Open ogen

Het is even wennen, de nieuwe bundel van Remco Campert.

In ‘Open ogen’ is Campert eerder een fotograaf dan een dichter. Niet doordat hij veel bijvoeglijk naamwoorden gebruikt. Integendeel. De schrijnendste gedichten bevatten nauwelijks bijvoeglijk naamwoorden. Ze vertellen zakelijk wat de tv laat zien.

Notitie

Ik zag een jongetje zitten
verwezen op een stoeltje
bedekt met bloed
en asgrauw puinstof
onder een huis weggehaald
met bommen bestookt
door Assads moordenaarstroep

dit gedicht helpt hem niet
maar het is genoteerd

Er zit verbazing in deze gedichten. Verbijstering. Zoveel gruwel. De vluchteling met zijn hand door het hek, de vader die zijn dode kind tegen de borst klemt, Zaventem net na de aanslag. Wat kun je doen? Een dichter kan dichten, en dat doet Campert. Hij weet dat poëzie niet meer mooi hoeft te zijn, maar hij tast in het duister over wat de poëzie wel kan doen.

Ik weet: poëzie hoeft ook niets te doen. Het is er. Je kunt er nota van nemen. Je kunt je laten ontroeren, meevoeren. Op een reis langs Zaventem, vluchtelingenkampen, de winderige straten van Amsterdam, een Duitse soldaat bij het lichaam van een Spitfirepiloot, de Middellandse Zee en een verdrinkende vluchteling, het leger van de havelozen en de hebniks.

Poëzie

Eventjes anders denken
en de werkelijkheid wordt onwerkelijk
ik kijk naar buiten
de avond zinkt weg in vredig grijs
ik begeef me te ruste

intussen terwijl ik me omdraai in bed
bootvluchtelingen verdrinken
aan vreemde kusten

hun adem benomen
door wereldpolitiek
alleen de poëzie
leeft hen nog voort

We waren onlangs in de Kunsthal in Rotterdam. We zagen de adembenemende tentoonstelling van foto’s van Jeroen Oerlemans, een fotograaf die tijdens zijn werk in 2016 in Libië werd doodgeschoten door een sluipschutter van IS.

Mooie foto’s, gruwelijke beelden. Die foto’s zag ik toen ik Campert las.

Bezoek de Kunsthal

‘Open ogen’ is uitgegeven door de Bezige bij

Hoe zeg je dat

In de bibliotheek stuitte ik op het boekje ‘Hoe zeg je dat’. Gedichten, van Antjie Krog. Zo, dat is geen kinderachtige poëzie.

Schrijft zij naar de mensen toe? Nee, ze schrijft van zich af. Bij veel mensen levert dat poëzie op die ongetwijfeld geschreven moest worden maar die niet per se gelezen hoeft te worden.

Bij Krog is dat anders. De gedichten die ik nu van Antjie Krog lees, zijn niet de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie. Nee, integendeel. Ze zijn de aller-individueelste expressie van de aller-universeelste emoties.

Neem dit fragment uit het klaaglied van een moeder:

de een schreeuwt van honger
de ander van woede
de oudste met zijn zenuwachtige groentemesstem
probeert een hele supermansvlucht boven het lawaai uit te steken

mijn man doet de deur voor iedereen dicht
en zet het pianoconcert van Mozart een hele draai harder.

En even later:

Ik stink naar kots en poep en zweet
naar zaad en uien
ik vertegenwoordig een keuken
met haren vaalgeklit op een stroeve huid van novilon
de taaie melkbonnen van rug buigen belangeloos
onder een vaatdoekvale kamerjas
de benen fijn beaderd als blauwe zeep
pantoffels krullen als schuursponsjes om de voeten

Huis-, tuin- en keukenpoëzie over de menopauze, het huwelijk, ouderdom, dood, liefde.

De blues. En dan die titel. Hoe zeg je dat. Geen vraagteken. Een verzuchting.

Pas op

Op Vlieland fietsten we door de duinen. Er stond een gevarenbord, zo’n driehoek, met daarop een gedicht. Het heette ‘Pas op’

Pas op

Zachte berm
Gevaarlijke daling

De hele dag deinde dat ene zinnetje door mijn hoofd: ‘zachte berm gevaarlijke daling zachte berm gevaarlijke daling zachte berm gevaarlijke daling zachte berm gevaarlijke daling’. Wat een prachtig metrum.

zachte-berm-gevaarlijke-dalingEr is veel poëzie alleen zien we dat vaak niet. Misschien maar goed ook, want poëzie is moeilijk. Maar kijk nog eens goed. Hoe gevaarlijk is de afdaling precies? Wat kan je gebeuren?

De foto hiernaast stuurde een trouwe lezeres me op. Ik blijk me vergist te hebben. Er staat: ‘Let op!’. Maar wij hadden mooier weer.

Jij hier

De-mus-jan-hanlo-muurgedicht-leiden
Muurgedicht van Jan Hanlo in Leiden

Via Twitter stuitte ik op een prachtige VPRO-productie: ‘De stad is een gedicht’, gemaakt door Veerle van der Gracht. Het gaat over de vele muurgedichten in Leiden en wat ze betekenen voor voorbijgangers. En over de makers ervan: twee oudere heren die in de keuze hun eigen smaak volgen maar zeker ook een willig oor te luisteren leggen. Het is een radiodocumentaire, verluchtigd met tekst en beeld en info. Multimedialer kan het niet.

