Schoenlepel

Eerst even een praktische vraag. Wie weet waar wij onze schoenlepel opborgen na de verhuizing? Ik kocht nieuwe schoenen waarbij een schoenlepel handig zou zijn. En een speurtocht op internet leert me dat die dingen veel duurder zijn dan ik dacht.

Maar dit terzijde. Een andere speurtocht bracht mij in de koffer die ik onverwijld van zolder moet halen als er brand uitbreekt. Ik zocht namelijk de loonstrookjes van mijn vrouw uit de jaren 1983 – 1995 en die liggen als het goed is in die koffer. Je zult je brandende huis maar verlaten zonder dergelijke bewijsstukken!

En dan duik je in zo’n koffer en vind je een liefdesbrief van een onbekend persoon aan een van mijn zonen; de tekening erop suggereert echt dat de verklaring van zo’n 25 jaar geleden is dus de schoondochters hoeven zich vooralsnog geen zorgen te maken. Ik vond twee renteloze aandelen van 25 gulden in ons dorpshuis. Hierbij verklaar ik dat wanneer ze eventueel ooit worden uitgeloot, wij deze aandelen laten vervallen. Ik vond de huwelijkse voorwaarden bij de trouwakte waarin de notaris de verdeling van de goederen preciseert. Ik had de piano die we een jaar of 5 ervoor van de school voor kerkmuziek in Utrecht over de Oudegracht en de Amsterdamse Straatweg naar Zuilen rolden. Mijn vrouw had de wasmachine en het Amsterdamse kastje. Ik had 500 gulden, mijn vrouw 5000. Need I say more?

Ik vond overigens die loonstrookjes ook. Voor die schoenlepel houd ik me aanbevolen.

Psalm 128

Sinds een week of twee speelt ons carillon ieder heel uur psalm 128. De melodie neemt me telkens weer mee naar Veenendaal, nog in de goede, oude tijd. Ik hoor mijn vader zingen. Dat is geen straf. Hij was een schat. Maar hij had wel wat “minpuntjes”. Zo was hij als mens zeg maar erg aanwezig. En als hij goedgeluimd was, kon hij ook wel eens héél erg aanwezig zijn. Dan zong of floot hij psalmen, bijvoorbeeld als hij de krant zat te lezen aan de keukentafel en de koffie pruttelde.

Ik zocht nietsvermoedend de tekst op. Dit is het eerste  vers:

Welzalig is een ieder, die God van harte vreest
en Hem als zijn gebieder gehoorzaamt allermeest.
Verheug u, gij zult eten de arbeid uwer hand.
Gelukkig zult gij heten, u deert geen tegenstand.

De jaren na die goede, oude tijd waren donkere jaren. Tot ze “iets van” vrede vonden en hij toch ook het tweede vers zou hebben meegezongen.

Voorwaar uw vrouw zal bloeien, een rijpe wingerdrank,
uw kind’ren zullen groeien, den Heer tot eer en dank,
als stekken van olijven, die om uw tafel staan.
Ja, gij zult aan den lijve Gods zegen ondergaan.

En als dan mijn moeder de koffie inschonk, zou hij haar liefdevol hebben meegedeeld: ‘Dinie, wat zet je toch heerlijke koffie.’

Op de klaver

Hoe het met ons gaat, wilde mijn Amsterdamse tante Jannie weten. Ze belde vrijdag. Ik deed het uit de doeken. In geuren en kleuren. Globaal komt dat neer op: de vrouwelijke helft van het stel nog wat slapjes, de mannelijke helft prima, eigenlijk helemaal boven jan. Zij vatte het samen: ‘Weer helemaal op de klaver’ dus.

Wat een mooie uitdrukking. Je ziet zo’n koe na wat minne dagen zich weer volvreten op een groen weiland vol fris gras en geurige klaver. Je ziet de boerenknecht op z’n melkkrukje in het weiland, je hoort het melk de uier uitsprietsen met gulle spuiten, je ruikt de jonge graskaas en je weet: het komt niet góéd, het wordt niet béter.

En zo brachten wij ons weekend door, hier aan het groenste stukje groen van Groningen. Weer helemaal op de klaver.

Toe maar – een update

Het Gronings is prachtig. Maar ik spreek het niet. Verstaan gaat – mits men langzaam praat. Gebarentaal is niet nodig want een echte Groninger zou dat zo onderkoeld doen dat het zinloos is. Maar een paar Groningse taalgebruiken ken ik.

De mooiste is ‘Toe maar’.

In Amsterdam had dat een uitnodigende betekenis. Bijvoorbeeld: ‘ga je gang’ of ‘tast toe’. Hier betekent ‘toe maar’ heel iets anders. Stelt u zich voor. We praten over de gaswinning en de aardbevingen die dat gepomp ons bezorgt. Je klaagt je nood, je spuwt je gram en sluit af met ‘toe maar’. ‘Toe maar ‘ betekent zoiets als: ‘je wordt hoe dan ook ge …’ Sorry, ik bedoel: ‘ze moeten ons toch altijd hebben. We kunnen er toch niets aan doen.’ De ander zwijgt, tuurt even in de verte en spuugt op de grond. En zegt dan ook nog maar eens ‘toe maar’.

Donderdag gaat Groningen naar Den Haag. Boos. Ik hoop op revolutie maar ben bang voor ‘toe maar’. En dat die westerlingen dat dan op zijn Amsterdams interpreteren.

Dit stukje komt u misschien bekend voor. Ik schreef het in 2014. Waar nu ‘Den Haag’ staat, stond toen ‘Zeerijp’. De illustratie komt van de site van de Groninger Bodembeweging.

