Brief aan mijn kleinzoon

‘Hé’ zegt mijn grote kleinzoon verrast als hij in ons huis iets ontdekt. ‘Hé’ zei hij toen hem bleek dat de kast onder de trap geen gewone kast is maar een kamertje. Met een lichtknopje. Een echt kamertje, zeker als je de emmers eruit haalt waar we de wc mee gingen schoonmaken en zijn po. Die kamer bevat ook het zenuwcentrum van de vloerverwarming, een Jumbojetwaardig geheel van knoppen, meters, losse en vaste draden. En je kunt er de hoek om waar we – raskampeerders – onze tenten bewaren. Hé’ zegt hij nog maar eens. Er ontspringt een idee. 
‘Opa, jij moet de deur dicht doen.’ 
Ik aarzel. Het is daar dan best krap en ook een pietsje creepy. En al die losse draden? Ik doe de deur een klein beetje dicht en bezweer hem niet aan dat zenuwcentrum te komen. 
‘Nee, helemaal dicht.’ 
Als ik dat wil doen, bedenkt hij zich. 
‘Opa, jij moet beer pakken.’ 
Dat lijkt me inderdaad een goed idee. Ik pak beer en vraag hem of hij daar in durft. Dat durft-ie best en hij kruipt lekker op schoot.  
‘Ik blijf hier’ beloof ik als ik de deur dicht doe. 
Even is het stil. 
‘Opa, jij moet me een brief sturen.’ 

Meisjes

Naar Ken keek hij niet om. De drie meisjes die uit de propvolle speelgoeddozen in ons vakantiekerkje tevoorschijn kwamen, de een nog bloter dan de andere, vond hij daarentegen prachtig. Toen we nog 2 jurkjes en een trui opdoken alsmede een paar schoenen kon hij zijn geluk niet op. De meisjes kregen een jurk of een trui aan, en een van de boffers ook nog een paar schoenen. Namen kregen ze niet. Meisjes zijn meisjes. Beer is beer en Lasse is Lasse. Ze waren een drieëenheid, die alleen uit afzonderlijke individuen bleek te bestaan als het ging om de toedeling van het ene paar schoenen. Omstebeurt, bezworen wij ze, omstebeurt. En niet zo zeuren.

We zaten in het preekgestoelte. Weggedoken achter de bijbel die was opengeslagen bij Matthew 1. We bakten er pizza, we deden de jurkjes nog eens goed en verdeelden dat ene paar schoenen eerlijk. Beer zat er bij en keek toe. Hoofdschuddend, denk ik, en blij dat hem dit allemaal bespaard bleef. En Ken ontging het allemaal. Hij lag in zijn blote niksje in de plastic IKEA-bak achter de trap en wist van niets.

Toen het weekend was afgelopen bleven de meisjes achter. Een beetjes verweesd. Proevend van de stilte. Verbaasd over de rust die over Easterwierum was neergedaald. Eigenlijk net als oma en opa.

Nu nieuw uitzicht

Het was maandagmiddag 15.30 uur. We hadden 3 extra Sorgdragertjes in huis vanwege verbouwingswerkzaamheden in de dependance. Olaf had lekker gegeten en was toe aan een uitdaging. Hij lag zijn op zijn rug en even later op de linkerzij.

‘Er is meer,’ zag je hem denken, ‘er is meer.’ En zie ik zag hoe hij zich draaide voor zijn allereerste keer. Hij had z’n linkerarm onder zich. Hij sloeg z’n linkerbeen over zijn rechterbeen en met zijn rechterarm creëerde hij een versnelling. En daar lag hij, op de buik en on the go.

Plots was zijn wereld dramatisch veranderd.

Liggend op zijn rug  was de hemel zijn uitzicht, liggend op zijn buik bleek zijn uitzicht een horizon.

Hij leek eerst wat verrast en lag al snel weer op de rug. Tot hij zich bedacht en het gewoon opnieuw probeerde. En ja, het lukte weer. De knietjes onder zich, het hoofd nieuwsgierig opgericht.

‘Hé’, zag je hem denken, en nog eens ‘hé’. Hij keek belangstellend om zich heen. Er lag een wereld aan zijn voeten.

Opa is ziek

Boven is het stil. Oma werkt er. Mama werkt er ook. Opa werkt niet. Opa is ziek. Hij zit beneden.

Lasse en Olaf komen op bezoek. Ze hebben geen druiven bij zich. Wel een vader. Die komt koken. Als papa de beide jongetjes uit de fietskar heeft getild, doet opa de deur open. Lasse vindt het een beetje griezelig. Maar ook leuk.

