Wolken

We fietsten naar Feerwerd en van Feerwerd naar Aduarderzijl en naar Stad. De lucht was staalblauw. De wolken waren wit en wondermooi. Een foto, denk ik. Maar ik wil niet alles wat ik mooi vind onmiddellijk fotograferen. Ik wil niet alles vastleggen. Totdat ik mezelf niet kan ontsnappen en het alsnog doe. De mooiste wolken waren weg, vertrokken.

De wolken

Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag.

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder –
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

– Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide –

M. Nijhoff

Het oude nest

Ik snoeide de klimop. Hij heeft de neiging over de muur te kruipen waar hij tegenaan groeit en ik meen te weten dat buurvrouw haar handen al vol heeft aan andere dingen dan onze klimop. Snoeien kon pas nu. Pas na onze vakantie waren de merels die er nestelden weg en hun jongen uitgevlogen, de wijde wereld in.

Het werk gedaan, de stoep geveegd, steek ik de kaarsen aan. Het is avond in de stad. Zaterdagavond. Vanachter de huizen klinken wat verre geluiden. Een sirene. Een scooter. Een bus. De jongeman die altijd zo luidruchtig het voetbal op tv meebeleeft sluit zijn ramen. Ergens klinkt het knus geluid van bestek dat afgewassen wordt. De klok slaat half tien.

De lucht is leeg. De paar wolkjes die er zijn, kleuren rood in het allerlaatste zonlicht van vandaag. Hoog boven me, ik zie ze niet, klinkt het schel en ijl gekrijs van meeuwen. Ze geven de avond het desolate van een lege, stille stad aan de kust op zondagmorgen.

Op de daklijst van de schuur zet zich een merel. Uitgevlogen wellicht. Maar ook thuis.

Uitzicht bij Langres

Vanuit het fraaie Franse stadje Langres vertrokken we woensdag richting Stad. Het was mooi geweest. We bekeken België – Frankrijk in een Antwerps café, we bezichtigden Orleans en bewonderden er het plein, we kampeerden in onze De Waard op Fans en alles was er nog, we bewandelden het Zuid-Franse hooggebergte bij de Mercantour en bezochten Nice en de verhoopte schoonmoeder en -stiefvader-in-spe  van onze jongste zoon en ontmoetten mijn kleine nichtje, dochter van trouwe lezer oom Wolther, en heur man in het museum aldaar, bakten pot met onze zoon en deden Langres.

Langres. Ik was er nog nooit geweest. Wie de Route du Soleil doet komt er langs al moet je goed opletten. Het ligt zo’n beetje halverwege de Waddenzee en de Cote d’Azur. Zo kwam het dat er een groot aantal Nederlanders Langres deden. Allemaal voor 1 avond, allemaal op doorreis. Het bood de stad een wat verfomfaaide aanblik. Nederlandse gezinnen slenterden door de verlaten hoofdstraat om half 7, wachtend op dat ene restaurant dat op tijd open gaat. De stad was leeg. Logisch: op de rampard speelde een groep toneelspelers de Renaissance en bij de kathedraal speelde een band van de muziekschool op een feest van het dorp.  Er was eten, er was drinken, ongetwijfeld, maar nu nog niet. Mensen waren hier verder ook niet. Die stonden nog de rampard

Het was warm in Langres. Pas de volgende ochtend koelde het af. Op de foto ons uitzicht toen we het stadje uit reden.

Het goede nieuws: de Martinitoren staat nog fier overeind en het carillon doet het nog. De eigen douche was alweer geweldig. Het eigen bed nog geweldiger. En tot overmaat van geluk was het de volgende dag ook nog eens Lassedag. ‘Je bent een gezegend mens Wout Sorgdrager’ twitterde ooit iemand en zij had gelijk.

Hameau Les Louiqs à Estenc

Als u hier was, zat u waarschijnlijk fris gedoucht op de veranda van onze huidige behuizing: een voormalige boerderij met bijgebouwen hoog in de Mercantour. U rook de stront van de beesten en het zweet van de wandelaars en de geuren uit de keuken. U luisterde naar zeer complexe gesprekken tussen mensen uit zeer verschillende landen over – een voorbeeld – wat stress veroorzaakt. Dat verschilt per land. Zegt men. U luistert en neemt nog een slok van uw bier of uw wijn en leunt nog eens gelukzalig achterover. U deed de … en dan volgt uw prestatie vandaag.

Zelf zit ik binnen. Alleen. Ook best gelukzalig want wij deden ook een tweetal collen. Ik moet bekennen dat ik het niet helemaal op eigen kracht deed. Mij hielp een half alprazolammetje bijzonder bij ons geklauter langs duizelingwekkende afgronden over glibberige bergpaadjes, ja, die paadjes waar ezels en kinderen achteloos overheen huppelen.

We trekken op in een soort cohort van berghotel naar berghotel. Waren we eerst nog een 5-tal groepjes, langzamerhand werden we een groep, de Zwitserse meisjes, de twee Belgische echtparen met hun kinderen, de Hollanders, de Fransen; we zaten allemaal aan het vuur dat de herbergier in een dorp dat ik vergat, maakte. Je ontbijt samen. Wisselt weerberichten uit. Wenst elkaar goede reis. En loopt allemaal zo’n beetje hetzelfde pad maar op een verschillend moment. Het kan niet anders of je ontmoet elkaar onderweg. En in ieder geval ’s avonds bij het eten. Waarna een drankje volgt en veel gesprekken. Levens worden in een notendop samengevat. En altijd blijkt iemand wel iemand te kennen die iemand kent die je kent. Maar altijd praten is wat veel voor mij. Even alleen. Even.

