David Hockney in Amsterdam

David Hockney. Ooit schreef ik een blog over een schilderij van hem: Bigger trees near Warter. Dat zag ik op televisie. Op een scherm van 60 breed en 40 hoog. Centimeters. Ik vond het mooi. Gisteren stond ik in Amsterdam oog in oog met werken ter grootte van 10 bij 4. Meters.  Ik vond het adembenemend.

Ik kende Hockney van de Californische zwembadschilderijen. Die raken mij niet. Klinisch. Posterkunst. De schilderijen in het Van Gogh Museum maakte hij in Engeland. Ze gaan over de vreugde en geneugte van de natuur. Daar heb ik duidelijk meer mee. Hoe die bomen stuk voor stuk zichzelf zijn, hoe ze samen een bos zijn en een landschap worden, hoe ze ons toelaten en op afstand houden. Hoe het licht tussen de bomen hangt, of het nou winter, lente, zomer of herfst is. En hoe dat licht je betovert.

Was het druk? Ja. Maar doordat je moet reserveren was de drukte doenlijk en door de grootte van het meeste werk kun je er ook echt met z’n allen van genieten.

Dat we een uur eerder de Leermster dichter F en zijn loopbaancoach T in hun nieuwe Amsterdamse onderkomen konden ontmoeten maakte de grauwe natte zondag tot een ware topdag. Dichter F zwaaide ons op een enorm billboard op het perron hoogstpersoonlijk uit.

Als ’s morgens het licht
door de gordijnen dringt
smelten je laatste dromen.

Hockney liet me zien dat datzelfde licht ook nieuwe dromen kan doen ontstaan.


Links:

Van Gogh Museum ,The joy of nature, Tentoonstelling Hockney – Van Gogh

Fetze Pijlman, De eerste dag

Zin in

Op de doos van Hello Fresh staat ‘zin in’. Mijn tante schreef erbij ‘Wout??’ Erin boeken. Vooral poëzie. Ik had nog nooit van Jo Landheer gehoord. Of van de reeks ‘De muze’, met onder meer ‘De muze op school’ en ‘De muze viert feest’. Of van de bundel ‘Hartgespan’ van Victor Westhof. Maar de bundel ‘Het gevleugelde hobbelpaard’ kende ik dan weer wel, nonsensicale gedichten verzameld door C. Buddingh’ En – ik zou haast schrijven ‘natuurlijk’ – de bundel ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’ van Neeltje Maria Min.

Ja, zin in. Bijvoorbeeld in dit gedicht van Albert Verwey. Het boek sloeg open bij dit gedicht.

De schone wereld

Iedre morgen na het nachtlijk slapen
Ligt mijn wereld nieuw door mij geschapen.

Iedre dag heb ik haar weggegeven,
Telkens één dag meer van ’t eigen leven.

Telkens een kortstondiger bewoner
Zie ik haar belangelozer, dus schoner.

Schoonst zal ze eenmaal zijn als ik ga scheiden
En de grenslijn wegvalt van ons beiden.

Waarom sloeg het juist hier open? Mijn tante legde er een gedroogd viooltje bij.

Gelehesjespoëzie anno 1959

Als dank voor al het aangename bloggen op de website van Tekstnet kreeg ik van Tekstnet een prachtige boekje met werk van C. Buddingh’. Ik kende Buddingh’eigenlijk alleen van de Gorgelrijmen. Leuke onzingedichten, erg geschikt om leerlingen iets te leren over metrum en rijm. En perfect passend bij de huidige appreciatie van bijvoorbeeld Levi Weemoedt en Hans Dorrestijn. Dat is het wel zo’n beetje. Nu weet ik beter. Hij schreef ook echte poëzie.

Neem Whose blues:

Whose Blues 

men zegt dat wij
ge
des
il
lu
sio
neerd
zijn

hoe is het mogelijk?

ons bedje was toch zo heerlijk gespreid
een a-bom ons kussen een koude oorlog
onze matras een h-bom ons laken

en wij wij zouden niet dankbaar zijn?

lieve vaders en moeders kom nou!

Gelehesjespoëzie anno 1959! Buddingh’ was zijn tijd wel erg ver vooruit. Het moest nog 1968 worden.

Weten waaraan ik dat prachtboekje dank? U vindt hier m’n stukjes voor Tekstnet. Lees ze, like ze, en laat ze daarna los.

Open ogen

Het is even wennen, de nieuwe bundel van Remco Campert.

In ‘Open ogen’ is Campert eerder een fotograaf dan een dichter. Niet doordat hij veel bijvoeglijk naamwoorden gebruikt. Integendeel. De schrijnendste gedichten bevatten nauwelijks bijvoeglijk naamwoorden. Ze vertellen zakelijk wat de tv laat zien.

Notitie

Ik zag een jongetje zitten
verwezen op een stoeltje
bedekt met bloed
en asgrauw puinstof
onder een huis weggehaald
met bommen bestookt
door Assads moordenaarstroep

dit gedicht helpt hem niet
maar het is genoteerd

Er zit verbazing in deze gedichten. Verbijstering. Zoveel gruwel. De vluchteling met zijn hand door het hek, de vader die zijn dode kind tegen de borst klemt, Zaventem net na de aanslag. Wat kun je doen? Een dichter kan dichten, en dat doet Campert. Hij weet dat poëzie niet meer mooi hoeft te zijn, maar hij tast in het duister over wat de poëzie wel kan doen.

