Bieten

Wie goed kijkt ruikt de bieten. Of verbeeld ik me die geur? Staat de wind verkeerd, is die fabriek op Hoogkerk allang gesloten? Op de Grote Markt bouwt men zich een tent zo groot als de Grote Markt. Zelfs de fietsen moeten ervoor wijken. In die tent straks het oktoberfeest. Met Marc Bakker, Schlagerband Jawohl en Uli Jurgens. Ja, ze willen herfst.

Maar ik, ik kocht van Raymond Carver ‘Uit het oosten, licht’. Scènes. Drama’s. Kleine verhaaltjes over kleine mensen met grote gevoelens.

Het kortste gedicht is dit:

De jonge meiden

Vergeet alle ervaringen die je ineen doen krimpen,
En alles wat met kamermuziek te maken heeft.
Musea op regenachtige zondagmiddagen, enzovoort.
De oude meesters. Dat soort dingen.
Vergeet de jonge meiden. Probeer ze te vergeten.
De jonge meiden. En dat soort dingen.


Raymond Carver, Uit het oosten, licht 2021 isbn 978 94 93186 34 7. selectie en vertaling Astrid Staartjes. Uitgeverij Vleugels.

Maantje loopt mee

‘Ik voel me een beetje bleek’ schijn ik als jongetje van een jaar of 5 wel eens gezegd te hebben. Een prachtige synesthesie! Dat is die stijlfiguur waarin je zintuiglijke waarnemingen door elkaar haalt. Als een jongetje van 5 tegenwoordig de bal 3 keer hoog houdt, doen zijn ouders hem op de voetbalacademie. Als een jongetje van 5 tegenwoordig uit zichzelf een boek pakt, schrijven zijn ouders hem in voor het gymnasium. Als een jongetje van 5 een huppeltje maakt, belt vader het Nationaal Ballet en pakt moeder een dieetboek uit de kast. Of omgekeerd. Maar dat mijn ouders van mij een dichter maakten, no way.

Nee, dan Remco Campert. Hij vertelt graag in interviews hoe hij als klein jongetje samen met zijn moeder ’s avonds over straat liep en vaststelde: ‘maantje loopt een eindje met ons mee’. Sterker, hij schreef er een gedicht over. Meerdere zelfs. Onderstaand gedicht bijvoorbeeld, over de openbaring dat in taal alles kan.

Als je de wind maar laat waaien en de woorden hebt.

Ach ja. Remco Campert. Hoe zou het met hem gaan?

Woorden woeien het papier op
ik wist niet wat me overkwam
stond er niet lang bij stil
gaf me over aan opluchting
die mijn verstand te boven ging
toen begon het dus
op de middelbare school
die ik als een gevangenis ervoer
woorden hielpen me ontsnappen
vogelvrij uit mijn kooi

Of begon het eerder met ongeschreven woorden?
aan mijn moedershand liep ik als vijfjarige
over de avondlijke Haagse gracht
en stelde vast: ‘maantje loopt een eindje met ons mee’
moeder vertelde het aan dichtersoom Jacques
die sprak:
maak je over hem nooit zorgen
met hem komt alles goed

Remco Campert (1929)
uit: Verloop van jaren (2015)

Een luie dichter

Lucebert was een luie dichter. Hij liet de taal het werk doen.

Toen 3 lieve vriendinnen uit lang vervlogen tijden van de Grote Smak hoorden sloegen ze de handen ineen en stuurden ze me de laatste – en nu echt de allerlaatste – bundel gedichten van Lucebert: ‘Vaarwel’.

Even schrok ik. Ik brak mijn arm maar sta volgens mij verder nog redelijk solide in het leven. Maar de titel sloeg op de dichter. Hij woonde die eerste jaren graag bij mensen in. En als de boel ontplofte, liet hij alles achter en zocht hij zijn heil elders. Uit de gedichten die hij achterliet, ontstond deze bundel.

Lucebert was een dichter die vlot doorschreef. Hij liet de taal het werk doen, improviseerde, associeerde en ouwehoerde er graag op los. Vaak met veel succes. Letterkundigen mochten dan uitzoeken of het nog ergens over ging. Ik was ooit zo’n letterkundige. Tegenwoordig geniet ik meer van de jazz.

Een van de gedichten opent als volgt:

op vele plaatsen kan ik verwaaid wonen
want verdwaald is de waarheid en
verdwaasd is de waarheid
zo kan dorst drinken zingen en zijn
een stem voor vele stemmen
gezaaid en aan de lange wind geschonken

Je hoort en ziet hoe hij van de combinatie ‘verwaaid’ en ‘wonen’ uitkomt bij ‘verdwaald’ en ‘waarheid’ en ‘verdwaasd’. Dat laatste woord brengt met zijn combinatie van d-klanken en s-klanken de weg vrij voor ‘dorst’ dat met die d-klank ‘drinken’ inluidt. Zo gaat het door. Wie Lucebert hoort voorlezen, hoort hoe die klanken elkaar oproepen. Het is mooi.

Het wordt nog mooier als dat klankspel ook een betekenis creëert. Niet de vraag: ‘Wat bedoelt de dichter?’ maar ‘Wat gebeurt er in dit gedicht?’ is daarbij interessant. De passage hierboven komt uit een gedicht dat te lang is om te citeren. Maar het gedicht onder past in een blogje.

Het is mooi. Ik begrijp er nog weinig van.

zee en taal

moerschelp, behoeftig naar de zee
ik hoor de god die treedt de golven
zijn naam ontzaggelijk bedorven
wordt aan uw rode wond gedwee
de echo van de liefste, uitgestorven
haast dan haar zwarte barenswee

en ik neem en zie mijn rode mond
groot en behoeftig open voor het wonder
der weerkaatsing schaatsend door het donker
van zijn gehoornde schaal. rond
gaat de aandacht door de taal en onder
wordt er woord en wonder in verbond

En nee. Ik vergat het einde niet.

Toen moest je weg

Wat dacht je toch?

Bewegen is haren, lege bekers, schilfers achterlaten,
een ongemerkte regen van resten, een staat van permanent
gewichtsverlies. Je maakt jezelf zwaarder met verhalen
en eten, houdt een agenda bij om maar op de grond te blijven.
Erger is het als je reist: dan heb je ook een koffer nodig
want je hoofd, ballon vol niets, trekt je omhoog – dit dacht je toch?

Toen moest je weg. Je hebt niets mee kunnen nemen.
De taal van je herinnering wordt nu gesproken door dingen
die hier niet zijn en je lippen kunnen hun vorm niet vinden.
Je gezicht en haren zijn het gezicht en de haren van niemand.
Je staat buiten en legt je hoofd in je nek, je mond wijd open
om zoals vroeger sneeuwvlokken uit de lucht te vangen.

Esther Jansma (1958)
uit: Rennen naar het einde van honger (2020)

Ik kreeg dit gedicht vanmorgen, zomaar, gratis, van de website “Laurens Jz. Coster — iedere werkdag een gedicht”. U kunt zich hier ook abonneren.

Adembenemend. Ik geef het u graag door.

Leegte

niet geschreven

Dat je door het huis loopt
in mijn donker prevelt, je stilte inspreekt
in mij aflegt, opeet, nee
dat kan niet waar zijn, niet gezegd
niet gehoord niet geschreven

je bent zo volledig alom afwezig, zozeer
in verhangen kleren onteeuwigd
dat je koude voeten mijn passen inhouden
op de verbruikte stilstaande treden
van de weerloze trap naar beneden:

eter kom eindelijk eten, het vlees
is je lievelingseten, het glas
vult de tijd, het brood
blijft de honger, het enige –

Gerrit Kouwenaar, 2002

Dit gedicht is geschreven door een weduwnaar. De ‘je’ mogen we gerust beschouwen als zijn – toen onlangs overleden – vrouw.

Kouwenaar was wars van clichés. Ik las onlangs over een oorverdovende stilte. Hij zou dat cliché niet gebruiken of er iets mee doen. Maar toch. Dit is een gedicht waarin hartgrondig ontkend wordt. Het gedicht ontkent haar aanwezigheid in alle toonaarden. Wat er wel is, is de herinnering aan haar geprevel, aan haar stilte, aan haar koude voeten, aan de krakende traptreden. Wat er wel is, is vlees, wijn, brood. En honger. Iets. Niets.

Ik zie de verteller door haar kleren gaan. Boven. Ze zijn “verhangen” zoals een colbertje dat je nooit meer aan hebt. Te lang over de kleerhanger gehangen en uit model geraakt. Deze kleren vereeuwigen niet de draagster niet. Ze ónteeuwigen haar. Kouwenaar schrijft over de koude voeten: de herinnering eraan doen hem zijn passen inhouden. Maar door zijn formulering ontstaat de suggestie dat die koude voeten zélf zijn passen inhouden. Daar staat hij. Boven aan de trap. Beneden is er eten.

In de poëzie van Kouwenaar gaat het vaak over eten en drinken. Dat deed hij graag. Maar in zijn poëzie is het toch vooral een metafoor voor ons “leven met vergankelijkheid”. Vlees, brood, wijn, je doodt er de honger niet mee. Je vult er tijd mee.

Hoe je stilte opeet, weet ik niet. Waarom de trap weerloos weet ik niet. Ik weet niet wat ik me bij een weerbare trap moet voorstellen. Kouwenaar geloofde niet in poëzie die klip en klaar was. Juist door de onafheid ervan, ontstaat er een extra dimensie. 

Lees Kouwenaar hardop. Hoor in de eerste twee zinnen de botsing tussen het staccato van de eenlettergrepige woorden in zin 1 en het gebonden metrum van zin 2. Luister  naar de liefdevolle rijmen in de tweede strofe. Huiver bij de stilte die valt. Maar toch ook: verheug je op je op wat de herinnering opvult.

Doodloos dit

Gerrit Kouwenaar publiceerde in 1974 de bundel ‘Landschappen en andere gebeurtenissen’. Daarin dit gedicht:

Doodloos dit, uit
geknipt dit uit het
wijd open potdichte zich
schrijvende kijkboek

en onmiddellijk ingedikt
en door eeuwen begroeid

geen enkel uiteindelijk doelwit, niets
vertrapt stuiptrekkend geblakerd, alleen
een wit paard dat gezien in dit dal
als een klok stilstaat

het dal is het dal van het paard
het is veelvoudig groen duizend maal zacht, het ligt
overal om het paard heen als

 

We kochten deze bundel in 1976. ‘We’, dat waren de eerstejaars studenten Nederlands. Zouden universiteiten dat nu nog doen? Moeilijke, op het eerste gezicht onbegrijpelijke poëzie verplicht stellen voor het eerste jaar? Ik hoop het eigenlijk wel.

Maar ik weet ook dat het me veel tijd kostte om chocola te maken van dit gedicht. Geef mij m’n pensioen. Geef mij tijd. Geef mij rust. Dan beloof ik dat ik mijn doctoraalscriptie nog eens opzoek en al die chocola keurig voor u uitschrijf.

En tot die tijd? Het gaat om een belevenis. Een ervaring. Een moment dat je bij blijft. Er is geen begin, geen einde, geen verhaal. Alleen dat beeld, te midden van uitbundig groen. Met niets te vergelijken.


http://www.hillfigures.co.uk

%d bloggers liken dit: