Groningen is ver weg

Vrijdagavond zaten we tijdens onze minivakantie van de NS Spoordeelwinkel in Rotterdam bij Mooiweer&zo, een klein multifunctioneel centrum. Je eet er, waarna je tegen half acht je stoel wat omdraait en de bar toneel wordt. Toen we er binnenkwamen bleek dat we aan “de verrassingstafel” geplaatst waren. Participerend toneel, schrok ik. Het viel mee. Die verrassingstafel bleek gewoon een tafel voor 8 personen met wie je geacht werd een gesprek te voeren.

Ooit waren we op een vakantiereis door Marokko. Een onderdeel van de reis was een tour door de woestijn met als pauzeprogramma een kennismaking met authentieke lokale bevolking in een grote tent. De lokale bevolking bleek te bestaan uit een groep jongemannen die, toen we eenmaal binnen waren, zich zuchtend een doek omdeden, een cassetterecorder aandeden en een dans uitvoerden. Een fooi werd enorm op prijs gesteld.

Hier in Rotterdam was de ontmoeting met echte authentieke lokalo’s gewoon gratis en inbegrepen. Sterker, hier leken de lokalen het ook echt leuk te vinden om mensen uit Groningen te ontmoeten. Helemaal uit Groningen! Een mevrouw vertelde ons dat ze in Rotterdam een OV-kaart hebben. Kun je zomaar mee in de bus, op de tram in de metro …

Die vrijdagavond was alles in Groningen nog rustig, koek en ei en pais en vree. Toen kwam gisteren die nieuwe aardbeving. Hoe zou het tafelgesprek zijn verlopen als we er komende vrijdagavond zouden eten? Ik ben   bang dat het niet veel anders zou zijn gegaan. Groningen is voor de meeste randstedelingen namelijk gewoon heel ver weg.

(De foto is van Matthijs Sorgdrager, DvhN)

Het land, de lucht, de klei en de kerk

Het was zaterdag, het einde van de ochtend. We reden naar Leermens en stopten even om het uitzicht in te nemen.  Er was geploegd. Elders was al weer  geëgd en ingezaaid. Maar niet hier. Hier lagen de brokken klei nog klei te zijn. Grondstof.

Draai een slag naar rechts en zie het oneindige land tussen hier en verder, het land voorbij het Damsterdiep, voorbij het Eemskanaal. Kaal, vlak, met hier en daar een pluim boom. Wat riet in de sloot. En misschien wel de boemel van Stad naar Delfzijl.

Draai nog een slag naar rechts en zie de grote toren van de Petrus en Pauluskerk, de trotse beeldbepaler van de skyline van Loppersum.

En nog een slag, precies. De kerk van Zeerijp. Met z’n lage vrijstaande toren. Stoer, robuust.

En dan dat kranige kerkje op de wierde van Eenum. Hoog, een beetje eenzaam, lief, om met Eberhard van der Laan te spreken. Het verzet zich dapper tegen de stormen van vader Tijd, tegen de secularisatie en het botte, nietsontziende geweld van de NAM en zijn kompanen.

En eindeloos veel lucht. Ruimte. Stilte.

Met de auto volgeladen gingen we terug. We verhuisden datgene wat we op voorhand dachten nodig te hebben voor al die weekendjes en weekjes in ons oude huis. Eén nachtje heb ik er geslapen. Vreemd hoe het gaat.

Laat dit het laatste blogje van 2017 zijn. En dat we dan ergens in 2018 verder gaan. Fijne dagen en een heel gelukkig nieuw jaar.

 

De boom

In Groningen maken ze er altijd een hele show van, samen met dat Dagblad overigens. Welke boom gaan we dit jaar omzagen? Stadse fratsen. In Leermens pakken ze een kettingzaag, stappen in de auto en zagen ergens een boom om. Voor de boom hierboven hoefde men niet eens in de auto. Die kwam uit de tuin van het huis met de krakers, het huis dat nu weg is en verdwenen.

Afgelopen zaterdag moest ik in Leermens zijn. Ik viel met mijn neus in de boter: de boom werd geplaatst. Daar hebben we … ze een permanente standaard voor naast de Leermster Stain. Ideaal.

Ik maakte een foto van de plantsessie maar die werd niet heel mooi. Geen nood. De foto hierboven is van 2 jaar geleden. Hij is de mooiere versie van de foto van afgelopen zaterdag.

Ik houd er wel van als dingen hetzelfde blijven.

De kleine wereld

Op visite bij buren – ze werden samen 133 – leerden we een meneer en mevrouw kennen. Hij beeldhouwt. We kregen het over beeldhouwen. Zij bleken ook de beeldhouwer Maarten en zijn vrouw Anne-Miek te kennen. Wij kennen ons uit ons vorige leven in Leermens. Hen kwamen we de volgende dag tegen bij de kerkverkoop van Leen Kaldenberg, onze vroegere overbuurman. Ze feliciteerden ons met de verkoop van ons huis – ze kennen de nieuwe bewoners goed. Net toen we weggingen kwamen daar Wim en Anne, zij kennen Leen via een heel andere tak van sport; wij kennen hen doordat onze zoon en hun dochter tezamen het rood-wit verdedigden van GEO (Garmerwolde en Omstreken) in het BUDO-team: B’ers uit de Omgeving. Overigens, op de eerdergenoemde visite ontmoetten we ook nog een oud-collega van de hogeschool – een eerdere loopbaan, een eerder leven. De oud-collega blijkt een nieuwe buurvrouw.

Het is een kleine wereld – ik vind het mooi. Hij kan mij niet klein genoeg zijn.

Op de foto een echte Kaldenberg

Nooitgedacht

Op de Grote Markt installeerde men een elektrische ijsbaan. Overdekt. Met poffertjeskraam ernaast. Morgen gaat-ie open. Ik ga er geen gebruik van maken.

Mijn eigen ijsvereniging stuurde ons een uitnodiging voor de jaarvergadering. Met een rekening. Voor 6 euro mogen we gedurende het seizoen onbeperkt gebruik maken van misschien wel de mooiste ijsbaan van Nederland. Als er ijs ligt.

Hoe je op je sloffen de Wierdeweg afliep en in de kantine je schaatsen onder bond. Hoe je in alle stilte je rondjes schaatste, met uitzicht op de kerk en de lage wierde. Hoe er ooit ijs lag in Nederland.

De uitnodiging eindigt als volgt: ‘Na afloop van de vergadering is er kaarten en sjoelen voor leden die vanaf 20.00 uur bij de vergadering aanwezig zijn.’

Bladharken

In Stad is het strakblauw, in Leermens is het grijs. Stil, geurig, grijs. Ik zit aan de keukentafel. Het huis is leeg. In de voortuin zoekt een koolmeesje naar eten, neem ik aan. Een stuk zingeving zal het niet zijn. Hij zit op de stronk van een ooit omgezaagde boom en hipt naar een verdorde stengel fluitenkruid, en hups, de iep in. Vanaf de Wierdeweg komt de gemeente aan rijden met de veegwagen. Ik zie hem niet. De mist is behoorlijk alomvattend. Ik hoor het, en ik zie het aan het zwaailicht op de cockpit. Ik kwam hier bladharken maar dat was een smoesje. Ik kwam hier zijn.

Tegen vreemden zeg ik altijd dat het zo leuk is dat er aan het Martinikerkhof zo veel gebeurt. Scholieren die op en neer naar de AH gaan bijvoorbeeld. En toeristen die het belendende hotel bezoeken of er een kopje koffie gaan drinken.

Maar een koolmeesje op een dode stengel fluitenkruid zie je er niet.

Over die scholieren: ik zie er altijd meer heen gaan dan terugkomen. Is dat nog iets om ons zorgen over te maken?

Onder de toren

De kerk van Leermens had ooit een echte toren. Wat zeg ik, hij had er twee. Daar gebeurde een ongelukje mee waarna in 1822 de praktische Leermsters een eenvoudige dakruiter plaatsten, u weet wel: zo’n houten constructie op het dak van de kerk. Volledig bevingsbestendig en het kost ja ook nog eens niks.

Is een dakruiter een toren? Ik vind van wel. We deden het er mee. We leefden ermee. Met de kerk, met de toren, met het gelui. Als, bijvoorbeeld, op zaterdag even voor 17.00 uur de klokken geluid werden, wist je dat er de volgende ochtend een kerkdienst was. En natuurlijk luidden de klokken bij begrafenissen en andere Gebeurtenissen.

Nu leven we opnieuw met de toren. De Martinitoren. Een lieve dame uit Amersfoort wist ons te vertellen dat die toren qua hoogte hooguit op de 6e plaats komt in Nederland. Mij maakt dat niet uit. Het is misschien geen grote toren maar het is ónze toren. We doen het er mee. We leven er mee. Met de kerk, met de toren en met het gelui. Ieder kwartier laat hij weten dat hij er is. Dat hij er nog is. Al die eeuwen. Al die mensen die eronder leefden en stierven en begraven werden.

Leef je met een toren? Jazeker. Of leef je onder een toren? Dat vind ik eigenlijk mooier. Hoe dichtbij moet je wonen om dat te kunnen zeggen? Ik neem als maat dat ene ultieme criterium. Stel hij valt om, richting ons huis. Krijgen wij hem op ons dak? Ik denk dat we net dat ene  paard in de gang zien verschijnen.