Vandaag namen we afscheid van een paar leden van ons cohort. Gisteren ontmoetten we een aantal mensen uit het volgende cohort. Ze woonden ooit in Groningen. We kenden elkaar vaag. We wisselden onze levenslopen uit. En gaan weer onze weg. Vluchtige contacten, beslist. Maar ook vluchtige contacten kunnen mooi zijn. Morgen zitten we met de Zwitserse meisjes in het busje naar het vertrekpunt. Zussen zijn het. Een kunstenares/laborante en een dokter-in-opleiding. Het gaat ze goed.

Op de foto ziet u de Belgen.

L’Auberge des Aiguilles

Hier is het hoog en voor twee middelbaren best heftig. Ruim 500 meter aan een stuk klimmen hakt erin. Maar het is vooral adembenemend mooi. Ik, niet 100% hoogtevreesbestendig, wandel bij voorkeur over het Groningse platteland maar eenmaal hier zet ik die malle angsten opzij en ga ervoor. Tot vanmiddag dat smalle padje over een plek waar de rots tot los steen is vermorzeld en een (1) verkeerde stap mij onderaan een peilloze afgrond kan doen belanden. Dan haper ik. Sta stil. Kan niet verder. Blokkeer. Een eigenaardige gewaarwording. Je kunt niet voor- of achteruit. En opzij is in dergelijke situaties de slechtste optie. Men vertelt mij wat te doen maar dat hoor ik niet. Men geeft bemoedigende aanmoedigingen maar die verdwijnen in de afgrond. Men wacht.

Ik roep Ratio te hulp. ‘Lieve Ratio, volledig bepakte ezels van 400 kilo sjokken hier doodgemoedereerd langs. Kindertjes huppelen op hun slippertjes opgewekt achter de ezels aan. Gewoon doorlopen is  echt het beste. Ratio, word vaardig over mij.’

U begrijpt, ik deed de ogen dicht en liep door. Tot we bij een heerlijk berghotelletje kwamen, pal bij een mooie top en na de koffie ons verheugden op die kamer met uitzicht. Meestal zit het mee maar toen de airco naast ons raam aansprong en het wasje dat mijn vrouw deed, begon mee te bewegen, vroeg ik me toch af of ik niet beter had kunnen omkeren. Maar nee, laat ook hier de ratio maar winnen. SNP had ons gewaarschuwd: ‘Verwacht geen overdreven luxe.’

Wonderen

Deze eerste vakantieweek is een oefening in hernemen. Herinneringen waaien me in flarden aan. Hier waren we ooit. De eeuwenoude plataan die onze tent schaduw, beschutting en nadruppelende regen biedt, stond hier 18 jaar geleden ook. Toen nog een jong aangeplant boompje waarvan je niet wist of-ie het ging halen. Om ons heen jonge gezinnen. Heel veel jonge gezinnen met minimaal 3 kinderen. “3 is het nieuwe 2” vertrouwde een jonge vader me toe.

Ik zwom de Aveyronne op. Best ver. Niemand in de buurt. Ik was alleen in een rivier. In de boom links van me flitste iets blauws. Verhip. Een vogel met een lichtgevende stralend blauwe rug, Gemakshalve noem ik hem ijsvogel. Hij bleef stil zitten terwijl ik zachtjes in mijn oudemannenschoolslag naar hem toe zwom. Van onderen was hij minder spectaculair. Gelukkig vloog hij op. Hij scheerde over het water, happend naar insecten. Even later zat-ie aan de andere kant. Ik zwom verder.

En toen moest ik terug.

“Magisch hè?” zei de Belgische moeder van 4 kinderen toen ik weer bij ons strandje kwam. Ze was – verbeeld ik me – een beetje jaloers. “Magisch!” antwoordde ik.

Waarschijnlijk zwom ik ook toen de rivier op, 18 jaar geleden. Waarschijnlijk dacht ik ook toen dat het me altijd bij zou blijven. Bomen worden groot. Mensen gaan dood. En ondertussen moet je de rivier op zwemmen en kom je soms een ijsvogel tegen.

‘Wonderen maken gedwee.’ schreef Vestdijk.

Scherf even terug op aarde

Het is laat op de avond.

Vanuit de beuken rond de kerk klinkt het regelmatige geluid van een aanlopend fietswiel. Een uil. In Leermens is het alweer herfst. Regenvlagen jagen langs het huis dat nog nagloeit van een korte zomer. Was het maar vast 2100.

Kijk. In de tuin vond ik ’s middags een scherf. Een blauw appeltje. Onderdeel van iets. Toen verloren of weggegooid. Niets. Nu gevonden. Nu weer terug op aarde. Terug in de voorkamer waar-ie ooit iets was.

De scherf passeert ons. Net als het huis, de uil, de wind, de beuken, de kerk. We staan stil en kijken het verbaasd na. Misschien nu hier even zwaaien naar alles wat voorbij gaat?

Maar het is al laat. We gaan slapen.

Lees ook Blauw, van Fetze Pijlman