Donderdag

Van onder de Gardepoort kwam een sneue baby onze kant op. Het was vroeg en ik had met hem te doen. Hij huilde niet. Hij brulde. Van onder zo’n eeuwen oude poort heeft dergelijk gehuil een extra galm. ‘Ach heden,’ dacht ik nog, ‘die arme vader of moeder’ en hoorde de sleutel in het slot.

Lasse kwam binnen en zijn moeder ook. Hij huilde de longetjes uit zijn lijf. Moeder nam het redelijk koel op. Heb nooit met mensen te doen voordat je zeker weet dat zij zich miserabel voelen! Het was buiten steenkoud en op de fiets, ondanks een super windscherm, nog kouder. Ga daar maar eens zitten met een batterij aan tanden en kiezen die doorkomen! Dat moet gewoon erg veel pijn doen.

Nijlpaardje hielp niet. Speen hielp niet. De sambashaker hielp niet. Tijd hielp. Geduld.

Vanaf dat moment ontrolde zich een prachtige dag. Oma bofte. Ze was ziek thuis dus kon  volop genieten.

Natuur

Dinsdagavond, zo tegen half zes, schemer op het kerkhof vóór, hoorde ik áchter een merel. Nou ja, een vogel. Kwinkelerend. Echt. Het was geen gefluit, het was geluid. Het ging alle kanten op. Ik realiseerde me hoezeer ik dat geluid had gemist. Zoals je pas merkt dat de afzuigkap aanstaat als je hem uitzet. Maar waar dat laatste fijn is, was dit plots gemis pijnlijk.

Ik deed voorzichtig de achterdeur open om het beestje beter te horen. Dat had ik niet moeten doen. Het was weg. Toch hing er iets in de lucht wat je met wat Amsterdamse overmoed ‘lente’ zou kunnen noemen. Het was een stille schemer die vanaf het kerkhof zich over de daken uitstrekte en neerstreek in ons tuintje.

De vetbollen bungelden onaangeroerd aan hun draadje. Al bijna een maand. ‘Natuur is voor tevredenen of leegen’ dichtte de dichter. Ik vroeg me af: ben ik leeg, of gewoon tevreden?

Hoera!

Wij zitten in de levensfase dat er om ons heen weer kinderen worden geboren. Je eigen kinderen krijgen kinderen. Je neefjes en nichtjes krijgen kinderen. De vriendjes en vriendinnetjes van je eigen kinderen krijgen kinderen. En wij krijgen de kaart.

Althans. Vaak. We zijn de afzenders dankbaar.

Wat wel opvalt is dat jonge ouders het sturen van een kaart vaak uitstellen tot … ja, tot wat eigenlijk? Tot de garantietermijn is verstreken? Of tot ze 100% zeker zijn van de naam? Tot hij of zij kan lopen? Of tot zeker is dat hun nieuwe kindje inderdaad een bijdrage gaat leveren aan een fijnere wereld?

Misschien kan ik dan toch ook nog een geboortekaartje de wereld in doen. Vandaag, exact op de kop af en precies 28 jaar geleden verblijdde mijn vrouw de wereld met onze jongste. Hij is bijzonder goed gelukt, al zeggen we het zelf, en we zijn er heel blij mee.

Onthand

Ik ben wat onthand deze dagen. Nou, ‘onthand’ is een groot woord. Er is niets essentieels verloren gegaan maar de vingerafdruk van mijn linkerwijsvinger is voorlopig afwezig.

Dat biedt allerlei mogelijkheden. Maar typen is lastig met een linkermiddenvinger en twee vingers van de rechterhand. Het vreemde is dat nu ook de rechterhand zijn weg over het toetsenbord moeizaam vindt. Ze vormen een tweeling, die twee handen. Als de een ziek is, weet de ander ook niet goed raad met zichzelf.

Typen is lastig. Koken moeilijker. Ik kocht dus roerbakgroenten kant en klaar. En pasta die ze niet hebben laten drogen en daardoor duurder kunnen verkopen. En een blik gesneden tomaten. En wat Parmezaanse kaas. Mijn vrouw zat in een lastig parket. Wat te zeggen? Heerlijk? Dat zou mijn uitgebreidere gekokkerel geen recht doen. Niet lekker? Dat wil de kok ook niet horen. Ze toonde zich een diplomaat.

Maar wat eten we vanavond?

Dag huis

Toen hij wegging, draaide hij zich nog een keer om. ‘Dag huis.’ Het had iets definitiefs. Hij had hier ooit gewoond. Maar al heel lang niet meer. Niets was nog hetzelfde. Alles was veranderd. En toch. ‘Dag huis.’

We stonden in de tuin en bekeken de achtergevel. Nieuw. We stonden in de keuken, op de plek waar ooit het kantoortje was. Nieuw. We stonden op het balkon achter. Nieuw. Maar toch. ‘Dag huis.’

Een huis is meer dan een stapel stenen. Een huis is een plek. Een plek waar het warm is. Een plek waar je bent. Een plek waar je leeft. Waar je opgroeit. Waar je herinneringen maakt. Waar je dingen voor het eerst doet. En voor het laatst. ‘Dag huis.’

Dat huis onderging op 14 mei 1968 een radicale verandering. Net als de wereld. In Parijs boycotten studenten de colleges. De Beatles zwoeren de maharishi af. Aan het Martinikerkhof brandde ons huis af. Maar de plek bleef. De herinneringen ook. ‘Dag huis.’

Een snijplank

De snijplank van mijn schoonmoeder was ronduit hol en hier en daar dun. Uitgesleten. Ik vond dat als jongeman al ontroerend. Een plank die zoveel is gebruikt dat-ie hol wordt, getuigt van een lang en rijk leven met veel gekook en gebak en gebraad voor veel kinderen gedurende een lange tijd.

Onze snijplank kochten we in Kameroen, waarschijnlijk in Manyemen waar mijn broer een ziekenhuisje runde. De plank is ongetwijfeld van tropisch hout. Dat mocht toen nog. Hij is uit 1984. Een goed jaar voor snijplanken. Hij is nog steeds in dienst. Hij krijgt wel aan de knoflookzijde een lichte verdieping. Als je wat kruiden wilt hakken, moet je ervoor zorgen dat je dat een beetje aan de zijkanten doet, zeker als je het grootste mes gebruikt.

Hij is 35 inmiddels. Laten we conservatief aannemen dat we in die 35 jaar 300 keer per jaar kookten. Dat betekent – een klein inkijkje in ons menu – dat op die plank minstens 20 duizend uien hun kop verloren. 100 duizend tomaten legden erop het loodje. Miljoenen champignons gingen er op doormidden.

Hij gaat nog wel even mee. En dan? Dingen die je zoveel gebruikt, verdienen het eigenlijk om een plaatsje te krijgen in je persoonlijke museum. Kijk. Dit is de plank van opa. Weet je nog. Die groentebeul.