Ik weet: poëzie hoeft ook niets te doen. Het is er. Je kunt er nota van nemen. Je kunt je laten ontroeren, meevoeren. Op een reis langs Zaventem, vluchtelingenkampen, de winderige straten van Amsterdam, een Duitse soldaat bij het lichaam van een Spitfirepiloot, de Middellandse Zee en een verdrinkende vluchteling, het leger van de havelozen en de hebniks.

Poëzie

Eventjes anders denken
en de werkelijkheid wordt onwerkelijk
ik kijk naar buiten
de avond zinkt weg in vredig grijs
ik begeef me te ruste

intussen terwijl ik me omdraai in bed
bootvluchtelingen verdrinken
aan vreemde kusten

hun adem benomen
door wereldpolitiek
alleen de poëzie
leeft hen nog voort

We waren onlangs in de Kunsthal in Rotterdam. We zagen de adembenemende tentoonstelling van foto’s van Jeroen Oerlemans, een fotograaf die tijdens zijn werk in 2016 in Libië werd doodgeschoten door een sluipschutter van IS.

Mooie foto’s, gruwelijke beelden. Die foto’s zag ik toen ik Campert las.

Bezoek de Kunsthal

‘Open ogen’ is uitgegeven door de Bezige bij

Hoe zeg je dat

In de bibliotheek stuitte ik op het boekje ‘Hoe zeg je dat’. Gedichten, van Antjie Krog. Zo, dat is geen kinderachtige poëzie.

Schrijft zij naar de mensen toe? Nee, ze schrijft van zich af. Bij veel mensen levert dat poëzie op die ongetwijfeld geschreven moest worden maar die niet per se gelezen hoeft te worden.

Bij Krog is dat anders. De gedichten die ik nu van Antjie Krog lees, zijn niet de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie. Nee, integendeel. Ze zijn de aller-individueelste expressie van de aller-universeelste emoties.

Neem dit fragment uit het klaaglied van een moeder:

de een schreeuwt van honger
de ander van woede
de oudste met zijn zenuwachtige groentemesstem
probeert een hele supermansvlucht boven het lawaai uit te steken

mijn man doet de deur voor iedereen dicht
en zet het pianoconcert van Mozart een hele draai harder.

En even later:

Ik stink naar kots en poep en zweet
naar zaad en uien
ik vertegenwoordig een keuken
met haren vaalgeklit op een stroeve huid van novilon
de taaie melkbonnen van rug buigen belangeloos
onder een vaatdoekvale kamerjas
de benen fijn beaderd als blauwe zeep
pantoffels krullen als schuursponsjes om de voeten

Huis-, tuin- en keukenpoëzie over de menopauze, het huwelijk, ouderdom, dood, liefde.

De blues. En dan die titel. Hoe zeg je dat. Geen vraagteken. Een verzuchting.

Pas op

Op Vlieland fietsten we door de duinen. Er stond een gevarenbord, zo’n driehoek, met daarop een gedicht. Het heette ‘Pas op’

Pas op

Zachte berm
Gevaarlijke daling

De hele dag deinde dat ene zinnetje door mijn hoofd: ‘zachte berm gevaarlijke daling zachte berm gevaarlijke daling zachte berm gevaarlijke daling zachte berm gevaarlijke daling’. Wat een prachtig metrum.

zachte-berm-gevaarlijke-dalingEr is veel poëzie alleen zien we dat vaak niet. Misschien maar goed ook, want poëzie is moeilijk. Maar kijk nog eens goed. Hoe gevaarlijk is de afdaling precies? Wat kan je gebeuren?

De foto hiernaast stuurde een trouwe lezeres me op. Ik blijk me vergist te hebben. Er staat: ‘Let op!’. Maar wij hadden mooier weer.

Jij hier

De-mus-jan-hanlo-muurgedicht-leiden
Muurgedicht van Jan Hanlo in Leiden

Via Twitter stuitte ik op een prachtige VPRO-productie: ‘De stad is een gedicht’, gemaakt door Veerle van der Gracht. Het gaat over de vele muurgedichten in Leiden en wat ze betekenen voor voorbijgangers. En over de makers ervan: twee oudere heren die in de keuze hun eigen smaak volgen maar zeker ook een willig oor te luisteren leggen. Het is een radiodocumentaire, verluchtigd met tekst en beeld en info. Multimedialer kan het niet.

Wouter Ydema, stadsdichter te Leiden, zegt in die reportage: ‘Een gedicht is een goede bekende’. En vertelt hoe mooi het is om in de stad op allerlei plekken die vertrouwde gezichten telkens weer tegen te komen. Voor iemand met mijn geheugen is die omschrijving helemaal goed. Je kent hem goed, maar toch ook weer niet. Een vertrouwd gezicht, een vertrouwde stem, een vertrouwde handdruk. En ook de verrassing.

Wat leuk. Jij hier.

In Groningen

Je bent in Groningen, maar hier
ben je dat niet, dit is een onbekende
plek, dit is een gedicht in
deze stad.

Waarin je al die jaren kwam en
ging, door altijd zon, altijd regen,
altijd wind, totdat je hier
stond, en dit las.

Je kwam en gaat weer weg, ook nu.
Zo zal het blijven tussen ons, ik ben
een onbekende plek

Rutger Kopland

En voor die reportage moet u zeker even gaan zitten en klikken: De stad is een gedicht