’