De stang

Straks – als een klus geklaard is – ga ik het nieuwe kinderzitje halen dat we besteld hebben. Het oude Bobikezitje is nog prima. Toch wil ik een nieuw zitje. Om reden dat we laatst dat ongelukje in het Stadspark hadden.

Dat ongelukje liep met een sisser af. We zochten een picknickplek en dachten die te hebben gevonden bij een boomstam op een stil en lommerrijk plekje, ver van de gekmakende drukte elders. Maar ik heb een herenfiets.

Ooit heeft iemand bedacht dat mannenfietsen met een stang tussen de benen uitgerust moeten worden. Als er nou één geslacht is waarvan de leden moeite hebben met een ruime en royale zwaai van het rechterbeen achterwaarts over het zadel, is dat het mannelijke. Laat dat nou mijn geslacht zijn! Ooit wilde het allemaal nog wel maar in de loop der jaren verwerd mijn koninklijke zwaai echter tot een wat benauwd minizwaaitje en nu m’n kleine kleinzoon niet zo klein meer is, bleek dat minizwaaitje niet voldoende.

Daar stonden we. Ik op mijn linkerbeen, de handen aan het stuur, het rechterbeen vast in de ruimte tussen kleinzoon en zadel. Het onvermijdelijke bleek onvermijdelijk.

Nog steeds schrikken de dieren in het Stadspark af en toe ’s nachts wakker als ze in hun droom weer die ijselijke kreet horen die onze Lasse toen slaakte. Wees gerust, er was niets aan de hand. We vielen niet, we neigden,  en die neiging zette zich door in een tijdelijk verlies van mijn balans waarop we met een zekere versnelling de grond raakten die ons warm en ruimhartig opving, Lasse veilig geborgen door zijn stoeltje. We zetten ons op de boomstam en met een doosje rozijntjes kwam alles weer goed.

De dagen daarna oefende ik in stilte in de schuur op de zwaai bij het af- en opstappen. Maar ik ben gewoon een wat stramme man. Ik moet dat niet willen met zo’n heerlijk jongetje achterop. En zo komt het. Voortaan gebruiken we de fiets van oma. Het oude Bobikezitje past daar niet op. Iemand nog belang bij een zitje?

Het Pungelhuis

Daags voordat we op vakantie gingen, togen wij als gezinnetje naar de boekwinkel. Bij Scholtens en Wristers en al hun rechtsopvolgers wreven ze in hun handen. Wij redeneerden namelijk dat een groot deel van het vakantieplezier zit in de boeken die je leest. En bij vakantieplezier geldt: safety first en beter mee verlegen dan om verlegen. Met andere woorden: we mochten los. Papa en mama, maar ook de beide jongens. Zeker gingen wij naar de bibliotheek maar vakantieboeken kocht je. Die mocht je houden.

En zo zaten we dan gevieren op onze kampeerstoeltjes bij onze tent in de schaduw en lazen de dagen weg. Tonke Dragt, Chris Bos, Imme Dros, Paul van Loon, Roald Dahl, Astrid Lindgren, ze gingen allemaal mee.

Voormalig Tekstnet-collega Annet Huizing schreef met ‘Het Pungelhuis’ een boek dat zeer beslist ook mee had gemogen. Maar ik kon niet wachten en las het meteen, nog voor de vakantie. En ik had gelijk. Wat een heerlijk boek. Wat een mooi boek.

Annet Huizing schreef eerder informatieve boeken voor kinderen. ‘Hoe ik per ongeluk een boek schreef’ is een jeugdroman over hoe je een boek schrijft. ‘De zweetvoetenman’ is een boek over de Nederlandse rechtspraak. Dus toen ik ‘Het Pungelhuis’ in de boekwinkel pakte, zocht ik onmiddellijk naar waar dit over zou gaan. Als ik nu schrijf dat het nergens over gaat, doe ik het boek onrecht. Maar ’Het Pungelhuis’ is “gewoon” een fijne jeugdroman.

Ole, een jongen van een jaar of 10, verhuist  met zijn vader van een comfortabel huis bij Utrecht naar het totaal vervallen huis van zijn net overleden opa, de vader van zijn vader, ergens in de bossen in het grensgebied tussen België en Nederland.  Opa was geen fijne man, zo blijkt in de loop van het verhaal. Zijn vader wil niets kwijt over waarom hij nog steeds zo boos is op zijn vader. En dus sprokkelt Ole samen met een Poolse vriendin bij de verschillende dorpelingen de puzzelstukjes bij elkaar. Langzaam maar zeker wordt hem het verschrikkelijke geheim duidelijk dat zijn vader al die jaren met zich mee draagt.

