Opperst geluk

Het is donderdag. Mijn vrouw heeft ’s ochtends een symposium, ik sta er dan alleen voor. Maar het programma voor de ochtend is inmiddels uitontwikkeld en zit robuust in elkaar. De middag is tegenwoordig lastiger omdat Lasse niet meer wil slapen. Maar vorige week heb ik onder de grote eettafel een tent voor hem gemaakt waar hij ging rusten. Dat ging eigenlijk heel goed. Ik zat in de voorkamer en las de krant. Lasse lag achter op zijn kussentjes en luisterde Bert en Ernie op de MyFirstSony. En overdacht het een en ander. Toen Bert en Ernie afgelopen was, was hij nog wakker.

‘Opa, ben je er nog?’
‘Ja lieverd, ik ben er nog hoor.’
‘Ga jij dood?’
‘Nee, nog lang niet. Ga jij nog even lekker liggen.’

Wat later moest ik erbij. En hoe het kwam, ik weet het niet, maar ik zong wat “Ja zuster, nee zuster-liedjes” voor hem. Althans, delen. Want in hun geheel ken ik ze niet meer.

‘Doebie doebie doeb’ was zwaar favoriet. Langzaam daagde me de tekst. Met de oude Jacob liep het niet goed af. Nee, dit was geen  liedje om in zijn geheel voor te dragen, realiseerde ik me. Maar dat was geen punt. ‘Doebie doebie doeb’ was genoeg. Gisteren wilde ik het grote boek uit de kast halen met alle liedjes en gedichten. Een goede voorbereiding is het halve werk. Maar het is weg. Zoek. Kwijt.

‘Je kunt het niet vinden’ zei mijn moeder dan en meestal had ze gelijk. Voorlopig doe ik het wel uit m’n hoofd. En in mijn eigen berijming.

Een jongen voor een Puch

Kijk ‘m daar, op handjes en voetjes, op de vlondertrap bij Garnwerd aan Zee, de handen op de eerstvolgende tree,  de blik vooruit, naar boven gericht. Even kijkt hij om. Ja, iedereen is er nog. Hij lacht ons toe. Trots, een beetje uitdagend, een beetje Jan Cremer. Een jongen voor een Puch.

‘Zien jullie me, vader, moeder, wereld!’

Even zakt hij licht door de knietjes, als nam hij een aanloop, even is daar een lichte aarzeling, gaat dit lukken, maar dan zwaait hij onvervaard zijn rechtervoet opwaarts, een treetje hoger. De handjes hebben dan al de volgende tree te pakken. Even weer die aarzeling maar dan volgt gelukkig ook de linkervoet. Hij is een treetje hoger. En ja, daar lonkt de wijde wereld.

de jongen kijkt door de geopende ramen
waarlangs de wereld slaat; zonder zich te beraden
stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees.

Uit: De grijsaard en de jongeling

Iets lekkers

Wie met een kleuter van ruim 3 door de stad wandelt, mag rekenen op welwillend publiek, zeker als die kleuter zijn knuffelbeer onder de arm heeft en zijn nog wat te grote laarzen aan. De onschuld spat van het knaapje en dat vertedert.

Ik begrijp dat.

Mijn hart smelt als hij mij hartelijk uitnodigt om de wc-gang nauwlettend te volgen en een oordeel uit te spreken over de productie. Mijn hart smelt als hij met zijn ‘MyFirst Sony cassetterecorder (ooit van zijn vader geweest) onder de tafel kruipt om Jip en Janneke te luisteren. Mijn hart smelt als hij zijn cassette gewassen wil hebben: het woord ‘spoelen’ kent hij alleen van de wasserij. Mijn hart smelt als hij naar de zolder verwijst als ‘het andere boven’ om onderscheid te maken met de eerste verdieping waar zijn oma werkt en hij sliep. Hij breekt geen harten, hij doet ze smelten.

Maar jeugdige onschuld is beperkt houdbaar. Het andere boven heette onlangs al de bovenste verdieping en cassettes worden tegenwoordig gewoon teruggespoeld. En als we door de stad lopen, verzucht hij met enige regelmaat: ‘ik vind jou de allerliefste.’

Om even later spontaan uit te roepen: ‘Ik heeft wel zin in iets lekkers.’

