Libelle

De grote kleinzoon is naar de andere oma. Zij kan op dagen als deze wel een extra knuffel gebruiken.

Ik heb eindelijk de kleine kleinzoon voor mezelf. Maar het knaapje is herstellende van een griepachtig griepje en ontdekt nieuwe dimensies in lusteloosheid en lamlendigheid en loomte. Languit op m’n buik, lui lurkend aan een speen bladert hij door een Dick Bruna-boekje als was het een Libelle van 3 jaar geleden. Nadat hij het voor de vijfde keer openslaat, gooit hij het boek weg en grijpt de telefoon. Snel zet ik de telefoon op de vliegtuigstand maar er blijkt nog veel mogelijk. Een foto bijvoorbeeld.

Vooruit, voor z’n andere oma, met onze lieve groeten erbij.

En dan gaan we pianospelen en naar bed.

De broosheid van het bestaan

‘Opa,’ vraagt Lasse als ik hem de blauwe beker geef in ruil voor de witte – hij is behept met dat rare gen dat de keuze voor een beker tot een reëel issue maakt – ‘hier is een stukje af.’ Het is een beetje geneuzel van een zeurpiet maar ik moet toegeven, hij heeft gelijk.
‘Ja, hij is een klein beetje kapot.’
‘Waarom?’

Dit is een afslag.

Als ik zeg dat die beker kapot is als gevolg van het feit dat hij ruim 40 jaar oud en dat je in 40 jaar wel een blutsje oploopt, stuurt hij het gesprek onherroepelijk richting de broosheid van het bestaan, craquelé, ouderdom en wat verder volgt. Een fascinerend onderwerp als je 3 bent. Maar ook een lastig onderwerp voor een lichte donderdagmiddaglunch.

Ik besluit het verschil tussen redenen en oorzaken met hem door te nemen.

‘Iemand heeft een keer de beker te hard op een andere beker gezet. Daardoor brak er toen een stukje af. Maar waaróm iemand dat deed, dat weet ik niet meer.’
‘Waarom?’

Zijn we toch weer bij af.

Feest in Stad

Een jaar is-ie. Precies vandaag. Mijn kleine kleinzoon. Het is een mirakel. Hij is een mirakel. Hoe hij in zijn eentje een miezerige grauwe uitzichtloze herfstdag kan omtoveren tot een mooie zonnige lentedag in mei met alleen die ene ene ene niet te evenaren stralende lach. Die lach als nijlpaardje z’n liedje klingelt op het aankleedkussen of als de boterham met pindakaas eraan komt of als zijn grote broer gekke bekken trekt. Die lach als hij bij Vestdijk gekomen De kellner en de levenden rücksichtlos aan flarden trekt. Die lach als hij met de loopwagen die zijn opa knutselde onvervaard op pad gaat en boem tegen de piano botst. Die lach als je hem ’s middags wakker maakt en hij je ziet. Die lach. Moet je je voorstellen wat er gebeurt als het een mooie herfstdag is en je ontdekt dat die ene dahlia alsnog is gaan bloeien.

Kleinkinderen

Waarom ik zo weinig over mijn kleine kleinzoon schrijf? Niemand die mij die vraag stelt. Ingrid vroeg mij gisteren hoe het nou met hém gaat. Het kortste antwoord op haar vraag is ‘goed’. Een iets langer antwoord is ‘Uitstekend’. Nóg meer?

Hij is de blijste baby op de aardbol. Terecht, hij kruipt, klimt en klautert overal op en onder en ontsnapt dagelijks tientallen keren aan nare valpartijen, stroomstoten, gaten in het hoofd, gebroken ledemaatjes of ander groot onheil. En ook het meeste klein onheil wordt hem bespaard.

Wie goed oplet kan hem ‘opa’ horen zeggen, maar er zijn er onder ons die er ‘papa’ in horen of ‘mwaa’. Het knaapje heeft bovendien de kracht van de glimlach ontdekt en buit dat genadeloos uit. Hij eet zijn boterham met pindakaas met graagte en slaat er opgewekt nog een flinke fles melk bij achterover. Hij groeit, hij bloeit.

