Koper

Na het bordje kwam het koper. Een opmerkzame lezer attendeerde me erop dat het koperbeslag van de voordeur wat beslagen oogde. Hij had gelijk, moest ik erkennen. Trouwens, niet alleen bij ons huis maar bij ieder huis waar men koper aan of bij de deur heeft. Het is dof, kleurloos, neutraal, laf. En dus fluks koperpoets gekocht en even het koper gepoetst. Met zilverpoets doe ik ook het zilver bestek van mijn ouders. En dat is altijd een fluitje van een cent.

Koper blijkt andere koek. Waar ben ik aan begonnen?

Sinds een week voorzie ik 1, 2, soms wel 3 maal per dag het koper van een laagje. Soms wrijf ik het onmiddellijk uit. Soms laat ik het een nachtje zitten. Meestal doe ik het allebei. De deurknop zelf glanst als nooit tevoren. Maar de rest is nog ver heen.

Een buurvrouw loopt regelmatig langs en bekijkt mijn verwoede pogingen met warme belangstelling. Ik krijg tips en bemoediging. Andere buren zien het van een afstandje aan. Een pietsje meewarig. Niet alleen buren bekijken mijn ijdel gepoets. Het is een tussendemiddagkarweitje, precies het tijdstip waarop mensen zich op het muurtje tegenover ons zetten om de boterham op te eten, de mobiel te bewonderen en mij gade te slaan. Gisteren zette zich zelfs een hele groep dames op het muurtje. Alsof ze kaartjes hadden gekocht. Ze gingen er eens goed voor zitten. Toen de beiaardier ‘Halleluja’ van Leonard Cohen inzette hield ik het voorlopig voor gezien.

Ik herinner me hoe mijn zoon – toen een jaar of 6 – mij zou helpen met koken. Hij zou de champignons snijden. Na 2 champignons stopte hij. Op tv was een tekenfilm die hij graag zag. Maar even later kwam hij terug en zette zich weer aan de champignons: ‘Ik ben een volhouder.’

Het gouden uur

Het is een uur of half vijf. Het gouden uur. Het Martinikerkhof is op zijn mooist. Herfstkleuren. Lage zon. De jongeman die hier al een paar weken lang met een metalen stok met aan beide uiteinden metalen balletjes is druk in de weer. Hij lijkt een trainee te hebben aangesteld. Zij (als ik het goed zie) is beslist minder bedreven. Bij het hotel lopen mensen in en uit. Etenbezorgers zitten op het muurtje en wachten op orders. Ik ben aan het koken.

Aan de overkant wordt iemand onwel.

Ik weet van niets en snij ui, zet deeg in de machine, rasp kaas. Precies: tref voorbereidingen voor pizza. De sirenes hoor ik eigenlijk niet meer. Als ik uiteindelijk toch naar voren loop zie ik twee politie-auto’s op het gras en enkele politiemannen in de weer met wat niets anders dan reanimeren kan zijn. Iemand houdt belangstellenden op afstand. Even later komt er een ambulance. Even later nog een.

Kijken naar een reanimatie is naar. En wat kan ik doen? Ik ga verder met mijn bezigheden. Een kwartier later wordt er nog gereanimeerd. En weer even later is er een ambulance vertrokken. De sirene uit. Ook de andere ambulance vertrekt met stille trom. De jongleur jongleert. De bezorgers bezorgen. De politie omcirkelt de plaats waar het allemaal gebeurde met een rood lint. Ik vraag me af: waar staan hier de AED’s?

Ik denk: aan de overkant is iemand overleden.

Bekijk de kaart met de locaties van AED’s

Nadere beschouwing

Ik rende langs het Reitdiep, nog in de stad,  over het fietspad, richting het Noorden. Achter me kwam een fietser aan. Ik hoorde hem van ver komen. Hij praatte hardop in zichzelf. Troostende woorden. ‘Ja, ja. Nog even,’ sprak hij zichzelf moed in, ‘nog heel even, dan zijn we thuis.’

Ik begrijp dat wel. Wie de hele dag alleen thuis is, zal het herkennen. Je gaat in jezelf praten, je gaat tegen jezelf praten. Maar zo schaamteloos liefdevol? Dan ben je wel heel erg alleen met jezelf. Ik had wat met hem te doen. Hij passeerde. Een gewone meneer op een gewone fiets.