‘Ben jij nog ziek?’ vraagt hij, als ze binnen zijn.
‘Een beetje ziek’ zegt opa, ‘mijn arm is ziek.’ Opa laat Lasse de aangedane arm zien. De zieke arm bungelt hulpeloos in een touw. Heel voorzichtig bevoelt Lasse de gekwetste plaatsen.
‘Maar jíj bent niet ziek,’ concludeert hij opgelucht na dit vluchtig onderzoek, ‘ik blijf bij jou eten.’

Dat klopt.

‘Waar is mama nou?’ vraagt Lasse. Samen met opa gaat hij op zoek. Beneden is ze niet. Boven ook niet. Daar zit oma achter de laptop. En in het andere boven? Mama is niet in de logeerkamer. Mama is niet in de badkamer. Mama is niet in de stookzolder. Er is nog 1 deur over. Lasse doet hem open. Ja, daar is mama. In opa’s kamer. Ze zit ook achter de laptop. Kan ze lekker de hele dag zoomen.

Maar wat is dat? Daar ligt een boek van kleine beer en kleine tijger.
‘Zullen we dat lezen?’ stelt Lasse voor. Maar mama moet nog even werken. Gelukkig is opa er nog. Hij kan niet voetballen, hij kan Olaf geen luier omdoen of de fles geven, hij kan niet koken, hij kan eigenlijk helemaal niets. Maar hij kan wel voorlezen. Ze lopen weer helemaal naar beneden. Daar zit papa. Hij geeft Olaf de fles.
‘Mag ik wat lekkers?’ vraagt Lasse. Dat mag. Opa maakt een rijstwafel met pindakaas. En dan gaan ze lezen. Van kleine tijger en kleine beer. Ze gaan op zoek naar geluk. Ze zoeken heel ver weg. En dan vinden ze het thuis.

En Olaf dan? Olaf doet een dutje. Papa kookt. En wat eten ze? Rijst. Met curry.

Een picknick

Aan de voet van de beuk hiertegenover ligt een hoopje mos en gras, wat steentjes, een paar madeliefbloempjes, 1 bloem van de winterakoniet en wat takjes. Lasse, beer en ik hadden er gisteren een picknick. Lasse had een doosje rozijntjes, beer dat wat bij de beuk ligt en ik niets. Ik had het te druk om te eten. Ik moest voor beer praten. En voor beer beslissen.

‘Lust je dit?’ vroeg Lasse telkens. Hij liet beer iets ruiken waarna ik moest zeggen of het ieuuuw was of lekker.

Het was druk. Twee meisjes van een jaar of 20 zaten wat verderop. Lasse bestudeerden hun haar. Lang, blond. Hardop filosofeerde hij over de vraag waarom dat haar van achteren lang was en niet van voren. Een meneer stond op de weg een foto te maken. Lasse sprak hem aan.

‘Mooi weertje hè?’

We voetbalden. We bekeken de grote steen. We sprongen van het muurtje. Het kan allemaal makkelijk met 1 arm.

Ik had om 15.00 uur m’n paracetamolshot gehad. Toen het 19.00 uur was, bleek die uitgewerkt.

Minder, minder. Maar dat valt niet mee.

Bittre kou

Dit stukje komt tot stand – maar staat een stukje? – in de bittere koude van een veel te groot huis waarvan de verwarming de vorige nacht is uitgevallen terwijl de Russische Beer zijn zinnen heeft gezet op dit laffe kikkerlandje.

Maar die koude vingers worden onmiddellijk weer warm bij de gedachte aan mijn grote kleinzoon die gisteren jarig was en van opa en oma een Hennie de heks-omnibus kreeg. Thuis hebben ze geen Hennie de heksen en hier in  huis halen we de Hennie de heksen altijd uit de bibliotheek en moeten we ze dus ook weer terugbrengen.
‘Nu heb ik mijn eigen Hennie de heks!’ verzuchtte hij verheerlijkt. Ja, een bibliofiel in de dop.

Datzelfde bibliofieltje legde zijn moede hoofd gisteravond tegen mijn schouder bij het kijken naar Sesamstraat. Even later mocht ik hem  in bed stoppen. Dat luistert nauw bij een jongen die van rituelen in elkaar hangt. Na het plassen en pyjama-aan-doen moet er worden voorgelezen en na het voorlezen moet er worden gezongen en na het zingen moet hij een slokje water en na het slokje water moet het hondje aan en dan moet hij in bed zelf nog even lekker lezen met de bedbrenger erbij. Zijn vader had me een update gegeven van het huidige ritueel, een ultraorthodoxe haredim is er niets bij, maar had verzuimd om me de regels inzake het liedje mee te geven. Ik moest dus zelf een liedje maken, op de wijs van ‘Vader Jacob’. Ik zong ‘Welterusten lieve Lasse, welterusten lieve beer, morgen is een nieuwe dag, morgen is een nieuwe dag, telkens weer, telkens weer.’

En dat je dat mag meemaken.

%d bloggers liken dit: