Wim is weg

Mijn lieve kleine zus scoorde voor mijn lieve grote kleinzoon een nieuwe fiets. Tweedehands, dat wel maar toch: roze! ‘Mijn lievelingskleur’ sprak hij van blijdschap naar adem snakkend.

Met de fiets maken we nu tochten door de stad. We gaan naar de bieb, naar de Prinsentuin en fietsen rondjes rond de kerk. Wie een oudere man op sloffen achter een peuter op z’n fietsje (beer tegen het stuur gebonden zodat hij naar voren kan kijken, een oude houten schildpad achterop gebonden omdat hij mee moest) bij de Martinikerk ziet rennen, hoeft zich dus geen zorgen te maken.

Maar hij heeft wat van een avonturier, die kleinzoon. Hij heeft wat van een Sorgdrager. Hij kijkt niet naar voren als hij fietst maar om zich heen. Nieuwsgierig, belangstellend, in gedachten. ‘Gaat het goed beer? Gaat het goed schildpad?’ vraagt hij zijn reisgenoten. Hijgend en met een piepstem antwoorden ze bevestigend.

Wie een peuter op z’n fietsje bij de Martinikerk ziet fietsen zonder een oudere grijze man op sloffen achter hem aan, mag me wél even bellen. Niet alleen schuilt er een avonturier in hem, hij heeft ook het tempo van een Van der Poel.

Als een speer

Als grootvader van de blijste en vrolijkste baby van ons halfrond bof ik sowieso. En soms bof ik nog meer. Zo gebeurde het dat mijn kleine kleinzoon z’n allereerste schuifkruip produceerde op mijn vloer onder mijn ogen en die van zijn vader en oma.

Het doel was de MyFirstSony cassettespeler met Bert en Ernie. Ik geef hem geen ongelijk: je doet wat voor zo’n speler en zo’n cassette. Z’n blote bezwete voetjes en handjes zorgden voor grip op de houten vloer, 60 cc uitgespuugd melk vermengd met wat brood creëerde een superieure licht vettige glijlaag en pure wilskracht deed de rest. Het knaapje ging als een speer.

Z’n grote broer wist niet hoe snel hij de ZijnFirstSony in veiligheid moest brengen. Ik begreep hem wel. Zelf zette ik maar snel de klok van mijn moeder op het kastje. Een nieuwe fase breekt aan.

Tussentijdse evaluatie

Als we samen een wandeling maken of in het gras spelen, bouwt Lasse af en toe een klein evaluatief moment in. Een moment van bezinning. Zo ook maandag. Schijnbaar achteloos vraagt hij:

‘Opa, ben ik lief?’
‘Ja, zeker schat. Jij bent heel lief’ haast ik mij te zeggen.
‘Ik vind jou ook lief.’

Mijn opa-hart smelt. Maar de communicatiestrateeg in mij ruikt onraad. Waarom deze mededeling? Waarom deze mededeling nu? Wil hij iets van me? Staat er iets op het programma waar mijn zegen op moet rusten? Is er kans op iets lekkers? En zo nee, vanwaar dit dan wel?

Of moet je je zorgen maken? Is het een soort existentiële onzekerheid? Mag ik er wel zijn? Je hebt gewoon geen idee wat er in zo’n koppie omgaat.

Wat ja een nare bijgedachten, realiseer ik me.

We gaan verstoppertje spelen. Ik ben hem. En Lasse telt af. Misschien gaat er wel helemaal niet zoveel om. Misschien was het gewoon een ik-boodschap. Dat zouden meer mensen moeten doen.

Brief aan mijn kleinzoon

‘Hé’ zegt mijn grote kleinzoon verrast als hij in ons huis iets ontdekt. ‘Hé’ zei hij toen hem bleek dat de kast onder de trap geen gewone kast is maar een kamertje. Met een lichtknopje. Een echt kamertje, zeker als je de emmers eruit haalt waar we de wc mee gingen schoonmaken en zijn po. Die kamer bevat ook het zenuwcentrum van de vloerverwarming, een Jumbojetwaardig geheel van knoppen, meters, losse en vaste draden. En je kunt er de hoek om waar we – raskampeerders – onze tenten bewaren. Hé’ zegt hij nog maar eens. Er ontspringt een idee. 
‘Opa, jij moet de deur dicht doen.’ 
Ik aarzel. Het is daar dan best krap en ook een pietsje creepy. En al die losse draden? Ik doe de deur een klein beetje dicht en bezweer hem niet aan dat zenuwcentrum te komen. 
‘Nee, helemaal dicht.’ 
Als ik dat wil doen, bedenkt hij zich. 
‘Opa, jij moet beer pakken.’ 
Dat lijkt me inderdaad een goed idee. Ik pak beer en vraag hem of hij daar in durft. Dat durft-ie best en hij kruipt lekker op schoot.  
‘Ik blijf hier’ beloof ik als ik de deur dicht doe. 
Even is het stil. 
‘Opa, jij moet me een brief sturen.’ 

Meisjes

Naar Ken keek hij niet om. De drie meisjes die uit de propvolle speelgoeddozen in ons vakantiekerkje tevoorschijn kwamen, de een nog bloter dan de andere, vond hij daarentegen prachtig. Toen we nog 2 jurkjes en een trui opdoken alsmede een paar schoenen kon hij zijn geluk niet op. De meisjes kregen een jurk of een trui aan, en een van de boffers ook nog een paar schoenen. Namen kregen ze niet. Meisjes zijn meisjes. Beer is beer en Lasse is Lasse. Ze waren een drieëenheid, die alleen uit afzonderlijke individuen bleek te bestaan als het ging om de toedeling van het ene paar schoenen. Omstebeurt, bezworen wij ze, omstebeurt. En niet zo zeuren.

We zaten in het preekgestoelte. Weggedoken achter de bijbel die was opengeslagen bij Matthew 1. We bakten er pizza, we deden de jurkjes nog eens goed en verdeelden dat ene paar schoenen eerlijk. Beer zat er bij en keek toe. Hoofdschuddend, denk ik, en blij dat hem dit allemaal bespaard bleef. En Ken ontging het allemaal. Hij lag in zijn blote niksje in de plastic IKEA-bak achter de trap en wist van niets.

Toen het weekend was afgelopen bleven de meisjes achter. Een beetjes verweesd. Proevend van de stilte. Verbaasd over de rust die over Easterwierum was neergedaald. Eigenlijk net als oma en opa.

Nu nieuw uitzicht

Het was maandagmiddag 15.30 uur. We hadden 3 extra Sorgdragertjes in huis vanwege verbouwingswerkzaamheden in de dependance. Olaf had lekker gegeten en was toe aan een uitdaging. Hij lag zijn op zijn rug en even later op de linkerzij.

‘Er is meer,’ zag je hem denken, ‘er is meer.’ En zie ik zag hoe hij zich draaide voor zijn allereerste keer. Hij had z’n linkerarm onder zich. Hij sloeg z’n linkerbeen over zijn rechterbeen en met zijn rechterarm creëerde hij een versnelling. En daar lag hij, op de buik en on the go.

Plots was zijn wereld dramatisch veranderd.

Liggend op zijn rug  was de hemel zijn uitzicht, liggend op zijn buik bleek zijn uitzicht een horizon.

Hij leek eerst wat verrast en lag al snel weer op de rug. Tot hij zich bedacht en het gewoon opnieuw probeerde. En ja, het lukte weer. De knietjes onder zich, het hoofd nieuwsgierig opgericht.

‘Hé’, zag je hem denken, en nog eens ‘hé’. Hij keek belangstellend om zich heen. Er lag een wereld aan zijn voeten.