De plot is spannend en wordt mooi gedoseerd gebracht. Wat het boek vooral zo leuk maakt, zijn wat mij betreft de kleurrijke bijfiguren en de setting. De bijfiguren krijgen allemaal in een paar pennenstreken iets eigens. De klusjesman Gary, de hangmannen bij de snackbar, de pottenbakster Pola, de makelaar Tonny, de voormalig buurvrouw Agnes. En met het vervallen huis, de bossen, het dorp creëerde Annet Huizing een mooie setting.

Een heerlijk jeugdboek voor in de schaduw op een camping in Frankrijk maar beslist ook voor onder de luifel van de tent, op een zompig grasveld op een regenachtige dag  op een troosteloze camping ergens in de Hollandse polder. Je wilt niet dat het droog wordt!


Annet Huizing, Het Pungelhuis. Uitgeverij Lemniscaat, ISBN 9789047712510

Uit mijn bubbel

Toen ik opnam, vermoedde ik een verkopende beller. ‘Meneer Sorgdrager,’ begon hij. Maar hij bleek de directeur van een commercieel mbo-instituut. Hij wilde kennismaken want ze begonnen hier in Groningen met hun school en waren op zoek naar docenten uit de praktijk. Ik aarzelde en sprak dat ook uit: ben ik de juiste man voor mbo-studenten? Awel, we spraken af om elkaar gewoon eens te ontmoeten voor een kop koffie en een kennismaking. Mooie bijkomstigheid: ze huurden hier aan ons kerkhofje vergaderruimte dus mijn investering was gering.

Eenmaal van de lijn ging ik toch eens googelen. Ik zag Amerikaanse foto’s van Nederlandse collegekids met stropdas en mantelpak. Mijn aarzeling nam toe maar ik gaf geen krimp. Ik streek een overhemd en liep twee dagen later naar de overkant. De klok sloeg twee.

Alwaar een meneer mij allervriendelijkst ontving, me een koffiezetapparaat wees en me weer alleen liet. Wie ik precies zou ontmoeten was me niet duidelijk want de bevestigingsmail die hij me beloofde te sturen was niet verstuurd.

Na 10 minuten mocht ik binnenkomen. Twee strak gestropte heren aan de ene kant. Wout Sorgdrager aan de andere. De directeur zette even de spelregels uiteen:

‘We hebben een half uur voor dit gesprek. Ik vertel u wat over ons college waarna u de kans krijgt om te vertellen wat u ons te bieden heeft.’

Ik greep in:

‘Voor de goede orde en de duidelijkheid. We spraken af dat dit een kennismakingsgesprek is. Ik solliciteer hier niet. Ik kom eens horen wat u van plan bent. Ik kom kennismaken!’

Hij wuifde het weg en stak van wal. Helemaal letterlijk citeren is lastig omdat mijn oren na de tweede zin al begonnen te klapperen. Toen we tien minuten verder waren vroeg ik in mijn zalige onschuld:

‘Meent u dit nou serieus?’

Hij meende het serieus. Nederland is naar de bliksem gegaan toen we in 1991 de dienstplicht hebben afgeschaft. Orde, tucht, discipline, focus, het bestaat allemaal niet meer. Wat zegt hij, dat begon natuurlijk al in 1970. In 1960, corrigeerde hij zichzelf om vervolgens zonder blikken of blozen mij te verwijzen naar YouTube-filmpjes over het gezin in de jaren 30 (de 20e eeuw) toen een gezin nog een echt gezin was. Toen respect nog bestond. Toen vrouwen nog thuis bleven. Trouwens, vrouwen voor de klas? Nee, daar begon hij liever niet aan. Vrouwen kunnen geen orde houden. En erg exacte denkers zijn het ook niet. Die ene mevrouw die hij vanmorgen had aangesteld was misschien wel bekwaam maar hij wist nu al hoe ze les zou geven.

Toen ik hem in het kort mijn thuissituatie uiteenzette, haalde hij zijn schouders op. Uitzonderingen bevestigen de regel, leek hij te denken. Over een ding waren we het eens: ik was niet de juiste man voor hun college. Maar ik maak me wel wat zorgen over de jongelui die er hun opleiding gaan doen.