Frustratie-agressie

Frustratie-agressie is agressie uit onmacht. Het is de agressie van een treinreiziger op een stakingsdag, de klant die belt en keer op keer zijn geboortedatum moet opgeven zonder verder te komen, de patiënt die op 1 dag 4 verschillende diagnoses hoort. Het is agressie die zich richt op de boodschapper terwijl de agressor weet dat die er ook niets aan kan doen. Maar het lucht wel op.

Gisteravond gaf Alders uitleg over zijn opstappen aan mensen van wie de woning versterkt moet worden, gaat worden of toch niet … maar misschien ook wel. Hij kon de nieuwe vertraging in de besluitvorming niet meer verkopen. De zaal stond op en applaudisseerde.

Bijzonder. Ik vond Alders de verpersoonlijking van de verambtelijking van het versterkingsdrama in Groningen. Ik was niet de enige.

Wat verklaart dan die staande ovatie? Misschien wel dit: hij was de enige bestuurder die tot nu toe persoonlijke consequenties verbond aan de totale mislukking van de versterking van Groningen. Kamp flierefluitte vrolijk verder, Wiebes lijkt dezelfde strategie te hebben gekozen en Rutte … tja, Rutte …

Groningen schortte het overleg met Den Haag op. Dat begrijp ik wel. Maar wat nu? Wanneer zegt Groningen ‘Genoeg is genoeg’? En wat gebeurt er dan? Niets, ben ik bang. Frustratie is een afschuwelijke geniepige genadeloze bron van ongerichte machteloze woede. Gaan die mensen die opnieuw te horen hebben gekregen dat ze geduld moeten hebben naar Den Haag? Misschien. Maar ze gaan er echt de boel niet in de hens doen.

Nee, ik ben bang dat de frustratie niet tot agressie leidt. Dat zou tenminste nog opluchten. Ik ben bang dat de frustratie zich naar binnen keert. Opkropt. Tot het mis gaat. Al die onzekerheid en woede en onmacht is uiteindelijk killing.

Over de foto: hij is gemaakt door Jan Zeeman en staat op de voorpagina van het Dagblad van het Noorden. Zelden is de totale onmacht van Den Haag zo goed verbeeld. Bekijk hier wat Alders er zelf over zegt tegen het DvhN

Belevingsvlucht

Er vloog gisteravond en vannacht een belevingsvlucht over ons land. Ik begrijp dat de initiatiefnemer voor deze vlucht het Ministerie Infrastructuur en Waterstaat was. Dankzij die vlucht kunnen bewoners zelf beleven dat het met de geluidsoverlast van extra vliegtuigen op Lelystad wel meevalt. Ooit zette ik op een rij welke communicatiemiddelen je als afdeling ‘Communicatie’ kunt inzetten. Een belevingsvlucht staat daar nog niet bij. Hij kan nog mooi tussen ‘Beleidsplan’ en ‘Beurs’.

Alles voor uitbreiding van het vliegverkeer. Schiphol als motor van onze economie, ik blijf het wonderlijk vinden.

Als Schiphol werkelijk de motor van onze economie is, moeten we ernstig achter de oren krabben. Dat zou betekenen dat onze economie afhankelijk is van een motor die zó vervuilend is en voor zó veel overlast zorgt dat hij in ieder centrum van iedere middelgrote stad in Europa onmiddellijk verboden zou zijn. Zo’n economie willen we toch niet?

Nu nog een plaatje

‘Leuk is dat, zitten wij er mee.’ De ambulancebroeder legde de telefoon neer en overlegde met zijn collega. Hij draaide een ander nummer. Ditmaal had hij beet. ‘Oké, dan zijn we er over 5 minuten.’

Ik was in Amersfoort voor de Tekstnet-workshop over Beelddenken met Wim Honders. Ja, zo’n komma mis je pas als hij er niet staat. Ik had 3 droge boterhammen bij me, nam geen koffie mee noch in de trein en kon de Amershof met geen mogelijkheid vinden, en dat terwijl ik er regelmatig kom. Eenmaal binnen wist ik het al wel: ik had niet moeten gaan. Maar Tekstnet-workshops zijn nu eenmaal zo leuk en leerzaam en zo schaars, wat hogerop in het land. Maar tegen beter in vertrekken is niet handig.

Na een uurtje gaf ik het op en sloomde terug naar het station. De trein van 14.35 had ik net gemist. Even zitten. Lekker. Een kwartiertje deed ik niets. Toen ging het erg mis, geloof ik. De lamlendigheid van de ochtend had plaatsgemaakt voor een full blown buikgriep. Waarschijnlijk heb ik erg overgegeven, wel zeker viel ik flauw. De trein van 15.05 heb ik niet zien vertrekken. Wel stond het vol rondom me. Uniformen wilden weten wat voor dag het was. ‘Wout, wat voor dag is het?’ De vraag boeide me niet echt. Integendeel. Ik ontdekte dat ik erg vies was en diep ongelukkig. Ik liet me op het bankje leggen en vertrok in de geest. Nu slapen. Ik nam de volgende trein wel.

Maar als een oude opa op het perron op een bankje overgeeft en flauwvalt is dat een dingetje. 112 was gebeld en even later werd ik richting een brancard begeleid. Daar leerden we wat precies projectielbraken is. Lieve heer, ik heb waarschijnlijk veel mensen heel vies gemaakt en ik kon er niets aan doen.

Awel. De spoedeisende hulp was vol. Dit kon ook best een gevalletje hart zijn, redeneerden ambulancebroeders en zo belandde ik op de hartbewaking in het Meander Ziekenhuis. Het goede nieuws: mijn hart en alles wat daarmee te maken heeft is kerngezond. Slecht nieuws is er eigenlijk niet. Misschien dat ik die workshop heb gemist en dus geen idee heb wat voor plaatje hierbij past. We doen het maar een keer zonder.