De gretige lezer

Lezen is eten. Schrijven is koken. Koken is portioneren. Schrijven is portioneren.

‘Even wachten’ zegt mijn kleine kleinzoon tegen zichzelf. Je moet een goede verstaander zijn want hij zegt het met propvolle mond. Eerst het ene hapje, dan het andere. Die gretigheid heeft hij van zijn vader die er ook niets aan kan doen want hij heeft het van zijn vader die het weer van zijn vader heeft die het van zijn moeder had.

Ach ja, die oma van zijn opa. Soms was er paling. In krantenpapier. Hoe ze de paling bij de kladden pakte, hoe ze het velletje eraf stroopte, hoe haar gecraqueleerde oudevrouwenvingers glansden van het vet, hoe ze de aandacht voor haar omgeving verloor, hoe ze in die krappe keuken op de Reinier Claeszenstraat 3 hoog achter haar tanden in dat arme beestje zette, die verzaliging, dat pure ongegeneerde genot, ik bezag het als jongetje van 5 met een combinatie van weerzin, ontsteltenis en afschuw.

Ik snijd de boterhammen van mijn kleinzoontje daarom tegenwoordig weer in kleine hapjes. Zodat hij maat kan houden, even rust kan inbouwen, even kan wachten. Even wachten.

Even.

Gretigheid. Misschien is het wel iets universeels, iets menselijks. We willen altijd meer en we willen dat sneller dan goed voor ons is.

De meeste lezers zijn net mensen. Ze hebben de ene hap nog niet op of ze beginnen al aan de volgende. Dat geldt voor teksten die ter vermaak geconsumeerd worden. Het geldt ook voor zakelijke teksten, teksten die je moet lezen omdat het werk is. Of omdat er dingen in staan die je nu eenmaal moet of wilt weten. 

Om die gretigheid te temporiseren en om de lezer te helpen maat te houden, bedachten onze voorouders de alinea. De alinea is een zwaar onderschatte teksteenheid. Wilt u een schrijftip? Profiteer dan van deze: help uw lezer om maat te houden. Help u lezer om af en toe even te wachten. Snijd uw tekst in kleine blokjes.

Misschien wel kleinere blokjes dan u mooi vindt.

Positief formuleren

Positief formuleren is helemaal niet zo moeilijk. Positief formuleren is eenvoudig.

Gisteren betrapte ik mezelf  op de formulering ‘Niet alleen is het eenvoudiger maar het is ook nog …’ De formulering is opmerkelijk populair. Hoe zou dat komen? Je ontkent iets, waarna je met het woordje ‘maar’ dat ook nog eens ontkent. ‘Maar’ ontkent nu eenmaal zo’n beetje alles wat ervoor komt.

Positief formuleren is helemaal niet zo moeilijk. Integendeel. Je moet negatieve termen zo veel mogelijk vermijden en alleen gebruiken als het echt niet anders kan. Je weet alleen niet half hoeveel woorden negatief geladen zijn. En niet alleen zijn veel van deze woorden gespeend van positieve lading, ze liggen ook nog eens beduidend minder prettig in het gehoor. Niet negatief geformuleerde zinnen zijn ten slotte vaak minder lang.

Wie een beetje oplet, ontdekt al snel meer van dat soort negatief getoonzette formuleringen. Iets is ‘niet niks’. En: ‘Ik kan niet anders zeggen: dit is echt lekker.’ Of, in über Gronings: ‘Het kon minder.’

Wie een beetje oplet, krijgt ook oog voor de alternatieven.

Positief formuleren is eenvoudig. Kies voor positieve woorden en gebruik woorden met een negatieve lading alleen als het echt nodig is. Er zijn zoveel fijne alternatieven die bovendien ook nog eens prettiger in het gehoor liggen. En bovendien: ze zijn vaak een stuk bondiger.

 

 

Schrijven voor experts

Ik coach een expert. Hij is jong. Hij komt net van de universiteit. Hij schrijft een Nederlands dat wellicht en/of mogelijkerwijs het best zou kunnen worden gekenschetst als ‘omstandig’. Hij weet het.  Hij wijt het aan zijn universitaire opleiding!

We bespraken een tekst die enthousiasmerend bedoeld was. Het ging over een binnen hun werkveld nieuwe ontwikkeling waar ze als experts nog niet het fijne van wisten. De doelgroep bestond uit directe collega’s. Experts. Een groot deel van de tekst bestond uit begripsverduidelijking. Verstandig als je zeker wilt weten dat lezers en schrijver hetzelfde bedoelen met een begrip. Maar is het enthousiasmerend?

‘Waar wordt een expert warm van?’ vroeg ik hem daarom. Het antwoord kwam prompt:
‘Volledigheid. Correctheid’ klonk het gedecideerd.

Dat vond ik verrassend. En ja, dat zegt ook wat over mij. Ik dacht naar de bekende weg te vragen. Experts worden natuurlijk warm van een uitdaging of van nieuwe technieken of een onbekend verschijnsel binnen hun vakgebied of een speurtocht. Mijn expert zegt dat hij en z’n collega’s warm worden van volledigheid en correctheid.

