Proeven

Onlangs proefde mijn jongste zoon wijn. In een heus chateau, met een heuse Française.  Dat was nog niet zo gemakkelijk, vertelde hij. Na een aantal slokjes van een aantal wijnen proef je geen verschil meer en bovendien, ze laten je eerst de goedkoopste wijn proeven en daarna de duurdere. Hamvraag: hoe zeg je ‘hartelijk dank voor het gastvrij onthaal maar nee dank u’ bij het weggaan?

Dat is ook moeilijk. Toen mijn toenmalige vriendin en ik 40 jaar geleden in Collioure in een soort wijnkelder de beroemde Banyuls proefden, wisten we niet wat we proefden. Letterlijk. We hadden geen idee. Banyuls is een soort port moet u weten: rood, zwaar, zoet, erg zoet. En duur ook. Niet bepaald ons soort drankje in die tijd. Maar ja, je kunt toch niet met lege handen zo’n proeverij verlaten? En zo zeulden wij een aantal flessen Banyuls mee naar onze studentenkamertjes. Ik herinner me vrij veel van die vakantie. Onder meer die enorme vlinder die ons op het plein van Perpignan tegemoet vloog, die allereerste ochtend toen we uit de trein stapten, maar ook de camping, de zee, de warmte, en die proeverij.

Ik kocht 2 flessen. De eerste fles dronk ik gewoon op bij een pannetje linzen of iets dergelijks. Tot ik van iemand begreep dat het meer een dessertwijn was en dat je er met mate van moest drinken. Nippen liever. Maar ik ben geen nipper. Ik hield de fles dus maar angstvallig dicht. Hoe het met hem is afgelopen kan ik me dan weer niet herinneren.

Zo’n hippocampus, wat doet die precies?

’t Is stil in Stad

Toen we zaterdag tegen het eind van de middag vanaf de Grote Markt het Martinikerkhof inliepen en de stilte ons tegemoet kwam, spitsten mijn stadse zus en zwager de oren. Een groenling! Ik, boer van buiten, had geen idee. Ze wezen me op het zeer kenmerkende geluid: ik begrijp dat de groenling een soort rochel voortbrengt.

Al die geluiden. Bij de kapper – ja, ik maak ook eens wat mee – ging het eergisteren over de nachtelijke herrie van de stad. Herrie, dacht ik, het mocht wat! Ik dacht terug aan de herrie van de schapen op het landje achter ons in Leermens, het landje van Groenewold. Zeker als  de moeders zich ’s nachts klagelijk afvroegen waar toch hun lammetjes waren gebleven kon de herrie hevig zijn. Of als de kikkers ontwaakten. En de koeien in de stallen van De Bruin, dat nachtelijk geloei. Of dat egeltje dat midden in de nacht begon te dwalen. En de uilen, ach ja, de uilen.

Hierachter is het ’s nachts vaak stil. Adembenemend stil. Klinisch stil. Zo tegen de ochtend het gekrijs van de meeuwen. En de incidentele ambulance. Een groenling hoorde ik nog nooit. Maar wat weet ik van groenlingen?

Gisteren groef ik in ons tuintje een piepklein vijvertje op. Misschien moeten we die toch maar in ere herstellen. Voor een incidentele kwaak van een incidentele kikker.

Op de foto het landje van Groenewold tijdens de Oldtimerdag 2009

Het systeem

‘Vooruitstrevend in total care sloopwerken’ las ik op het busje bij Albert Heijn en ik bedacht dat ik wel even naar de kapper zou kunnen gaan.

Maar van het een kwam het ander en na AH kwam de bibliotheek en volgden de markt en de bloemen en wilde ik koffie en naar huis. Bovendien: de kapper die mij voor ogen stond verlangde vast een afspraak.

Na de koffie zocht ik het telefoonnummer van de kapper op. Je kon ook online een afspraak maken. Toen ik dat probeerde wilde het systeem dat ik eerst een account zou aanmaken met mijn e-mailadres en een wachtwoord. Dat weiger ik. Ik wil geen accounten meer en zeker niet voor de kapper. Dus ik belde.

