Voorlijk

En toen begon-ie spontaan te zwaaien. Vandaag, naar mij, naar mijn vrouw, naar zijn moeder en zijn vader. Te pas, en te onpas. 10 maanden en hij kan al zwaaien! Die jongen is wel bijzonder voorlijk. We geven hem een beker met melk. Hij drinkt uit de beker. We zetten hem achter de piano. Hij kan pianospelen. Ik zette hem met een pollepel en een pan bij het aanrecht. Hij kan drummen en koken. Bij AH begon hij opgewekt ‘papa’ of iets wat daar op lijkt te zeggen. Het zou me verbazen als hij volgende week niet de tafel van 7 kent en het Wilhelmus kan zingen.

Hij zat daar, met die pan en die pollepel en plots herinnerde ik me hoe we zijn vader een kleine 30 jaar geleden in de kelder zetten bij de bak met keukenspullen die we toen al niet meer nodig hadden. De kelderdeur bleef open staan en zo had je vanuit de keuken best wat toezicht op z’n doen en laten, terwijl je aan het koken was.

Hij kon er tijden zitten spelen. We waren er wel trots op. Geen duur speelgoed van plastic. Gewoon, spelen met wat voorhanden is. Achteraf begrijp ik mezelf niet zo goed. Zo’n peuter alleen in de kelder … er moeten toch ook dingen in die bak hebben gezeten waar een punt aan zit. Kennelijk vertrouwden we op ónze alertheid en zijn peuterverstand.

Nu zou ik dat niet meer zo snel doen. Hoewel. Als ik zie hoe voorlijk die Lasse van ons is. We hebben alleen geen kelder meer.

Het pleziertje van de mensen

Het Dagblad schrijft in de persoon van Arend van Wijngaarden een lezenswaardig commentaar over het preventieakkoord. Hij schrijft: ‘Maar het akkoord heeft ook de trekken van een betuttelend vingertje. Een vingertje dat vooral opgeheven wordt tegen mensen die het maatschappelijk toch al zwaar hebben.’

Daarmee doelt Van Wijngaarden op het feit dat een slechte gezondheid samenhangt met chronische armoede en slechte economische vooruitzichten. Inwoners uit Noord-Nederland worden domweg gemiddeld minder oud dan de gemiddelde Nederlander.

Hij schrijft:

Wie mensen met de allerbeste bedoelingen hun rokertje, drankje of patatje wil ontnemen, zou daar ook iets tegenover moeten stellen. Het moet ook mogelijk zijn om kansen te zien in het leven. Het gaat niet aan om mensen alleen maar pleziertjes te ontnemen, en niets te doen tegen onzekerheid en ongelijkheid.

Ik schreef al eerder over verkleinwoorden en hun versluierende bedoelingen.  Het pleziertje van de mensen blijkt te bestaan uit een rokertje, een drankje of een patatje. Met andere woorden: nicotine, alcohol en vet. Ik vind het een goede zaak dat de overheid de consumptie daarvan enigszins wil beteugelen. Maar publiekscampagnes of prijsverhogingen gaan niet werken. Plezier in het leven hangt inderdaad samen met voorspoed en welvaren, met mogelijkheden en kansen.

De overheid begrijpt dat. In de Veenkoloniën is nu 10 miljoen euro beschikbaar om de gezondheid er te verbeteren. Het geld dreigde op te gaan naar organisaties die hun kans roken. Gezondheidsbevordering is namelijk ook gewoon business. Het katern Groningen van dezelfde krant opende vandaag met de kop: ‘Veenkolonialen grijpen hun kans liever zelf’. Ik hoop dat ze hem pakken.

Een liefdevolle huismus

Het is vandaag 4 jaar geleden dat m’n moeder overleed en haar eerste achterkleinkind werd geboren. Haar kleindochter fluisterde haar de dag ervoor de – voor alle anderen –  onbekende naam in de oren. Wij mochten het nog niet weten dat Tim Tim ging heten.

Ach ja. Ze was een bijzondere vrouw maar ook een heel gewone vrouw met een bewogen leven. En vandaar dat journalist Frans Dijkstra in Trouw een ‘Naschrift’ aan haar wijdde. Wat ze daarvan zou vinden, weet ik niet. Ik weet wel dat ze erg van de kop zou schrikken: ‘Een liefdevolle huismus’. Ze was zoveel meer dan alleen een huismus en ze was zoveel meer dan alleen liefdevol. Maar Dijkstra had wel gelijk. Ze was liefdevol, en ze was een huismus.

Maar ze was ook vastberaden en volhardend en genereus en belangstellend en meelevend. M’n zusje en ik memoreerden gisteren hoe dankbaar ze kon zijn voor kleine diensten die we haar verleenden. De bloembak weer vullen bijvoorbeeld. Of boodschappen doen. Of wat koken. Roerbakgroenten met woksaus . Ze vond het heerlijk. Ja, dat mis ik eigenlijk wel: gewoon een beetje voor m’n oude moeder zorgen. Zou het erfelijk zijn?

De foto maakte mijn vader toen ze een een paar weken op het huis in Leermens pasten. Lees hier het artikel dat Frans Dijkstra schreef voor de rubriek Naschrift: ‘Een liefdevolle huismus’

Peren voor de grijp

Een fruitboom geeft fruit. De perenboom in Leermens gaf peren. Veel peren. We oogstten die niet, we plukten ze. Mijn vrouw nam er iedere dag een drietal mee naar haar werk. Ze plukte die peren voordat ze de auto uit de garage haalde. De eerste weken redde ze het door te reiken. Daarna moest ze op een fruitkistje staan. En de laatste peren plukte zij met een grote stok waaraan een Gardena fruitplukapparaat zat. Dat apparaat was in feite niets meer dan een klein zakje met erboven een scherp mesje. Het zakje stak je onder de peer die de pineut zou worden en dan gaf je een klein rukje waarna dat mesje het steeltje doorsneed en de pineut het zakje inrolde. Ingenieus. Wat we niet plukten, liet los en werd voer voor vogels en composthoop.

Dat was rijkdom. Mijn vrouw wandelt nu naar het werk. Peerloos. Armoe.

Toch hoeft dat niet. Wie vanuit de stad naar het groot Zaikenhoes moet, kan dat doen via de Nieuwe Sint Jansstraat. Daar staat tegenover het Werkmancollege pal tegen de muur een perenboom. Opschot, uitgegroeid tot boom. En ook deze boom geeft peren. Maar niemand die ze plukt. Ze hangen er wat mistroostig en doelloos als kerstballen in een kale kerstboom in januari.

Te pas

Lasse was niet zo te pas. Dat kan gebeuren.

Z’n vader kwam helpen om de spullen van zijn oom in Parijs die in Groningen staan te verslepen naar plekken waar ze ten minste een jaar kunnen wachten op de beslissing: blijven of alsnog weg, z’n moeder en hij kwamen mee. Zij in goede doen, hij minder.

Ik zette hem op de vensterbank beneden. Je doet wat met een jongetje dat even niets wil. Daar, voor het raam en in the picture, is hij namelijk heel senang. Hij speelt met de ketting van de zonwering, met het ijzeren pinnetje dat het raam op zijn plaats hield voordat er extra beveiliging op kwam en tracht de tulpenvaas te ontleden. Daarnaast en daarenboven bekijkt hij het gedoe buiten. Hij volgt  er het doen en laten van de mensen met warme belangstelling.

Zwaaien is een concept dat hij zelf nog niet actief beheerst. Maar “naar gezwaaid worden” kent-ie als geen ander. Voorbijgangers doen hem er een groot plezier mee. En daarmee ons. Hartelijk dank.

En ondertussen zit die oom daar in Parijs, helemaal alleen bij een vreemde Franse vrouw. Op 6 hoog. hartje Parijs. Wie zwaait er naar hem?

Het aanzoek

Mijn vrouw was laatst bij een feestje. Er waren veel andere jonge, hoogopgeleide vrouwen. Waarover spraken zij? Over de vraag of “je al gevraagd bent”.

Ze kwam wat onthutst thuis. Ik deel haar onthutsing.

Het bracht me terug bij het moment dat wij gevraagd werden of vroegen. Hoe ging dat in z’n werk? We konden ons het moment suprême geen beiden herinneren. Een logische conclusie zou kunnen zijn dat we elkaar niet vróégen omdat het nu eenmaal “moest”, maar dat is niet zo. We kózen voor het huwelijk, heel bewust. Maar wanneer? Hoe? Waar? Ik ben niet door de knieën gegaan, zoveel is zeker. En ik veronderstel dat ook mijn vrouw niet door haar knieën is gegaan. Het gebeurde gewoon.

Voor ons was de huwelijkse staat een kwestie van “gemakzucht”. Natuurlijk, we hadden naar de notaris kunnen gaan om een en ander te regelen maar waarom zouden we? Dat wat de notaris regelde, kon je net zo goed per huwelijk regelen. En dat we een week later ons samenzijn groots vierden, in de kerk (jawel) en met een mooi feest, dat zouden we ook gedaan hebben als we ons hadden beperkt tot een notarisbezoek.

Those were the days. Hoogopgeleide zelfbewuste vrouwen willen de huwelijkse staat dolgraag bemachtigen. En dan hebben ze een vriend. En dan wachten ze smachtend  tot die vriend hen vraagt …

Vrouwen, wat is er met jullie gebeurd?

Opa alleen

Ik ben vandaag alleen. Zijn ouders namen mijn kleinzoon zomaar mee naar Schiermonnikoog en ik mocht niet mee. Wel stuurt mijn schoondochter foto’s. Eén daarvan lijkt sterk op de foto van Boudewijn de Groot met zijn zoontje, de foto die de langspeelplaat ‘Hoe sterk is de eenzame fietser’ sierde. Eigenlijk zie ik maar twee verschillen. Mijn zoon is blonder en Lasse leuker.

Anna van den Breemer schreef gisteren in de Volkskrant over oppasopa’s en -oma’s. Dat arrangement is helemaal niet zo vanzelfsprekend als het soms lijkt. Wij oppasopa’s en -oma’s kunnen overbelast raken door de zorg voor onze kleinkinderen. En we kunnen maar moeilijk ‘nee’ zeggen. En we mogen geen kritiek geven op de opvoeding en we mogen de kleinkinderen ook niet ongegeneerd verwennen en we mogen niet mee-opvoeden. Wat mogen we wel?

Nou, dat is volgens auteurs Anneke Groen en Herman Vuijsje in 3 werkwoorden te vatten. Zij schreven het boek ‘Eindeloos ouderschap – Zorgen voor je kinderen houdt nooit meer op’. Een van de hoofdstukken heet: ‘Slikken, zwijgen en schenken’.

Slikken, zwijgen en schenken … Ik ga straks even naar de bibliotheek. Zou het allemaal echt zo’n treurnis zijn?

Maar eerst ga ik de schuur opruimen: zaterdag ga ik naar Antwerpen op en neer om de spullen van m’n jongste zoon op te halen. Hij verhuist naar Parijs. Zijn spullen stalt hij – o nee, ik – in onze schuur, naast de spullen van m’n oudste zoon.