Wouter Ydema, stadsdichter te Leiden, zegt in die reportage: ‘Een gedicht is een goede bekende’. En vertelt hoe mooi het is om in de stad op allerlei plekken die vertrouwde gezichten telkens weer tegen te komen. Voor iemand met mijn geheugen is die omschrijving helemaal goed. Je kent hem goed, maar toch ook weer niet. Een vertrouwd gezicht, een vertrouwde stem, een vertrouwde handdruk. En ook de verrassing.

Wat leuk. Jij hier.

In Groningen

Je bent in Groningen, maar hier
ben je dat niet, dit is een onbekende
plek, dit is een gedicht in
deze stad.

Waarin je al die jaren kwam en
ging, door altijd zon, altijd regen,
altijd wind, totdat je hier
stond, en dit las.

Je kwam en gaat weer weg, ook nu.
Zo zal het blijven tussen ons, ik ben
een onbekende plek

Rutger Kopland

En voor die reportage moet u zeker even gaan zitten en klikken: De stad is een gedicht

Uit het hoofd en in het hart

wolken-groningen

Ik nam mij ooit voor om iedere dag een gedicht uit mijn hoofd te leren. Een sonnet telt 14 regels van pak’m beet 12 lettergrepen. Dat moet je in 24 uur toch uit je hoofd kunnen leren? We zijn dik 30 jaar verder en ik kan u meedelen dat ik 4 gedichten uit het hoofd kan reciteren. Dat zijn ‘De moeder de vrouw’ (Nijhoff), ‘De Dapperstraat’ en ‘November’ (Bloem) en het eerste gedicht van ‘Idyllisch landschap bij ondergaande zon’, van Kouwenaar. En ik garandeer niet dat ik dat kunstje op commando kan demonstreren.

Iets uit het hoofd leren, in het Engels is dat ‘to learn by heart’. Dat klinkt als ‘in je hart stoppen’. De gedichten in mijn hoofd heb ik ook in mijn hart. Gelukkig is er in mijn hart meer plaats dan in mijn hoofd.

Bijvoorbeeld voor dit gedicht, van J.H. Leopold. Misschien is er nog net plaats voor die ene regel: ‘wereld en ruim heelal: het is bevat in dit klein trilkristal.’

Regen

De bui is afgedreven;
aan den gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond-
gewelfde wolken; over is gebleven
het blauw, het kille blauw, waaruit gebannen
een elke kreuk, blank en opnieuw gespannen.

En hier nog aan het vensterglas
aan de bedroefde ruiten
beeft in wat nu weer buiten
van winderigs in opstand was
een druppel van den regen,
kleeft aangedrukt er tegen,
rilt in het kille licht.

en al de blinking en het vergezicht,
van hemel en van aarde, akkerzwart,
stralende waters, heggen, het verward
beweeg van menschen, die naar buiten komen,
ploegpaarden langs den weg, de oude boomen
voor huis en hof en over hen de glans
der daggeboort, de diepe hemeltrans
met schitterzon, wereld en ruim heelal:
het is bevat in dit klein trilkristal.

Een tuin in de winter

dichter-gerrit-kouwenaar-91-overleden

Ik las dit weekend de herinneringen van schrijfster Anna Enquist aan Gerrit Kouwenaar. Als je, zoals ik, niet meer heel trouw de culturele pagina’s leest van de bladen, mis je soms iets. Bijvoorbeeld dat er een prachtig boekje verschijnt over de grootste dichter die ons land had. Legt u maar ergens een korrel zout desgewenst.

Als Kouwenaar-adept mocht ik me niet al te zeer verdiepen in de persoon van de schrijver. Die doet er niet toe. Maar je wilt toch graag van alles weten. Anna Enquist beantwoordt veel van die vragen. Bijvoorbeeld de vraag: waarvan leefde hij? Ook die andere vraag werd beantwoord: waaraan stierf hij?

Het begon met een val.

Nee, het begon met de dood van zijn vrouw. Toen kwam de leegte, de afzondering, de eenzaamheid, het gemis van levenslust, de val. Enfin, de rest van het verhaal kent u. Ziekenhuis, opkrabbelen, verpleeghuis en wat verder volgt. Niets menselijks is de dichter vreemd.

Gelukkig is er nu dat boek van Anna Enquist. Gelukkig is er ook de bloemlezing die ze maakte van het werk van Kouwenaar. Opdat we hem niet vergeten. Lezen we nu

         Stilleven

Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader

thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter

nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde –

Ik schreef eerder over dit gedicht: Men scheert zich zijn vader

Anna Enquist, Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar. ISBN 978 90 295 14248

 

Een ijsvogel

ijsvogel_panorama1

Op Schier zag ik de dag voor kerst een ijsvogel. Het beestje overviel me. Zo blauw, zo helder blauw.

Een mens wordt soms overvallen door een emotie. Een open zenuw die geraakt wordt, gewoon door een opmerking op Facebook of een fragment op tv. Vaak is dat verdriet. Of gemis. Dat is niet erg. Het kan mooi zijn. Of verdrietig. Of allebei.

Een mens wordt soms overvallen door een ijsvogel. Of door Facebook. Of door een steen op de weg.

Midden op de weg lag een steen
lag een steen midden op de weg
lag een steen
midden op de weg lag een steen.

Nooit zal ik die gebeurtenis vergeten
in het leven van mijn zo vermoeide netvliezen.
Nooit zal ik vergeten dat midden op de weg
lag een steen
lag een steen midden op de weg
midden op de weg lag een steen.

Uit: Carlos Drummond de Andrade, Gedichten.Vertaling: August Willemsen