Container op ijsbaan

Onderstaand stukje schreef ik precies 11 jaar geleden. Het was m’n allereerste. Ik zou het nu niet heel anders hebben opgeschreven. Al doende leer je; ik niet dus. Een foto deed ik er toen niet bij. Die mag nu natuurlijk niet ontbreken. U ziet de ijsbaan. Zonder container. Dat wel.


Het Groninger land is de afgelopen weken opgesierd met talloze zeecontainers vol kunst. Ze stonden er wat verloren bij, die containers. Aangespoeld. Alsof een vrachtschip zijn lading heeft verloren. Gelukkig was het beleid.

Op zaterdag en zondag gingen de deuren van de containers open en zetten zich een of twee vrijwilligers op een keukenstoel in of voor de container. Een kan koffie naast zich en vaak met een pakje stroopwafels en een krant of tijdschrift. In de container hing of stond kunst. En Nederland fietste er langs. Vanuit mijn werkkamertje had ik een prachtig uitzicht op de container bij onze ijsvereniging Nooitgedacht. Je moet je voorstellen: zo’n 100 jaar geleden is een kwart van de wierde van Leermens afgegraven. De vruchtbare wierdegrond ging naar Drenthe en en het gat dat restte is ’s zomers een weiland voor schapen en ’s winters een plas water voor eenden. In bevroren toestand dient de plas als ijsbaan.

Maar nu staat daar dus die container. Tussen de schapen. Het miezert en het is koud. Treurigheid troef. Je zult er maar zitten, denk ik dan bij m’n eigen. Dan hoor ik weer een colonne opgewekt babbelende fietsende kunstminnaars. Sommigen met paraplu, anderen met een stevige Agu-regenjas. Alsof het niet regent. Alsof het niet koud is. Ze fietsen van Eenumerhoogte naar Leermens naar Godlinze via Zeerijp naar … Ik weet het niet. Maar pal boven die eenzame containers met hun eenzame gastvrouwen en gastheren gaat de zon weer schijnen.

Samen behangen

De duurzaamheid van een relatie kun je voorspellen aan hoe je samen een nieuwe tent opzet. Die test doorstonden mijn vrouw en ik iedere keer weer glansrijk. Dus toen we gisteren voor het eerst samen gingen behangen waren we optimistisch gestemd. Bovendien: ik kán behangen. Ik deed dat. Ik weet alleen niet meer waar, wanneer en in welk verband. Dat deed enig afbreuk aan het vertrouwen dat mijn vrouw stelde in mijn ervaringsdeskundigheid maar ik wist: als ik het toen kon, kan ik het nu zeker. Het ging gisteren om 3 stroken op een rechte muur van de slaapkamer en we hadden ons zorgvuldig ingekeken op Youtube.

De jongen van de jongens die ons het behang verkochten, bezwoer me toen ik het afhaalde om het niet nat te maken en zuinig te zijn met de lijm. Helaas bleef de eerste baan alleen boven plakken. De dialoog die zich daarop naast het echtelijk bed ontspon, verliep oprecht en eerlijk waar in alle pais en vree. Het draaide om de vraag of we de jongens geloofden of toch mijn vrouw die echt vond dat we de banen wel nat moesten maken. Baan 2 deden we dus op haar manier en toen dat lukte baan 3 ook. Leer je leven met een strook behang die enigszins los hangt? Neen. We haalden de strook eraf en besproeiden hem nog maar eens terdege.

Dat we zelf behangden, was om reden dat de behanger pas in maart 2022 tijd had. Als u nog behangers nodig heeft: wij staan er klaar voor en durven zelfs wel een hoekje om.

En vannacht lieten we het licht aan.

Tijd voor de wandeling

Mijn telefoon liet me een foto zien die ik maakte in Frankrijk, op een snikhete dag, ergens in een verlaten dorp, ergens op een stevige heuvel pal onder de zon. U ziet de foto hierboven.

‘Kom Pierre, het is tijd voor je wandeling.’ Ze liet er geen gras over groeien en pakte hem bij de hand. Met de andere hand deed ze de deur open. Hij wilde niet, Pierre.
‘Laat me alsjeblief, ik ben moe.’
‘Het spijt me maar je weet wat de dokter zei … iedere dag echt even op en neer naar de kerk. Minstens.’
‘Welke dokter? Hebben wij een dokter?’
‘Ja schat, wij hebben een dokter. Jij hebt een dokter en die maakt zich zorgen over je. Ik ook. Je moet er nu even uit.’
Hij zuchtte en pakte zijn hoed.
Zij zuchtte en zette zijn hoed af.
‘Kom.’
En daar gingen ze. Een broze oude man, krakend in zijn voegen, aarzelend over de bestemming, aarzelend over het doel, in de brandende middaghitte ergens in de Provence. Een moeë, tanige oude vrouw, gedecideerd, ongeduldig, geïrriteerd, boos op hem, boos op zichzelf.

We bekeken het van een afstandje. We zagen hoe ze de bocht om gingen richting de kerk.

Ongetwijfeld zal ze er een moment geaarzeld hebben. Misschien toch even een kaarsje branden? Maar dat redde hij niet meer, zag ze. Ze draaide en aanvaardde de terugtocht.
‘Nu even flink zijn.’ De weg terug was omhoog.

O, de liefde.

O, de liefde

Zo tegen 7 uur, als het schemert, komen ze overeind. Een beetje stram. Ze staan zwijgend tegenover elkaar. Zij heeft haar hoofd op zijn borst. Hij het zijne op haar hoofd. Ze omhelzen elkaar. Er gaat iets dramatisch vanuit. Dit moet de laatste keer zijn, het kan niet anders. Zij terug naar haar land, hij naar het zijne. Een huwelijk is uitgesloten, dat gaan de ouders nooit goed vinden. En bovendien, waar gaan ze van leven?