‘Wat is uw naam?’ wilde de kapster weten. Een faire vraag. Ik antwoordde naar eer en geweten.
‘En uw voornaam?’ Het moest, die knipbeurt, maar anders had ik opgehangen. Je wordt geen 60 om bij de kapsalon door een wildvreemd meisje met je voornaam aangesproken te worden. Maar wat moest ik. Ik gaf haar tandenknarsend mijn voornaam. Het bleef even stil.
‘Staat u in het systeem?’ vroeg ze argwanend.
‘Nee, ik sta niet in het systeem en ik wil ook niet in het systeem.’ Het kwam er botter uit dan ik het bedoelde. Sorry. Maar ik wilde gewoon geknipt worden. Gelukkig, ook zonder een account mocht ik reserveren.

Eenmaal in de stoel viel het natuurlijk allemaal alweer erg mee. Samen met Jolanda werd ik het snel eens over de coupe. Kort maar gedekt, niet opgeschoren en de oren vrij. Ik schrijf het maar even op zodat ik de volgende keer dat mantra kan oproepen. Toen het achter de rug was en ik ging betalen, zette ik me schrap. Ik stá niet in het systeem, ik wíl niet in het systeem. Ze vroeg niets. Voortaan word ik anoniem geknipt. Ik betaal met cash.

Een kopje soep

Ooit deed ik op een zeer hete zomerdag (de luiken waren allemaal dicht) in mijn oudste kloffie de deur open. In mijn rechterhand een tas met lege flessen, bestemming glasbak. Ik stond oog in oog met een grote beveiliger. Willem-Alexander bezocht ons dorpshuis. Ik mocht wel even wachten. Sowieso kon ik nergens bij: het plein stond vol grote Audi’s, een ervan had AA erop.

Gisteren was het minder warm. De gordijnen waren open. Ik werd geallerteerd door een enorm geronk van motoren. Hell’s angels die hier een fittie kwamen regelen? 4 grote ronkende politiemotoren stonden pront te pralen bij twee grote dure auto’s. Buurman zat voor zijn huis, dus er was wat te doen. En jawel. Op een van de auto’s zag ik een nummerbord met AA. Beatrix at een kopje soep voorafgaand aan het Koningsdagconcert.

Er kwam een super Porsche aan. Nieuwe gasten ongetwijfeld. Hij wilde de mobiel ronkend en wel voor de ingang zetten om te profiteren van de haal-en-breng-service maar werd gemaand om door te rijden. ‘Ga daar achter maar ergens staan’ zag je een politieagent zeggen. Ze deden wat hun gezegd werd maar een domper was het vast. Al die egards, en niets daarvan voor hun.

Natuurlijk schrijf ik dit op om u te imponeren. Maar ook om mijn verbazing uit te spreken. Ik heb het niet zo op koningen en prinsessen. Ik vind het een raar fenomeen dat er in Nederland een familie is die dit land als het hunne beschouwt en dat we dat goed vinden. Maar je blijft toch staan kijken. Toen de hoogheid de soep op had en vertrok, zwaaide ik. Ze zwaaide terug.

Voetballes

Nu het zomer is geworden verandert ons kerkhofje gedurende het weekend (en dat begint op vrijdag) in een popuppicknickpartyplek en bruidsfotoshootspot. Zodra de zon zich moeizaam over het provinciehuis heeft gehesen, spreiden picknickers hun dekentjes en leggen zij zich op ons grasveld te ruste, en staat-ie eenmaal pront aan de hemel en boven de kerk, dan verdringen bruidspaartjes zich bij het veldje met hyacintjes om hier die ene foto te maken die nog 50 jaar op het dressoir staat.

Het is een drukte van belang. Maar het is rustige drukte. Op de een of andere manier bekruipt bezoekers hier een soortement sereniteit die waarschijnlijk nog afkomstig is uit het klooster dat hier ooit stond. Het is geen heksenketel, allerminst. Veel mensen pakken een boek en liggen te lezen. Anderen praten genoeglijk en weer anderen doen hun yoga.

