Een goede tekst in 1 minuut

Een oud-cursist mailde me. Of ik even mee wilde kijken naar een mail waarin hij zijn beoogd nieuwe werkgever zou schrijven dat het salarisaanbod nog wel wat beter kon. Ik kan geen ‘nee’ zeggen. Bovendien: ooit zei ik cursisten dat wie een cursus bij mij doet, daarmee ook levenslang de mogelijkheid heeft om me om advies te vragen. Ik heb dat later wat ingeperkt maar het aanbod staat nog en ik schreef dus ‘ja’.

En deed iets slims. Ik vroeg hem op voorhand waar hij op gecoacht wilde worden. Hij reageerde: ‘Of het niet te negatief en te star overkomt.’ Waarop ik riposteerde: ‘En als je het nou eens positief formuleert, hoe wil je dat je wél overkomt?’

‘Ik wil dat ik overkom als iemand die de baan graag wil en weet waar hij het over heeft als het gaat om de arbeidsvoorwaarden.’

‘Oké,’ schreef ik, ‘klinkt goed’ waarna hij schreef: ‘Dat ik de baan graag wil staat er trouwens nu nog niet in, zie ik. Goed om dat nog eens duidelijk te maken.’
Ik: ‘En hoe ga je duidelijk maken dat je weet waar je het over hebt?’

Van Dolf Weverink leerde ik onlangs hoe je in 1 minuut iemands tekst al aanzienlijk kunt verbeteren zonder dat je die tekst nog maar hebt gezien. Verhip, het werkt echt.

Pareltjes of struikelblokken?

Woorden dóén wat. Wat? Dat is onder andere afhankelijk van de ontvanger. Kies je woorden daarom. Kies ieder woord. Met zorg.

Ze wilden, aldus mijn zegsman, ‘de bijeenkomst feestelijk larderen met pareltjes.’

Als ik hoor dat iemand iets feestelijk gaat larderen denk ik, toch al zo’n 40 jaar vrijwel-geen-vlees-eter, aan mager vlees waar je spek doorheen pielt. Hoe feestelijk wordt een bijeenkomst waar men het vlees met parels lardeert? Mijn bron wilde het best van me aannemen maar ik zag twijfel in de ogen. Misschien vindt u binnenkort toch een uitnodiging voor een feestelijk met parels gelardeerde bijeenkomst op de mat.

Woorden dóén wat. Wat exact, is onder andere afhankelijk van de context en het medium en – vooral – de ontvanger. Bij het woord ‘larderen’ krijg ik nog (?) de letterlijke betekenis op het netvlies. Maar lang niet iedereen heeft die associatie. Dik kans dat een ander bij ‘larderen’ alleen maar denkt aan kersen op een taart of slingers in een boom, aan iets ‘gezellig opleuken’.

Op het Tekstnet-forum vertelde collega Els Brouwer over een lijst van woorden die je  wilt vermijden. Ze refereerde eraan met het begrip ‘de zwarte lijst’. Een lezer struikelde erover. Ik moest echt even nadenken over de oorzaak van de struikelpartij. Maar – om mijn oude vader te citeren die ongetwijfeld weer een ander citeerde: ‘gevoelens zijn feiten’. Als je beoogde lezer over zo’n woord struikelt, moet je het vermijden en nadenken over een redelijk alternatief. En zie, wat weerwerk doet wonderen, het zet aan tot creativiteit. Ze vonden een fantastisch alternatief. De zwarte lijst heet voortaan de blablalijst.

Nou gebiedt het genre een moraal. Misschien wel dit: scherpslijpers zijn zeurpieten en zeurpieten houden je scherp.


Nog even een echt vies filmpje zien? Bekijk dan dit filmpje waarin een slager een product lardeert.

Op zoek naar de bedoeling

Gisteren was de dag die je wist dat zou komen: de Tekstnetworkshop met Dolf Weverink over schrijfcoaching. Ik was er klaar voor. De avond ervoor printte ik de routebeschrijving uit die mij van Utrecht CS zou leiden naar het vergadercentrum. De koffie voor onderweg stond klaar. 3 boeken in de tas want je weet maar nooit.

Het lukte. De trein landde om 9.45 uur in Utrecht. Ik trok mijn routebeschrijving en zag onmiddellijk dat wij onverenigbaar waren. Maar moeilijk kon het niet zijn. Om een lange omweg kort te maken: na 20 minuten ontmoette ik aan een prachtig jaagpad aan een kanaal een man en een vrouw. Ze gingen net naar binnen, de woonboot op. Nog voor ik mijn vraag had gesteld wisten zij mijn bedoeling. De Raad voor de Kinderbescherming …

De Raad voor de Kinderbescherming … ik liet het even tot me doordringen. En ontkende. Nu waren zij op hun beurt verbaasd: ‘U ziet er uit als iemand die komt voor de Raad voor de Kinderbescherming.’

Toen ik mijn werkelijke bedoeling had geformuleerd, hielpen ze me op weg. En ja, 15 minuten te laat was ik waar ik wezen wilde. Alwaar Dolf Weverink en 15 Tekstnetters mij en elkaar hielpen bij het schrijfcoachen. Dat is eigenlijk niet zo moeilijk, legde Weverink uit: ‘Luister naar De Bedoeling.’

Dat pikte ik gisteren op. Luister eerst. En vul niet in voor een ander.

De kern van de zaak

Wat wil je nu eigenlijk zeggen?

Hun rapporten werden steeds dikker en moeilijker en bleven nog steeds onvolledig en dus te dun. Logisch, die rapporten betreffen mensen in precaire situaties.

Het eerste dagdeel oefenden we dus met schrappen. Er kon hier en daar best een woordje weg. Vaak zelfs wel een zin of een bijzin. En ook die lijdende vorm maakt het vaak wat langer dan nodig. En die eindeloze bijzinnen die ontstaan als mensen hun zin beginnen met ‘Omdat’. De zinnen werden vlotter maar de rapporten bleven dik. Het schoot niet op.

Het tweede dagdeel oefenden we daarom met meer lucht. Meer helderheid. Die kun je bijvoorbeeld creëren door tussenkopjes te gebruiken en door af en toe een zinnetje te wijden aan wat de lezer gaat lezen. Maar het schoot niet op.

Gisteren en eergisteren deden we (er waren 3 groepen) het derde dagdeel. Dat besteedden we aan die ene vraag: wat schrijf je op, en wat laat je weg?

Ik legde uit dat schrijven eigenlijk 3 fases kent. Informatie verzamelen, informatie ordenen en informatie overdragen. En ik liet zien dat veel van hun teksten bleven hangen in fase 2. Schrijven is denken. Schrijven is je gedachten ordenen, een lijn vinden in een complex verhaal over complexe mensen in complexe situaties. Maar aan fase 3 kwamen ze niet toe. Werkdruk? Gemakszucht?

We behandelden een lange tekst. Met daarin onder ander een lange passage over de voorgeschiedenis van de cliënt. Ik vroeg de schrijver: ‘Wat wil je nu eigenlijk zeggen met dit hele verhaal?’ In 3 heldere zinnen zette hij dat uiteen. Ik vroeg: ‘Waarom schrijf je dat niet op?’

Dat was de les. Schrijf gerust 5 pagina’s vol maar stel je daarna de vraag: ‘Wat wil ik hiermee zeggen?’ Het was een ogenopener. En het schoot enorm op.

Beeld:  Constantin Brancusi (1876 – 1957), Het begin van de wereld. Het staat in Kröller Müller.

Schrijfcoaching

Tekstnet verzorgt binnenkort een workshop over schrijfcoaching. Ik ben tekstschrijver, schrijftrainer en ja, ook schrijfcoach. Ik heb mijn eerstegraads lesbevoegdheid. Ik was tussendemiddagoppas bij een crèche, ik gaf les op twee middelbare scholen en in het hogere beroepsonderwijs.

Dat ik als schrijfcoach best een beetje bekwaam ben, bleek me vorige week donderdag toen ik de notulen las van iemand die ik als schrijfcoach begeleid bij het leren notuleren. Deze notulen waren gewoon goed. Even verdacht ik haar ervan dat ze een ander had ingehuurd om bij mij in een goed blaadje te komen. Dat ontkende ze. Nee, ze had gewoon gedaan wat ik haar had geleerd.

Die workshop heb ik dus eigenlijk helemaal niet nodig. Toch schrijf ik me bij deze alvast graag in. Juist dergelijke bijeenkomsten kunnen enorm bijdragen aan een – hoe krijg ik het uit mijn pen – een stukje reflectie en bewustwording.

Het is net als wanneer je anderstaligen de grammatica van het Nederlands uitlegt. Ineens zie je patronen en afwijkingen in die patronen en patronen in die afwijkingen die je voorheen niet zag. Je bent niet alleen onbewust bekwaam maar wordt plots ook bewust bekwaam. En dat kan heel handig zijn als je iemand iets moet uitleggen.

Moeilijk is het om de student zijn of haar eigen keuzes te laten maken. Ook als haar of zijn aanpak niet zo handig is. Loslaten. Het laten gebeuren. Maar het moeilijkste van schrijfcoaching vind ik om de neiging te onderdrukken om de student opzij te schuiven en te zeggen: ‘Laat maar, ik doe het wel even.’ Of om te zeggen: ‘Als je klaar bent, mag je me het nog wel een keer toesturen. Dan kijk ik er nog even.’

‘Als coach stap je niet het veld in’, zeg ik dan naderhand bozig tegen mezelf. Maar dat is nog knap lastig.

Schrijven voor hooggeplaatsten

Hoe schrijf je een geweldige e-mail? Het begint met aandacht.

Wie aandacht wil, moet aandacht géven. Geen oud Chinees spreekwoord maar de kortste samenvatting van mijn training over het schrijven van een geweldige e-mail. De secretaresses die deelnamen kwamen er uit het hele land voor naar Eindhoven. Ik ook trouwens! Maar het was de moeite waard, vonden we allemaal na afloop.

En eigenlijk is het zo simpel. Eigenlijk is het gewoon wellevendheid. Besteed wat aandacht aan de ander. Besteed wat aandacht aan je mail.

Dat begint met een goede structuur, liet ik zien. Een opening waarin je even je lezer aanspreekt en waarin je de aanleiding voor je mail schetst. En eventueel kun je dan ook vertellen wat je belangrijkste boodschap is en hoe je je mail hebt opgebouwd. Die structuur maak je ook zichtbaar met wat tussenkopjes. Ik had m’n huiswerk gedaan en liet een paar voorbeelden zien. Hun eigen mail vóór mijn make-over en erna. Dezelfde mail, dezelfde tekst maar nu met een korte inleiding en een paar tussenkopjes.

En het werd vervolgd met een aantal kleinere zaken zoals de toon van je e-mail. Een belangrijk onderwerp werd – voor mij geheel onverwacht – het woord ‘welke’. Niet het vragend voornaamwoord maar het betrekkelijk voornaamwoord. ‘Is ‘welke’ een betrekkelijk voornaamwoord?’ denkt u nu. Nee, stelde ik. ‘Ja’, zeiden mijn cursisten. Bijvoorbeeld in de zin:

Wij maken gebruik van het systeem welk de locatie ons biedt.

Ik stelde mij vooral op het standpunt dat deze variant van het woord inmiddels sterk verouderd is. Zeg maar rustig: archaïsch. Zij vonden van niet. Zeker als je voor hooggeleerde hooggeplaatsten schrijft.

Daar zit je dan als een van de vele weledelgestrenge hooggeleerde hooggeplaatsten. Ze schrijven ‘welke’ naar je. Maar áándacht kreeg je.

Overigens, thuis bleek dat Onze Taal stelt dat ‘welke’ als betrekkelijk voornaamwoord niet gebruikt mag worden voor het-woorden. En dat het je tekst wat stijf en stroef maakt. Lees het zelf.

Houd het simpel

Vorige week donderdag leerde ik studenten vlot en wervend schrijven in anderhalf uur. Iemand vroeg zich af hoe ik dat doe. Ik ben een begenadigd trainer en deze studenten zijn ook allemaal erg goed. Toch moet ik bekennen dat ik een beetje overdreef. Het vergde 1 uur en 35 minuten. Zeer tegen mijn principes want aan tijdsoverschrijdingen doe ik eigenlijk niet. Ik weet uit mijn ervaringen als trainee hoezeer ik naar koffie en/of en/of lunch en/of de borrel snak, zo tegen het afgesproken uur.

Ik spitste mijn les toe op 4 dingen.

  • Maak het persoonlijk
  • Beperk de lijdende vorm
  • Wees zuinig met je hulpwerkwoorden
  • Hou het kort, hou het simpel

Met als bottom line: bedenk bij ieder woord dat je ook een ander woord kunt gebruiken. Kies dus.

Persoonlijk

Met name aanwijzing 1 is soms ogenopenend. Vergelijk zin 1 en zin 2:

(1) Hartelijk dank voor de mail van gisteren.

(2) Hartelijk dank voor je mail van gisteren.

De tweede zin is aanzienlijk persoonlijker. Gewoon, door dat woordje ‘je’. Maar ook het verschil tussen:

(1) Hierbij stuur ik u … en (2) Hierbij ontvangt u … frappeert.

Lijdende vorm en hulpwerkwoorden

Het zinnetje (uit een van hun teksten) De vaccinatie is gratis en zal op school gegeven worden is een mooi zinnetje om aanwijzing 2 en 3 te verduidelijken. Dat hulpwerkwoordje ‘zal’ is hier volkomen overbodig. Maar de lijdende vorm is hier wel degelijk erg nuttig. Het alternatief is ‘krijgt uw zoon of dochter’ of ‘geeft de verpleegkundige’. Dat richt de blik van de lezer veel te veel op dat pijnlijke voorval dat aanstaande is.

Simpel

En ten slotte ‘Houd het simpel’. Professionals vinden dat moeilijk. En eerlijk gezegd ook een beetje jammer. Ze weten zo veel! Dat mag de ander best weten. Om dit toe te lichten gebruik ik vaak de dia die collega Anneke Nunn ooit maakte. U ziet hem hierboven.

Vlot en wervend, zie ik nu een aantal lezers bedenkelijk fronzen … Nou, dat is natuurlijk ook een les die ik mijn studenten meegeef. Je mag soms ook best een beetje bluffen.