Mag ik wel

Zonder enige aarzeling stapte Lasse de kaaswinkel Van der Ley binnen. ‘Mag ik wel een plakje kaas?’ Hij is meestal wat beducht voor de kaasmeneer maar liet alle schroom varen toen hij zag welke monsterplak hem zou toevallen. Hij liep zonder aarzeling naar de toonbank en strekte de armen. En eenmaal voorzien ging hij er eens goed voor zitten.

‘Mag ik wel …?’ De formulering is nieuw. Tot nu toe benoemde hij het object van zijn begeren en dat moest maar voldoende zijn. ‘Plakje kaas’ Geen vraagteken, geen uitroepteken ook. Hij heeft ontdekt dat je makkelijker krijgt wat je hartje begeert als je het vooraf laat gaan door ‘Mag ik wel’: ‘Opa, mag ik wel …’

Is dat groeien? Is dat groter worden? Dat je steeds beter leert in te spelen op wat anderen doet bewegen? Misschien, waarschijnlijk. Maar het is ook gewoon taalkunde. Zei hij voorheen ‘Helpen’ als hij wilde helpen, nu zegt hij ‘Mag ik wel helpen?’ als hij geholpen wil worden! De frase ‘Mag ik wel’ is voor hem de start van een vraag. En datgene wat volgt het te bereiken doel. Het zorgde een uur of wat voor veel verwarring in huize S.

Ze moeten praten

Kijk ze staan, onze stokkemannen. Ze zijn van 1990. Ze zijn een setje. Over het geslacht zijn wij in twijfel. Maar zo heetten ze: stokkeman. Ze zijn van populierenhout. Hout waar klompen van gemaakt worden. Hout dat relatief zacht is. Hout dat vergaat.

Ik herinner me niet meer dat we ze kochten. Wel dat een van de voorwaarden was dat we ze ter beschikking zouden stellen voor een heuse Kunsttentoonstelling waarin ze samen met alle andere stokkemannen die uit die ene populier waren gemaakt, zouden figureren. Stoer, vonden we. Het is er nooit van gekomen. Het wáren twee anonieme stokkemannen, het bléven twee anonieme stokkemannen.

De foto boven dit stukje maakte ik in Leermens, jaren geleden. Ze hadden beslist een taak in het leven: ze maskeerden de regenpijp. Ze beschutten de merels in hun nest. Ondertussen bleef ik altijd het gevoel hebben dat ze samen wat stonden te smoezen. Waarover ze praatten? Geen idee.

Stokkeman-verstopt

Nu zijn ze oud en gescheiden. De één staat in de ene hoek, de ander in de andere hoek. De een maskeert helemaal niets meer. De ander maskeert een lelijke elektriciteitskabel die ook al door de clematis wordt gemaskeerd. Twee overbodige levens. En een goed gesprek is niet meer mogelijk.

 

We bellen

Ik wist heel zeker dat we het erover hadden gehad. Er ontbrak een opleiding op de website die ik bestier en ik had het er met de opleider in kwestie over gehad. Maar wanneer? En wat hadden we nou precies afgesproken? Wie zou wat doen? Ik zocht me wezenloos in de mails. Ik vond mailwisselingen van 10 jaar geleden, maar deze mailwisseling was nergens maar dan ook nergens te bekennen.

Toen realiseerde ik me: we hadden gebeld.

Er was geen e-mail aan te pas gekomen! Geen app’je. Geen sms. We hadden elkaar gesproken. En dat was een prettig gesprek geweest. Ik kon uitleggen hoe het zo gekomen was, hij kon begrip tonen en mij duidelijk maken dat het er hem alleen maar om ging dat het nu in orde kwam en we spraken af één en ander te regelen.

Ik verzorg  trainingen over hoe je een goede e-mail schrijft dus zakelijk gezien heb ik geen enkel belang bij de telefoon. Toch breek ik hier graag een lans voor de telefoon en dan wel de telefoon zoals die ooit bedoeld is: om met iemand te praten. We doen het niet meer. Ik wijt dat deels aan de corona mevrouw meneer, dat we denken dat iemand thuis de wc staat schoon te maken en dat we hem of haar dus storen. Nou en? Dan legt zij of hij de borstel even weg en neemt de telefoon op. Of niet. Kun je altijd nog appen of mailen.

Wie belt, krijgt direct feedback in de vorm van toonhoogte en aarzels. Wie belt, kan onmiddellijk bijsturen. Wie belt, gaat in gesprek en dat leidt vrijwel altijd tot betere afspraken.

Oké, die afspraken moet je dan wel even per mail bevestigen. Dat was ik vergeten.