Moedig voorwaarts

Vanmorgen app’te schoondochterlief een foto van mijn grote kleinzoon op de fiets naar de opvang. Zijn eigen fiets wel te verstaan.

Een gewone Nederlandse grijze dag. Een gewone Nederlandse grijze lucht. Een gewone Nederlandse grijze stoep. En op die enorme stoep een piepklein knaapje op een piepklein fietsje met een piepklein hemelsblauw petje op.

Direct daarna stuurt ze een filmpje van hetzelfde knaapje 2 jaar geleden. In dat filmpje looptvalt hij op zijn kleine kromme babybeentjes door het steegje tussen de huizen, op zoek naar de tuindeur. ‘Moedig voorwaarts’ zal ik indertijd gedacht hebben, de grote Reve citerend.

Nu denk ik er het mijne van. Je kunt ook te snel groeien.

Gelukkig hebben we de kleine kleinzoon nog, denk ik. Ook die hoop vervliegt: hij stapte vandaag achter het speelgoedwinkelwagentje door de huiskamer.

Gelukkig heb ik nóg een zoon.

Hoe er niets gebeurt

U denkt: ‘Sorgdrager speelt vals, Sorgdrager gebruikt gewoon dezelfde foto als donderdag!’ Maar dat klopt niet. De foto van donderdag was van donderdag, de foto van vandaag is van vandaag. En toch is er veel gebeurd. En eigenlijk ook niets. Mijn oudste zoon is getrouwd met de moeder van mijn kleinkinderen. Al 5 jaar. De kinderen vierden hun kinderfeestje. Een grotemensenfeestje kwam er niet. Ons aandeel was eenvoudig. Wij hostten de beide kleinzonen.

Zondagmorgen, half 6. De grote kleinzoon zit voor zijn deur, z’n beentjes onder zich, beer onder de arm. Zijn Frozen-pet en zijn Frozen-zonnebril heeft hij op de bol.
‘Ik dacht dat jij sliep’ vertelt hij mij.
Dat was niet zo, zijn kleine broer sliep net, maar ik loog een beetje:
‘Ja lieverd, dat was ook zo. Het is nog te vroeg om al wakker te zijn.’
‘O ja?’ Verbazing.

Ik gooi de po leeg en maan hem om nog even te slapen. Even later hoor ik hoe hij beer voorleest uit ‘Boris op de berg’ en een liedje voor hem zingt. Ik doe de babyfoon uit en de deur open en val in slaap.

Een half uurtje later is de kleine kleinzoon definitief wakker.

We maken koffie en een flesje. En even later hoor ik boven ons wat gestommel.

‘Zullen we lekker ontbijten?’ vraagt grote kleinzoon.

Tegen een uur op 9 gaan we op pad. De een op z’n fiets, de ander in de buggy. Beer kreeg van mij een Frozen-mandje voor voorop de fiets en heeft dus een prachtig uitzicht op de enorme zooi op de Grote Markt. Ook hier hebben jongelui een feestje gevierd.

Er verandert niets in zo’n weekend. Er gebeurt veel.

Wim is weg

Mijn lieve kleine zus scoorde voor mijn lieve grote kleinzoon een nieuwe fiets. Tweedehands, dat wel maar toch: roze! ‘Mijn lievelingskleur’ sprak hij van blijdschap naar adem snakkend.

Met de fiets maken we nu tochten door de stad. We gaan naar de bieb, naar de Prinsentuin en fietsen rondjes rond de kerk. Wie een oudere man op sloffen achter een peuter op z’n fietsje (beer tegen het stuur gebonden zodat hij naar voren kan kijken, een oude houten schildpad achterop gebonden omdat hij mee moest) bij de Martinikerk ziet rennen, hoeft zich dus geen zorgen te maken.

Maar hij heeft wat van een avonturier, die kleinzoon. Hij heeft wat van een Sorgdrager. Hij kijkt niet naar voren als hij fietst maar om zich heen. Nieuwsgierig, belangstellend, in gedachten. ‘Gaat het goed beer? Gaat het goed schildpad?’ vraagt hij zijn reisgenoten. Hijgend en met een piepstem antwoorden ze bevestigend.

Wie een peuter op z’n fietsje bij de Martinikerk ziet fietsen zonder een oudere grijze man op sloffen achter hem aan, mag me wél even bellen. Niet alleen schuilt er een avonturier in hem, hij heeft ook het tempo van een Van der Poel.