Het moment dat ze elk hun kant op fietsen zag ik nog nooit. Het moet een hartverscheurend tafereel zijn. Het moment dat ze elkaar treffen trouwens ook niet. Die vreugde! Nee, ze zijn er plots. Ze zijn er ook plots niet meer.

Maar morgen, weet ik zeker, morgen zitten ze er weer. Als het droog is treffen ze elkaar zo rond een uur of drie op het muurtje schuin tegenover ons huis. Ze praten, ze eten het brood dat ze allebei bij zich hebben, ze zitten stil en kijken elkaar aan, zij legt haar hoofd in zijn schoot, zij legt haar hoofd op zijn schouder, hij het zijne op haar schouder, ze kijken elkaar aan, ze praten, ze zwijgen, ze zitten naast elkaar, de handen ineengestrengeld.

Al zo’n twee maanden. Ik groet ze als ik thuiskom, ze groeten niet terug. Ze hebben alleen oog voor elkaar. O, de liefde, de liefde.

De klok van mijn moeder

Het eerste waar Olaf op af gaat als hij binnenkruipt, is de klok van mijn moeder. Een eenvoudig blokje gelakt hout van 15 centimeter bij 15 centimeter en zo’n 5 centimeter dik. De zwartmetalen wijzers flinterdun, de uren eenvoudig zwarte  stippen. Ongetwijfeld  Dutch Design uit de jaren 50.

In 1952 kregen mijn vader en moeder verkering. In 1954 trouwden ze. In de periode voor ze trouwden en samen konden wonen keken ze al wel samen naar meubels. Het zal ongeveer zo gegaan zijn:
‘We moeten ook nog een klok, vind je niet?’
‘Ja,’ zei mijn vader wat aarzelend, ‘misschien wel. Wat zou zo’n klok kosten?’
Waarop zij hem geruststelde en hem de klok liet zien die zij mooi vond. Eenvoudig, en helemaal in de lijn van het Pastoe-meubilair dat ze al hadden uitgezocht.

De klok heeft hun hele leven op het theekastje gestaan. Hij had tot – ik schat – 1980 – een aandrijving op 220 V. Die moet kapot zijn gegaan waarna mijn moeder een nieuw snoerloos mechaniekje liet plaatsen, waarschijnlijk bij Van Maanen aan de Hoogstraat. Hij deelde het kastje met foto’s van dierbare overleden familieleden en een bosje fresia’s. En later met de foto’s van hun overleden dochter. En een vaasje fresia’s. Die eerste huwelijksjaren tikte hij dat het een lieve lust was. En later zorgde hij voor orde en rust en regelmaat. En weer later hielp hij de eindeloos te lange uren in verteerbare stukjes te delen en nog weer later bood hij de troost van de tijd.

Wat doet tijd met verdriet? Troost? Nee. Hooguit dit: dat nu niet duurt; dat er een later is. Waarin je kleinkinderen krijgt, waarin je nog kunt studeren, waarin je nog zo veel voor anderen kunt betekenen.

Toen mijn moeder overleed, kreeg ik het theekastje. En de klok. In Leermens stonden ze op mijn werkkamertje, met als het even kon een bosje fresia’s. Toen we verhuisden, zette ik de klok weer op zijn kastje, boven op mijn werkkamer. Al snel bedachten we: hij hoort beneden. Onder de levenden, daar waar de achterkleinkindertjes hem zo verschrikkelijk graag eens van dichtbij willen bekijken. Op willen pakken en bevoelen en die flinterdunne, trage wijzers vooruit helpen. Ik begrijp die aandrang. En wee mij als ik de avond voor ze komen, vergeet hem op de kast te plaatsen.

Geordend en gestructureerd

Een mogelijk nieuwe klant. We zouden elkaar ontmoeten in levende lijve. Gewoon hier. Binnen. Op de werkkamer van mijn vrouw, dat wel. Uitzicht op het kerkhofje en de toren. Ze zou een broodje meenemen voor zichzelf want het was 12.00 uur. En dus maakte ik ook een broodje. Drie zijn dat er tussen de middag. Daartoe snijd ik 3 boterhammen af (ik ben de enige klant bij mijn AH voor ongesneden brood) die ik vervolgens stuk voor stuk beleg met anderhalve plak kaas. Dat stapel ik en die stapel snijd ik finaal door midden. Dan schik ik ze in 3 dubbels op het bord dat ik daarvoor in vier kwartieren heb ingedeeld. Het vierde kwartier is voor de beker karnemelk.

Waarom wilt u dit weten?

Omdat deze werkwijze mij een mooie leuke grote langdurige schrijfopdracht heeft opgeleverd. De beslismevrouw was namelijk erg onder de indruk van de geordende en gestructureerde manier van brood klaarmaken en opdienen.

Toen ik dit later in huiselijke kring aan de keukentafel vertelde, barstte mijn lieve vrouw in lachen uit. Ik geordend, gestructureerd … In de ogen van een wetenschapster ben ik de ultieme chaoot. Iemand die maar wat aanrommelt en vertrouwt op zijn intuïtie. Wat ze niet ziet is hoe mij dat  helpt. Juist mijn soms wat ongestructureerde geest zorgt ervoor dat ik extra mijn best doe om structuur aan te brengen. In een tekst, in een training en dus ook in het broodschikken.

Overigens, dit had mijn nieuwe opdrachtgeefster niet gezien als we hadden geteamd of gezoomd. Nog een reden om dat zo snel mogelijk achter ons te laten.

Leve het echte leven.


De ets komt uit de Rijksstudio: Boerderijen bij een geploegd veld, Johannes of Lucas van Doetechum, naar Meester van de Kleine Landschappen, 1610 – voor 1676