Even later zag ik hem weer. Hij was thuis. Onder de carport stond een mevrouw. Zijn mevrouw, zo leek het mij. Ze zoenden elkaar. Toen haalde hij uit het mandje voorop de fiets een hondje. Jankend van vreugde klom het beestje in de armen van het vrouwtje.

Die vluchtige blik, die eerste indruk. Nadere beschouwing maakt veel kapot.

Onder de naam

Het was een zaterdagmiddag zoals zaterdagmiddagen ooit bedoeld zijn. Een middag met niets. We zouden gaan wandelen op Schier maar de cv-ketel liet ons in de steek en de monteur kon ieder ogenblik komen. Dat moest ik maar letterlijk nemen, begreep ik van de telefoniste. Je kunt dus geen kant op. Maar je hoeft ook geen kant op. We zetten de stoelen voor de deur en dronken koffie en lazen de krant en bekeken toeristen die ons bekeken hoe wij hen bekeken.

De buurman kwam langs en bleef even zitten. Een andere buurman kwam langs en bleef even zitten. We groetten voorbijgangers die ons groetten. Voorbijgangers groetten ons omdat wij hen groetten.

Een stel – mijn leeftijd – bleef staan. Hij keek naar m’n bordje en toen naar mij. ‘Jij bent Wout Sorgdrager?’ Ik realiseerde me dat ik inderdaad daar onder die naam zat. Even schoot me Winnie the Pooh door het hoofd:

Winnie-the-Pooh lived in a forest all by himself under the name of Sanders. “What does ‘under the name’ mean?” asked Christopher Robin. “It means he had the name over the door in gold letters, and lived under it…”

We kenden elkaar niet. Maar hij ging door het leven onder de naam van Sorgedrager. Dus er was sprake van een zekere verwantschap. Ik zweer echt oprecht – na een conversatie van 2 niet eens zo’n lange zinnen bleek dat we allebei erg van jenever houden. Hoezo verwantschap? De Sorgedragers komen van Terschelling. Hij vertelde me hún versie van de herkomst van de naam. Ofwel waren de Sorgedragers de mensen die zorg droegen voor de behoeftigen op het eiland, ofwel de Sorgedragers waren de mensen die de dijken bewaakten. Mooi, maar fout natuurlijk. De Sorgdragers waren de mensen die op de walvisvaart de harpoeniers vasthielden om te voorkomen dat die harpoeniers met walvis en al de oceaan in verdwenen. Een typisch Hollands beroep: we deinzen terug voor de verantwoordelijkheid van het doden maar leveren graag aanvullende dienstverlening.

Ze gingen hun weg. Wij zaten er nog even – ik onder mijn eigen naam, met de buren, in de zon. Het was zaterdagmiddag. Er hoefde niets.

Hou toch op

Het is Stoptober. Stoppen met gas is als stoppen met roken.

Ik ben nooit begonnen met roken, dus stoppen is lastig. Maar ik heb veel respect voor mensen die het redden. Want verslaving is – heb ik me laten vertellen – iets mentaals en iets fysieks. Dat fysieke kun je tackelen met flink zijn en pleisters. Maar dat mentale stukje is moeilijk aan te pakken. Ooit schreef ik over rokers die heel erg in het nu leven. Met andere woorden: later komt later. Als je weet dat je binnen een week komt te overlijden als je nog een peuk opsteekt, laat je het wel. Als je weet dat de kans 50% is óók. Maar als die kans kleiner is en de termijn langer, prevaleert het gemak en het vertrouwde van het nu.

Welnu. Over gas. In mijn dagblad komt op pagina 13 een meneer van de ABN Amro aan het woord. Stop niet met gas. Laat je cv-ketel lekker staan. Plaats die warmtepomp niet. We stappen gewoon over op vloeibaar gas uit Canada. Het blijkt dat Shell daar een gigantische installatie bouwt om het gas dat ze er oppompen vloeibaar te maken, en vloeibaar gas kan prima vervoerd worden. Het dagblad schrijft erboven (zonder aanhalingstekens): ‘De hele wereld stapt over op gas’.

Shell is die criminele organisatie die Groningen heeft leeggetrokken. Zij weten als geen ander hoe je een verslaving in stand houdt. Maak het de verslaafde makkelijk. ‘Psst, nog een peukje? Nog een shot? Nog een tanker vloeibaar gas?’ De handelwijze van een dealer!

De meneer van de ABN Amro vindt het alleszins redelijk: ”s Nachts schijnt de zon niet en het waait ook niet altijd. Er zullen dus altijd energiecentrales nodig blijven om elektriciteit op te wekken als er geen zon of wind is.’ Ik heb gelukkig geen geld bij de ABN Amro maar het is wel een systeembank. Als zo’n bank dergelijke redeneringen als valide beschouwt moeten we ons ernstig zorgen maken. Dat op de volgende bladzij van mijn dagblad een oud-medewerker van Gas Terra gas verkoopt als ideaal voor een rustige transitie naar duurzame energie is toeval. Ik citeer hem: ‘Naast ons eigen Noordzeegas is er gas uit Noorwegen, Noord-Afrika, het Midden-Oosten en desnoods Amerika voorhanden. Beschikbaar en betaalbaar. Bovendien zullen we, naarmate het aandeel duurzame energie stijgt, steeds minder gas nodig hebben.’ De tekst van een dealer.

En niemand die denkt: ‘Zou dat wel verstandig zijn, dat we die aarde van ons volkomen leegtrekken?’

Hou toch op.

Zegels

De kaaswinkel Van der Ley heeft de zegels de deur gewezen. Wat was er mis met zegels, vroeg ik het kaasmeisje. Ze kon het me niet beduiden. Maar er komt wel iets anders. In plaats van zegels krijg ik voortaan Piggypunten. Voortaan moet ik naast m’n bonuskaart en m’n airmileskaart dus nog een extra kaart meenemen, m’n Piggykaart. Ik vraag me af hoe ze dat bij Van der Ley gaan doen. Gaan ze echt vragen: ‘Spaart u Piggypunten?’ of ‘Heeft u een Piggykaart?’

De mensheid valt eenvoudig onder te verdelen in zegelplakkers en niet-zegelplakkers. De eerste categorie mensen bestaat uit spaarders. Dat zijn zuinige mensen. Ze hebben altijd 5 twee-literflessen drinkwater in huis voor als de Rus komt. In het toilet staat altijd een extra rol wc-papier. Ze doen de was met Persil. De tweede categorie mensen bestaat uit brassers. Misschien hebben ze een krat bier in huis maar beslist niet voldoende reservewater, laat staan een extra rol wc-papier. En de was?

U begrijpt, ik ben een plakker. Geen goede plakker, geen nette plakker, maar wel een plakker. Niets fijners dan op een stil moment de zegels uit je jaszakken, boodschappentassen en portemonnee te peuteren, en op de keukentafel voor je uit te spreiden. Hoe zo’n zegel van zijn rol afglipt, hoe de kaart voller en voller wordt en plotsklaps vol is. Als een klare legpuzzel.

En hoe die kaart dan in de la verdwijnt voor later.

 

 

 

Herfst

Ze noemen het herfst. De regen slaat tegen mijn zolderraam. Ik hoor hoe beneden de terrasstoelen van hun plek waaien. Het is half acht ’s avonds en het is donker. Het overrompelt me.

Het bedtafeltje ligt vol boeken. Ik moet het schuren en lakken. Wie ziek was, kreeg zijn eten op dat tafeltje, bij de bank. De stoel van mijn moeder staat uitnodigend licht gestrekt. De Gispen Panamalamp van mijn ouders werpt haar licht naar beneden. Op het theekastje van mijn ouders branden de waxinelichtjes.

Erop die foto’s. Al die foto’s. Eén van de waxinelichtjes gaat uit. Over de Ebbingestraat scheuren enkele brandweerwagens. Loeiende sirenes.

Net als de weemoed genadeloos dreigt toe te slaan klinkt er boven mijn hoofd het geren van een beest over het dak. Waratje. Een marter? Het is een wonderlijk vertrouwd geluid. Ik had het in Groningen nog nooit gehoord. In Leermens deden ze dat ook wel. Tikkertje met verlos. Soms hoorde je er een in het heetst van de strijd naar beneden buitelen. Het hoorde bij de herfst.

Ja. ik ga die stoel van mijn moeder maar eens in zijn hoogste stand zetten. Even met de benen omhoog, noemde ze dat. Herfst, je moet er ook van genieten.