U-gericht schrijven

Mijn versspecialist bestaat en is creatief! Ik wist het niet. Ik wist niet eens dat ik een versspecialist had. Maar hij heeft een busje en daar stond het op: ‘Uw creatieve versspecialist’. Voorwaar een tekst die je aan het denken zet.

Ik heb ooit Nederlands gestudeerd en me daarbij vooral gestort op de toenmalige moderne poëzie. Ik beschouw mezelf daarom als een versspecialist. Maar mijn eigen versspecialist is geen letterkundige, dat begreep ik wel. Ook niet als hij creatief is. Is het een slager? Een groenteboer? Een bloemist? Ik kon het zo gauw niet zien. Het licht sprong op groen en we moesten verder.

Je zag het vroeger vaker: de naam van de middenstander gevolgd door ‘uw’. Uw warme bakker, uw loodgieter, uw stukadoor. Waarschijnlijk heeft iemand deze middenstanders geleerd dat u-gerichte teksten teksten zijn die binnenkomen bij de lezer. En van het een kwam het ander.

Zou het werken? Zou het echt werken? Ik adviseer mijn cursisten altijd om als het even kan de lezer hier en daar aan te spreken. Alsof je tegen hem praat. Maar u-gericht schrijven lukt het best als je één lezer tegelijk bedient. Zodat jij weet wie die u is. Zodat die u weet wie jij bent. Als u het nog begrijpt. Het wordt haast poëzie.

Groot en klein

Hardlopend langs het Van Starkenborghkanaal bots ik bijkans tegen dit bord. Groot schip gaat voor klein schip. Een levensles voor wie nog niet zo lang mee gaat, een open deur voor de rest van Nederland. Groot gaat voor klein, rijk gaat voor arm, rechts gaat voor links, waarheden die geen betoog hoeven.

De achtergrond van deze levensles van Rijkswaterstaat is de botsing van een forse boot met de te vroeg zakkende Paddepoelsterbrug. De boot won. De brug is weg. Wie is hier groot, wie is hier klein?

Maar nu liggen daar dus in het water twee gigantische obstakels, een soort wegversmalling voor het vaarverkeer. En staat er dat bord. Hoe het met de boot is, weet ik niet. In Groningen maken we ons meer zorgen of Rijkswaterstaat die brug überhaupt terug gaat plaatsen.

Dat bord van RWS zou zo maar een vooruitwijzing kunnen zijn naar hoe onze Rijkswaterstaat al die wandelaars en fietsers beschouwt.

Fluisteren

Per fluisterboot voeren we “en famille” bij Kalenberg door de Weerribben. Heel even, héél even maar, dachten we dat een fluisterboot een boot was waarop je moest fluisteren. Maar al snel lieten we dat idee varen. We, dat was de familie Sorgdrager. Dat wil zeggen: de broer en zus van mijn vader met hun kinderen en de kinderen van de ooms en tantes die inmiddels zijn overleden. De neefjes en nichtjes die je op zondagmiddag ontmoette bij opa en oma van de Reineclazenstraat. Met wie je met de knikkerbaan speelde en af en toe op de trapnaaimachine mocht.

We doen dat te weinig. Vieren dat we er zijn. Vieren dat we er nóg zijn. Je ziet elkaar alleen op begrafenissen en dat is jammer want de familie Sorgdrager is een leuke familie, al zeg ik het zelf. Wat me wel opviel: de familie is ernstig verdeeld. Er is de verstilde kant die kippen houdt en het landleven koestert en er is de stadse kant – zeg maar rustig de wat luidruchtiger Amsterdamse kant. Wat ook opviel: je gaat vanzelf weer ouderwets Amsterdams praten.

En zo voeren we over de Weerribben. De schipper deed zijn uiterste best om ons te vertellen hoe het gebied zo ontstaan is, hoe het onderhouden wordt, wat er groeit en bloeit, en waarom het er trilt. Maar het was goeddeels vergeefse moeite: het was een geanimeerd gesprek, daar op het water en dat is toch echt een understatement. Sorry kikkers, rietgorzen, broedende zwanen, ringslangen, dazen, we moesten 50 jaar inhalen. En het is dat Ajax niet van Tottenham had gewonnen anders had nicht Jetty gezongen.

In haar toespraakje bij de lunch roemde nicht Joke de levenslust van tante Alie en oom Henk. Dat trof me. Het was juist die levenslust die mijn vader ook zo karakteriseerde. ‘Als ik tegen de tijd dat ik 90 ben, een fractie heb van die levenslust, prijs ik mezelf gelukkig.’ aldus Joke. Precies. Laten we elkaar tegen die tijd beslist weer opzoeken. Op de Weerribben bijvoorbeeld. In een fluisterboot.

Kermis in Stad

Het is weer kermis in Stad.

Mijn ouders hadden de oorlog en de crisis meegemaakt en waren bovendien gereformeerd opgevoed. Ze vonden geld uitgeven op een kermis eigenlijk verspilling. Totaal ongepast.

In Amsterdam zijn we bij mijn weten eenmaal naar de kermis geweest in Geuzenveld. Dat moet een idee zijn geweest van mijn vader: hij kon soms onverwacht erg uit de band springen. Die keer bijvoorbeeld dat mijn moeder naar haar zus in Canada ging en hij met zijn 4 kinderen achterbleef. We gingen toen met z’n vijven naar Limburg. Met het vliegtuig!

Hoewel. Misschien was het wel een idee van mijn moeder. Ook zij sprong een enkele keer uit de band. Die ene keer dat mijn vader en moeder met ons uit eten gingen vanwege hun 35e trouwdag en de ober vroeg of we vooraf wat wilden drinken. Mijn moeder zag haar kans schoon. Ze wilde wel een glaasje sherry. Mijn vader ging toen bijna dwars liggen: thuis krijg je het gratis.

Terug naar die kermis in Geuzenveld: waar ik in mocht weet ik niet meer. Misschien gingen we gewoon kijken. En dat we dan iets lekkers kochten: dan kréég je tenminste nog iets voor je geld.

De kern van de zaak

Wat wil je nu eigenlijk zeggen?

Hun rapporten werden steeds dikker en moeilijker en bleven nog steeds onvolledig en dus te dun. Logisch, die rapporten betreffen mensen in precaire situaties.

Het eerste dagdeel oefenden we dus met schrappen. Er kon hier en daar best een woordje weg. Vaak zelfs wel een zin of een bijzin. En ook die lijdende vorm maakt het vaak wat langer dan nodig. En die eindeloze bijzinnen die ontstaan als mensen hun zin beginnen met ‘Omdat’. De zinnen werden vlotter maar de rapporten bleven dik. Het schoot niet op.

Het tweede dagdeel oefenden we daarom met meer lucht. Meer helderheid. Die kun je bijvoorbeeld creëren door tussenkopjes te gebruiken en door af en toe een zinnetje te wijden aan wat de lezer gaat lezen. Maar het schoot niet op.

Gisteren en eergisteren deden we (er waren 3 groepen) het derde dagdeel. Dat besteedden we aan die ene vraag: wat schrijf je op, en wat laat je weg?

Ik legde uit dat schrijven eigenlijk 3 fases kent. Informatie verzamelen, informatie ordenen en informatie overdragen. En ik liet zien dat veel van hun teksten bleven hangen in fase 2. Schrijven is denken. Schrijven is je gedachten ordenen, een lijn vinden in een complex verhaal over complexe mensen in complexe situaties. Maar aan fase 3 kwamen ze niet toe. Werkdruk? Gemakszucht?

We behandelden een lange tekst. Met daarin onder ander een lange passage over de voorgeschiedenis van de cliënt. Ik vroeg de schrijver: ‘Wat wil je nu eigenlijk zeggen met dit hele verhaal?’ In 3 heldere zinnen zette hij dat uiteen. Ik vroeg: ‘Waarom schrijf je dat niet op?’

Dat was de les. Schrijf gerust 5 pagina’s vol maar stel je daarna de vraag: ‘Wat wil ik hiermee zeggen?’ Het was een ogenopener. En het schoot enorm op.

Beeld:  Constantin Brancusi (1876 – 1957), Het begin van de wereld. Het staat in Kröller Müller.

Groningen 1947

De foto kwam ik tegen in een bericht van Dick Heizenberg in de Facebook-groep ‘Je bent een Stadjer als’. Het is 1947. Een groot deel van het centrum van Groningen is verwoest. Weg. Wie goed kijkt ziet dat het puin inmiddels ook weg is. Wat rest is leegte. Je wéét dat het gebeurd is maar als je die kaalslag zo ziet, is dat toch schrikken.

Tegelijkertijd is er dat mirakel. Het stadhuis, het Goudkantoortje (dat kleine gebouwtje links van het grote stadhuis) en de kerk. Ze staan er nog. Hoe is het mogelijk?

Op die laatste vraag las ik wel een antwoord al kan ik het precieze bericht niet meer vinden. Het komt er op neer dat de Duitsers de kerk (die toen de oorlog begon in de steigers stond) als een soort van afluisterpost gebruikten. Ze wilden hem bij de bevrijding van Groningen dan ook vernietigen maar dat werd verijdeld.

Wat ook opvalt is dat het gebouw van Vindicat dat ten behoeve van de bouw van het Forum verplaatst moest worden (met andere woorden: afgebroken en enkele meters verderop weer opgetrokken) er in 1947 nog niet stond. Veel gebouwen hebben maar een levensduur van 60 jaar. Gelukkig staan sommige gebouwen langer.

 

Mijn kuch

Mijn kuch is weg. Ik had hem al een week of zes. Het was zo’n kuch die je dierbaar wordt. Natuurlijk, het was een rotkuch maar het was mijn kuch. ’s Nachts was hij al eerder weg dankzij een middel van de apotheek maar overdag zat-ie er nog. Een beetje stiekem weggekropen in een hoekje. Zodra iemand kuchte, kuchte ik mee. Zodra iemand het had over kuchen, kuchte mijn kuch.

Maar nu is hij weg. Ik hoop niet dat hij iemand anders als gastheer koos.

Het beeld is van Maarten Burggraaff, Eenum