Ik waagde het te betwijfelen. Bij nader inzien wilde hij wel met me mee gaan, een stukje. Hij schreef daarop een nieuwe tekst. Ditmaal een heel stuk korter. Met de uitdaging lekker prikkelend verwoord. Ik hoop dat ik gelijk heb. En dat z’n collega’s hem niet vragen naar een volledige begrippenlijst op alfabetische volgorde. Want eerlijk gezegd, pas toen het gesprek was afgerond schoot me die dia van collega Anneke Nunn weer voor de geest. ‘Als Tom Tom-meldingen geschreven werden door een … expert’

Ik ik mij

Vrijwel op hetzelfde moment ontving ik twee berichten over hetzelfde onderwerp. Het was een wonderlijke en opmerkelijke samenloop.

Voor een van de schrijfsters was de aanleiding mijn vraag om reacties op mijn nieuwe onovertroffen site van zaak. Ze  schreef onder meer dat zij geleerd had dat je een brief nooit met ‘Ik’ mocht beginnen. En ze merkte op dat ik op mijn website dat toch vaak doe.

De andere schrijfster – m’n kleine zus – stuurde me een column uit Trouw over het gebruik van ‘ik’ in de opening van een tekst. Het zou van onbescheidenheid getuigen. De schrijver (Peter-Arno Coppen) betoogt dat dit een misvatting is die waarschijnlijk stoelt op een ‘van oorsprong kinderlijke angst om op te vallen of onbewust fout over te komen’.

‘Ik’ hing kennelijk in de  lucht.

Ik vind dat dat ik best ik mag gebruiken als ik over mijzelf schrijf. Maar ik vind ook dat als je iemand een mail of een brief stuurt, je bij de ander moet beginnen. Dat is geen bescheidenheid. Dat is empathie. Ik vraag me af hoe ik het zou vinden als ik over 6 jaar een brief van Lasse krijg die als volgt opent:

Lieve opa en oma,

Met mij gaat het goed. Ik kreeg mijn rapport. Ik heb allemaal voldoendes. Hoe gaat het met u?

Waarschijnlijk ben ik tegen die tijd apetrots. Hij kan schrijven! Hij heeft voldoendes!

Witte bonensoep

Ze serveerden er witte bonensoep, gele paprikasoep en zoete aardappelsalade. Heerlijk ongetwijfeld maar hij waagde zich er niet aan.
‘Als je het gerecht al niet correct kunt spellen, dan kun je het in elk geval niet lekker klaarmaken.’ Waaratje, er klonk haast wat ergernis in door. Had hij inderdaad liever wittebonensoep gehad dan de rode orzoschotel die hij nu koos? Trouwens, rode orzoschotel? O ja, dat klopte.

Zijn vrienden vermaakten zich met zijn gemor. Hij gaf geen krimp.
‘Het is toch geen aardappelsalade met suiker?’ doceerde hij, ‘Het is salade van zoete aardappelen.’
‘Maar dan staat het wel los? Zoete spatie aardappel?’
‘Allicht, je hebt gewonemensenaardappelen en je hebt zoete spatie aardappelen.’
‘En dat gebakken visje met zwarte olijvensaus?’
‘Fout fout fout! Het is saus van zwarte olijven mag je aannemen en dan is dat dus zwarteolijvensaus. Hoe moeilijk kan het zijn? Bovendien, in het Nederlands kunnen we dus schrijven over een zwarte groeneolijvensaus, tenminste, als je die groene olijven tot saus verpulvert en daar dan wat zwarte kleurstof aan toevoegt.’

De oberin kwam. Zijn disgenoten konden het niet laten haar te wijzen op de kennelijke fouten. Ze verontschuldigde zich. ‘Sorry, English only!’

Hij rustte zijn zaak.


Meer weten? Lees het stukje over de langeafstandsloper op Onze Taal

Een goede tekst in 1 minuut

Een oud-cursist mailde me. Of ik even mee wilde kijken naar een mail waarin hij zijn beoogd nieuwe werkgever zou schrijven dat het salarisaanbod nog wel wat beter kon. Ik kan geen ‘nee’ zeggen. Bovendien: ooit zei ik cursisten dat wie een cursus bij mij doet, daarmee ook levenslang de mogelijkheid heeft om me om advies te vragen. Ik heb dat later wat ingeperkt maar het aanbod staat nog en ik schreef dus ‘ja’.

En deed iets slims. Ik vroeg hem op voorhand waar hij op gecoacht wilde worden. Hij reageerde: ‘Of het niet te negatief en te star overkomt.’ Waarop ik riposteerde: ‘En als je het nou eens positief formuleert, hoe wil je dat je wél overkomt?’

‘Ik wil dat ik overkom als iemand die de baan graag wil en weet waar hij het over heeft als het gaat om de arbeidsvoorwaarden.’

‘Oké,’ schreef ik, ‘klinkt goed’ waarna hij schreef: ‘Dat ik de baan graag wil staat er trouwens nu nog niet in, zie ik. Goed om dat nog eens duidelijk te maken.’
Ik: ‘En hoe ga je duidelijk maken dat je weet waar je het over hebt?’

Van Dolf Weverink leerde ik onlangs hoe je in 1 minuut iemands tekst al aanzienlijk kunt verbeteren zonder dat je die tekst nog maar hebt gezien. Verhip, het werkt echt.