Hoe te leven

Wat mis ik die autoritjes buiten, in de vrije natuur, onder de grote luchten van Noordoost-Groningen. Raam dicht, Neil Young aan. Langzaam, bedachtzaam, peinzend over wat te eten en waarom die ene tuin nu nog steeds niet is aangelegd of wanneer de brug nu eindelijk aangepakt wordt of hoe te leven.

Gewoon, onderweg naar de supermarkt in Appingedam.

Dergelijke ritjes maak ik niet meer. Eigenlijk maak ik nauwelijks nog autoritjes. Tegenwoordig hebben we de auto in de parkeergarage staan.

Maar gisteren zag ik mijn kans schoon, om reden de jenever is weer in de aanbieding. De laatste keer dat ik met een doos jenever achterop de fiets door de stad liep, was dat geen succes. Ik besloot daarom gisteren om na het tennissen in Loppersum vertrouwd gewoon bij mijn eigen supermarkt en mijn eigen slijter in Appingedam voor de deur te parkeren en de drank dan gewoon per auto naar mijn eigen kerkhofje te brengen.

Zo tufte ik van Loppersum via Zeerijp en Dieftil in mijn eigen vertrouwde slakkengangetje via mijn eigen vertrouwde route naar mijn eigen vertrouwde winkel. Er was geen bocht veranderd. Wat we gingen eten zou me wel dagen in de winkel. Die ene tuin lag er vrijwel onveranderd bij. De reden of de oorzaak daagden me niet. De brug bij Veldzicht was nog steeds afgesloten voor zeer zwaar verkeer, en om de Dieftilbrug over te steken moet je tegenwoordig ook een weegschaal meenemen.  En hoe te leven …  Tuffend.

De slijtster sleet me die ene doos. Toch mooi dik 40 euro verdiend.

Stadjer

Het is alweer even geleden. We deden Monumentendag in Stad. We beklommen de watertoren bij de Noorderbinnensingel. We verbaasden ons over het uitzicht. Richting het zuiden, maar ook de andere kant op. Al die torens. Die onvermoede hofjes net naast de watertoren. Ja zelfs het Forum krijgt iets majestueus, al is het alleen maar vanwege die enorme glaspartij. ‘Is het dan toch gebeurd,’ vroeg ik me af toen ik gisteren deze foto als achtergrond van mijn mobiel bombardeerde, ‘ben ik nu een Stadjer?’

Ik bedoel, je ziet een stad. Is het er mooi? De ouden van dagen in het verzorgingshuis pal vooraan wonen er ongetwijfeld naar volle tevredenheid maar het is natuurlijk een foeilelijk gebouw. En je ziet dat er veel van dit soort misbaksels staan in die stad. Je ziet ook hoe weinig groen er eigenlijk is, in het centrum. En dat het een beetje een allegaartje is.

Maar je ziet ook: Stad. Wie er ooit woonde, ziet onmiddellijk: dit is Groningen. Het Forum, de Martinitoren, die eeuwige bouwkraan, de Sint-Jozefkathedraal, de Nieuwe Kerk, het Academiegebouw, de A-kerk en wat verder volgt. Misschien is dat het wel, je vertrouwdheid met een plek creëert verbondenheid met de plek. Ooit schreef ik een stukje over de bomen in de buurt, en hoe goed ik ze kende. Ik geloof dat de schrijver ermee bedoelde: ik hou van die omgeving omdat ik ermee vertrouwd ben, omdat ik de verhalen ken.

Dat ik de foto als achtergrond voor op de telefoon klikte, zit’m toch niet in de skyline maar de lucht erboven. Die ruimte. Die enorme wolkenpartijen. Ze zijn er wel in de stad. Je moet er alleen even voor klimmen.

Lees bomen in de buurt (27 oktober 2010)

Onbehaaglijkheid

En toen was het gisteren ineens herfst. Ik was er nog niet klaar voor. In Leermens nam moeder je liefdevol bij de hand. Je zag hoe het land werd klaargemaakt voor weer een nieuw seizoen. Je rook dat de uien bovengronds waren gehaald. Je zag hoe de ondergaande zon haast per dag wat verschoof. Ging-ie eerst onder bij Spes Nostra, een week later was dat het ijsbaangebouwtje Nooitgedacht en weer wat later – nu zo ongeveer, denk ik – net naast de kerk. En die lange schaduwen als je ’s avonds nog even een blokje Lutjerijp ging lopen.

In Stad krijg je van dat alles beduidend minder mee. De bietencampagne is begonnen, las ik. Maar ruiken deed ik het nog niet. En van schaduwen is al helemaal geen sprake.

Wat je wel meekrijgt is die kilte, die onbehaaglijkheid.

Ik kocht pompoen, geitenkaas, rucola. Herfstsmaken. Rillerig zocht ik een trui op en stak ik de kachel aan. Met hout uit Leermens.


De foto (Elly Kramers) toont het uitzicht op Zeerijp vanaf (denk ik) de Rondweg in Leermens. Zie de kerk, zie de molen. 

Thuis

Ik ging op sentimental journey naar Leermens. Dat wil zeggen: ik ging lekker in Loppersum tennissen om daarna puppy te kijken bij de tennisvriendin om daarna stiekem even door Leermens te rijden. Wat is het vreemd om langs je eigen huis te rijden. We waren thuis, geloof ik, de luiken waren open en ik moet de haag binnenkort weer snoeien. Hij stond op na-vakantie-hoogte.

De kerk is tegenwoordig in beheer bij een commissie Leermsters en zij timmeren behoorlijk aan de weg. Letterlijk. Er stond een mooi houten bordje op het dorp met een verwijzing naar de prachtige kerk en hoe er te komen. De hangende bloempotten hingen er prachtig bij. Het grote verbouwen aan de overkant was nog niet begonnen. Wat een wonderbaarlijk mooi dorpje is Leermens toch. Even overwoog ik om te stoppen, en een rondje dorp te doen. Maar ik had al de hele ochtend verkwanseld met tennis zonder een cent te verdienen en ik hoorde iets van plicht roepen.

En zo reed ik door. Maar bij Lutjerijp stopte ik toch even. Hoe de wolken aan de horizon opgetild werden door een streepje blauw, hoe het land zich loom uitstrekte, hoe de ruimte me overweldigde. Een foto, dacht ik. En toen: laat het los, laat het gaan.

Ik reed verder, vol van gemis. En toch, toen we eind april op vakantie waren dacht ik bij thuis aan mijn dorpje en mijn huisje. Toen we een paar weken geleden terug kwamen van vakantie voelde Stad wel erg vertrouwd. En toen ik van het Boterdiep naar huis liep, speelde de beiaardier van de Martinitoren een prachtig paaslied. Op ons kerkhof zaten wat lunchers. De stemming was er licht en opgewekt. Ik plukte wat dode geraniumbloemen uit de bakken voor het huis en pakte mijn sleutel. In mijn rug priemden wat jaloerse blikken. Ze hadden gelijk.

De foto plukte ik uit mijn eigen bibliotheek. We zien Eenum. In de verre verte.

Scherf even terug op aarde

Het is laat op de avond.

Vanuit de beuken rond de kerk klinkt het regelmatige geluid van een aanlopend fietswiel. Een uil. In Leermens is het alweer herfst. Regenvlagen jagen langs het huis dat nog nagloeit van een korte zomer. Was het maar vast 2100.

Kijk. In de tuin vond ik ’s middags een scherf. Een blauw appeltje. Onderdeel van iets. Toen verloren of weggegooid. Niets. Nu gevonden. Nu weer terug op aarde. Terug in de voorkamer waar-ie ooit iets was.

De scherf passeert ons. Net als het huis, de uil, de wind, de beuken, de kerk. We staan stil en kijken het verbaasd na. Misschien nu hier even zwaaien naar alles wat voorbij gaat?

Maar het is al laat. We gaan slapen.

Lees ook Blauw, van Fetze Pijlman

 

Healthy ageing

Onlangs fietste ik door Westervelde, een Drents dorpje met zo’n echte enk, ietwat verscholen tussen hoge bomen. Het was prachtig Nederlands weer, wind tegen, grote glunderende witte wolken en een royale zon. Er stond een oudere meneer in zijn moestuin. Hij rustte even uit en liet zijn oog keurend gaan over zijn oudedagsvoorziening. Hij zag er niet ontevreden uit.

Ik heb een groot zwak voor moestuinen, ze staan voor spaarzaamheid en vlijt en geduld en zelfstandigheid en eigen boontjes en ook voor vertrouwen in de natuur en alles wat komt, inclusief onkruid, slak en rups.

Deze tuin lag er pront bij. Toen ik wat dichterbij kwam zag ik dat de meneer niet ‘ouder’ was maar ‘oud’ en dat hij niet stond maar zát, op zijn rollator. De schoffel leunde er tegenaan.

Dat een moestuin niet toereikend is als oudedagsvoorziening weet mevrouw Klijnsma best. Ze bedoelde gewoon dat we wat creatiever moeten zijn als het gaat over de vraag hoe we straks de eindjes aan elkaar kunnen knopen. Een moestuin helpt daarbij. Niet vanwege de extra inkomsten maar vanwege het gezonder ouder worden.

(Op de foto mijn groentetuin – een leven geleden)

Knaasjes, knijten en knutten

De laatste weken word ik ’s morgens af en toe bont en blauw wakker.  Mijn oor bonkt. Mijn wang brandt en mijn voorhoofd is met bloed besmeurd. Dat zijn de nachten dat ik geterroriseerd word door knaasjes, knijten en of knutten. Muggen dus, in alle sekses, soorten en maten. Ondanks een actief hor-beleid weten sommige van deze monsters onze slaapkamer binnen te dringen.

Gezoem. In mijn half-droom-half-slaap-half-waakstand (ja, dat kan) hoor ik eerst hoe een jongeman op zijn brommer bij Godlinze richting ’t Zandt gaat. Een hoog, ver en de-nachtdoordringend gezoem dat naarmate de knul dichter bij de afslag naar Leermens komt, lager en doordringender wordt. Zo bij Schatsborg, 1000 meter bij ons vandaan,  neemt een Japanse kamikazepiloot het van hem over in mijn slaapkamer. Ik hoor hoe de arme Jap vastbesloten mijn richting op raast. Vlak voor de inslag neemt een knijt het stuur in handen. Dat is het moment dat ik de knut in kwestie langs voel scheren. Een oorverdovend gezoem en een licht briesje langs de wang of langs het oor. Daar gaat de knaas.

Pats. Dat is het moment dat ik mezelf een klap geef. De ervaring heeft me geleerd me dat een corrigerende tik niks doet. Dan is de vogel alweer gevlogen. Nee. Het enige wat soms werkt is een dreun. Hard, gericht, dodelijk. De Fred Teeven-approach. Soms loopt dat goed af. Soms word ik wakker met bloed aan mijn hand en bloed op het hoofd. Mijn bloed of knutbloed?