Er is een maartje. Hij slaapt zowat de hele dag. Ik zie hem gewoon bar weinig. En als ik ‘m zie moet ik ‘m delen. Dat had ik met z’n grote broer niet. Natuurlijk, ook die ging om 10.00 uur onder zeil om tot 12.00 uur te slapen om daarna om 14.00 uur weer tot ongeveer 16.00 uur te slapen, maar de andere uren had ik hem en hem alleen. Nu deel ik de kleine kleinzoon met de grote broer en wil oma regelmatig ook een stukje van de cake.

Over 4 maanden gaat zijn broer naar school. Hij kan niet wachten. Ik ga hem die uren ontzettend missen maar verheug me net zo ontzettend op de wandelingen die ik met zijn kleine broer ga maken. Misschien gaan we wel naar de bieb of naar de kaaswinkel.

Opperst geluk

Het is donderdag. Mijn vrouw heeft ’s ochtends een symposium, ik sta er dan alleen voor. Maar het programma voor de ochtend is inmiddels uitontwikkeld en zit robuust in elkaar. De middag is tegenwoordig lastiger omdat Lasse niet meer wil slapen. Maar vorige week heb ik onder de grote eettafel een tent voor hem gemaakt waar hij ging rusten. Dat ging eigenlijk heel goed. Ik zat in de voorkamer en las de krant. Lasse lag achter op zijn kussentjes en luisterde Bert en Ernie op de MyFirstSony. En overdacht het een en ander. Toen Bert en Ernie afgelopen was, was hij nog wakker.

‘Opa, ben je er nog?’
‘Ja lieverd, ik ben er nog hoor.’
‘Ga jij dood?’
‘Nee, nog lang niet. Ga jij nog even lekker liggen.’

Wat later moest ik erbij. En hoe het kwam, ik weet het niet, maar ik zong wat “Ja zuster, nee zuster-liedjes” voor hem. Althans, delen. Want in hun geheel ken ik ze niet meer.

‘Doebie doebie doeb’ was zwaar favoriet. Langzaam daagde me de tekst. Met de oude Jacob liep het niet goed af. Nee, dit was geen  liedje om in zijn geheel voor te dragen, realiseerde ik me. Maar dat was geen punt. ‘Doebie doebie doeb’ was genoeg. Gisteren wilde ik het grote boek uit de kast halen met alle liedjes en gedichten. Een goede voorbereiding is het halve werk. Maar het is weg. Zoek. Kwijt.

‘Je kunt het niet vinden’ zei mijn moeder dan en meestal had ze gelijk. Voorlopig doe ik het wel uit m’n hoofd. En in mijn eigen berijming.

Een jongen voor een Puch

Kijk ‘m daar, op handjes en voetjes, op de vlondertrap bij Garnwerd aan Zee, de handen op de eerstvolgende tree,  de blik vooruit, naar boven gericht. Even kijkt hij om. Ja, iedereen is er nog. Hij lacht ons toe. Trots, een beetje uitdagend, een beetje Jan Cremer. Een jongen voor een Puch.

‘Zien jullie me, vader, moeder, wereld!’

Even zakt hij licht door de knietjes, als nam hij een aanloop, even is daar een lichte aarzeling, gaat dit lukken, maar dan zwaait hij onvervaard zijn rechtervoet opwaarts, een treetje hoger. De handjes hebben dan al de volgende tree te pakken. Even weer die aarzeling maar dan volgt gelukkig ook de linkervoet. Hij is een treetje hoger. En ja, daar lonkt de wijde wereld.

de jongen kijkt door de geopende ramen
waarlangs de wereld slaat; zonder zich te beraden
stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees.

Uit: De grijsaard en de jongeling

%d bloggers liken dit: