Barbecue

Doe 3 takjes tijm en 3 takjes rozemarijn in je vijzel en stamp het fijn. Doe er dan 4 eetlepels van je beste groene, koudgeperste olijfolie bij en het sap van 1 citroen. Meng het grondig en doe er ten slotte een theelepel dennenshampoo (Andrelon) door. Ruik. Ruik het Parque Natural Sierra de Andujar na een flinke regenbui op Koninginnedag. Het is niet de zompige Groningse klei in november tijdens de bietenoogst maar het komt in de buurt van die perfectie.

Dit natuurreservaat is onder andere bekend om zijn lynxen. Het zijn er 141 heb ik me eergisteren door gediplomeerde Ierse lynxspotters laten vertellen. Verdeeld over een kleine 80.000 hectare is dat aantal beperkt. Zo beperkt dat wij er tot nu toe geen een gezien hebben. Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat ik en mijn metgezellin ons ook iets minder moeite getroostten. De Ieren stonden voor dag en dauw in de regen buiten met verrekijkers en telelenzen en kwamen om ongeveer 12 uur ’s nachts weer thuis. Zij zagen er 3. Wij gingen vanmiddag op pad, zonder verrekijker en zonder telelens maar met picknick, en zagen er geen een. Dat is ook een vorm van gerechtigheid.

In de verte zagen we de kapel van de Heilige Maagd van Cabeza. Ongeveer 400.000 Spanjaarden vereerden haar vandaag met een processie. En een barbecue. De rookwolken stegen op boven de kapel. Ik rook tijm, rozemarijn, olijfolie, citroen en dennennaalden.

Overigens – dit stukje werd dan wel gepost op zondagavond, het telt als stukje voor maandagochtend. De administratie moet wel kloppen!

Bedreigde diersoorten

De oranje spaarleeuw is een bedreigde diersoort. En gevaarlijk bovendien. Deze week gaan wij kennismaken met de Iberische Lynx. Ook een bedreigde diersoort. Maar is-ie gevaarlijk? Dat weten we nog niet. Als dit weblog onverwacht stopt weten u en ik het antwoord.

Groeten uit Spanje.

Spaarleeuw

Consternatie in huize Sorgdrager. Uit onderzoek is gebleken dat het lampje in de staart van de Oranje Spaarleeuw leeuw er uit kan worden getrokken. Hierdoor kunnen kleine onderdelen van het lampje loskomen. Kleine kinderen kunnen die onderdelen in de mond stoppen waardoor verstikkingsgevaar kan ontstaan. Toen we vanochtend dit lazen werd het even doodstil aan de keukentafel. Inmiddels heb ik het bericht een plekje gegeven en kan ik ermee dealen.

Toen onze kinderen klein waren kregen we bij het openen van een spaarrekening een Penniemaat. Die penniemaat was heilig. Eens per dag stopten onze kinderen daar het geld in dat ze op straat vonden en dat ze andere kinderen hadden afgetroggeld. Als ze bij hun opa’s en oma’s waren geweest verdween het geld dat deze strooptochten opleverden rechtstreeks in de penniemaat. En als we naar de penniemaat keken, bogen we eerbiedig ons hoofd.

Nu zijn er dus kinderen die het lampje uit de staart van de spaarleeuw trekken. Stelt u zich dat even voor. Je spaarleeuw. En dat je daar dan aan gaat trekken, net zo lang tot het een in kleine onderdelen uiteenvalt en omgesmeed wordt tot een moordwapen.

Dit is ons land niet meer. Wij pakken ons boeltje in. Wij vertrekken.