En wij? We zetten ons stoeltje voor de deur, zetten een kopje koffie en zien het aan. Trots. Blij. Met plezier. Met enige verbazing ook wel. En als het te warm wordt, gaan we achter zitten. Dan vermaken we ons met al die mensen die met hun neus tegen ons raam zich vergapen aan onze inrichting.

En dan wordt het maandag.

En dan voelt het wat katterig. De autootjes van de gemeente rijden weliswaar af en aan maar de zooi blijft de zooi. Binnenkort komt Ronald Koeman hier voetballes geven. De koninklijke hoogheden zijn erbij.

Af of onaf

In Rome bezochten we in het voormalige klooster Bramante een prachtige tentoonstelling van – vaak onaf – werk van Turner. Wat we hier zien is een aantekening in waterverf voor een schilderij van de vuurtoren bij Land’s end (Engeland). In de catalogus staat het als volgt:

Joseph Mallord William Turner, A Wreck, Possibly Related to ‘Longships Lighthouse, Land’s End’

Wanneer is iets onaf? Wanneer is iets af? Over de schilder Pierre Bonnard las ik ooit (bij Brakman?) dat als hij een expositie bezocht waar zijn eigen werk werd tentoongesteld, hij altijd een etuitje meenam met wat penselen en verf. Dan kon hij nog snel wat puntjes op de i zetten. Voor Bonnard was een schilderij kennelijk nooit af maar altijd een werk “in progress”.

Dit schilderij van Turner is duidelijk niet af. Maar het heeft ook niets meer nodig. Zeker, linksboven is nog wel ruimte voor wat vogels of desnoods nog een wolkje. Je zou er ook een stuk zee kunnen schilderen, zo’n volmaakt oneindig vlak kabbelende golfjes. Of een drietal sloepen met ernstige mannen, speurend naar overlevenden. Juist die ruimte vind ik mooi. Er kan nog veel, maar veel ook niet meer.

Kunnen mensen af zijn? Of onaf? Ik werd zojuist 60. Ik voel me soms af of erg af. Maar vaak ook onaf. Ik weet: er kan nog veel, maar veel ook niet meer. Trouwens, wie af is, mag niet meer mee doen.

Wassen

De Wierdeweg in Leermens was onze eigen wasstraat. Maar het Martinikerkhof is te chique om je auto te wassen. Bovendien: hij staat veilig opgeborgen in een parkeergarage dus je ziet hem ook niet. En zo verkommert-ie een  beetje; sinds onze verhuizing had ik hem niet meer gewassen. .

Gisteren was ik met de auto op pad. Plots gewerd het mij: ik wilde de auto wassen. Pal in de buurt was een echte wasstraat. We deden gek, we kozen programma 4, het Poolse pakket: wassen, velgen, drogen, glanswax en polish-wax. En daarna heb ik hem nog gratis gestofzuigd.

Maar toen de matten. In mijn oude wasstraat hadden we de Leermster Stain om de matten te kloppen. Ideaal. Maar bij deze wasstraat was zo’n steen nergens te bekennen. Een behulpzame collega wees me op een bordje: ze hebben hier een mattenwasser. Het bleek te gaan om een soort papierversnipperaar maar dan formaatje kleine Fiat. Je duwt de matten erin en dan voltrekt zich daarbinnen een wonder. Ik wilde niets liever dan dat een keer proberen. Maar matten wassen met een volautomatische mattenwasser kostte 2 euro. Ik had al 13 euro neergeteld voor het polish-pakket. Nog eens 2 euro was me te duur. De Leermster Stain was gratis.

Toen ik de auto had geparkeerd en naar huis liep, viel me iets op. We hebben wel degelijk een mattenwasser aan ons kerkhofje. Misschien dat ik  voortaan toch maar m’n auto bij huis was.