Blonde Aaf

Voor mijn verjaardag kreeg ik een kaartje voor de workshop ‘De Perfectie van het romanschrijven met Ronald Giphart’. Nee, dat is niet waar. Voor mijn verjaardag kreeg ik een kaartje voor de workshop ‘De Perfectie van het romanschrijven’ met Ronald Giphart. Aanhalingstekens zijn belangrijk. Dat weet ik al. En ja, ik weet ook dat er al miljarden romans zijn. Maar er zijn ook al miljarden mensen en toch besluiten iedere dag mensen om ook zelf nog zo’n mensje te maken. En gelijk hebben ze. Niets is leuker dan zo’n klein mensje, helemaal voor jezelf. Maar ik heb al twee van die schattige mensjes voor mezelf. En nou wil ik dus zo’n roman voor mezelf. Ronald Giphart gaat me leren hoe dat moet. Ach, als ik alles nog eens over mocht doen…

Genoeg over mijn schrijfambities. Het gaat me om Aaf. Ik kwam door dat kaartje terecht op de website ‘Nightwriters’. Je verwacht op een site met die naam toch een zekere mate van rock-‘n-roll. Tot mijn ontsteltenis is Aaf Brandt Corstius een van die nachtschrijvers. Blonde Aaf, de schrik van Amsterdam. Ik vond haar vroeger wel onderhoudend maar haar schrijfsels worden zo truttig. Vandaag schreef ze over kinderteentjes. Misschien kan zij nog intekenen voor de workshop ‘De Perfectie van het kindertjesmaken’ met Ronald Giphart. Of voor mijn part voor de workshop ‘De Perfectie van het kindertjesmaken met Ronald Giphart’.

Daar wil ik dan nog wel over lezen. Schrijven niet.

Tossen

Als student sjoelde ik erg veel. Je bent hele dagen thuis en je kunt niet de hele dag met de neus in de boeken. Sjoelen is erg bevredigend.  Je bent je eigen tegenstander. Er is geen sprake van directe confrontatie. En je kunt in alle rust en stilte werken aan steeds beter. Ideaal.

Als schooljongen voetbalde ik veel. Ik speelde heel verdienstelijk rechtsbuiten in het schoolelftal en op het grasveld bij ons achter in de Wieringerwaardstraat. Heel verdienstelijk. Van huis uit deden mijn vader en mijn moeder echter niet aan sport. Op geen enkele manier. En dus kwam het niet bij me op dat je lid kon worden van een voetbalclub. Vreemd.

Op een dag (ik ben nu in 1994 aangeland) kregen we bezoek van Gerard Kuilman, jeugdleider van vv De Fivel. Het had wel iets van het bezoek van de ouderling of meneer pastoor. Kuilman merkte op dat Matthijs inmiddels 6 jaar was en dat het dus tijd was dat hij op voetbal ging.  Zo’n actieve benadering werkt. En een jaar later werd ook onze jongste zoon lid. Uiteindelijk heb ik zelfs nog een seizoen meegetraind met de veteranen. Moeilijk.

Voetballen op het grasveld achter de Wieringerwaardstraat bleek iets heel anders dan meetrainen met een groep gepassioneerde veteranen. Hun sportbeleving was niet de mijne. Ik bleek moeite te hebben met voetbal als teamsport en contactsport. Maar ook met mezelf. De wil om te winnen is nu eenmaal niet heel sterk ontwikkeld in mij. Maar ik kon het niet uitstaan als door mijn gepruts en angsthazerij de tegenstander weer aan de bal kwam. En ik kon het niet uitstaan dat mij teamgenoten heel boos werden in zo’n situatie of juist iets lulligs riepen zoals ‘Jammer’.

Inmiddels ben ik alweer zo’n 5 jaar lid van de tennisclub Loppersum. Ik wilde leren tennissen. Dat is nog niet zo makkelijk, heb ik ontdekt. Maar ik leer. Dankzij de lessen maar ook dankzij de tossavond. Dan wordt er gedubbeld. De teams worden volstrekt willekeurig ingedeeld en zo speel ik, beginner-eerste-klasse, zomaar tegen of met veel sterkere tegenstanders. Het is nu vooral mijn eigen sportbeleving die me in de weg zit. Mijn neiging om de ander de bal zó aan te geven dat-ie hem makkelijk kan terugspelen, moet ik zien te onderdrukken. De ander is mijn tegenstander. Ik moet van hem winnen. Er is geen tijd om in alle rust en stilte te werken aan steeds beter. Het is eigenlijk net het echte leven. Spannend.

Zucht

Mijn moeder heeft de marathon van New York uit haar agenda geschrapt. En ook de 4 mijl van Groningen gaat dit jaar aan haar voorbij. Nee, mijn moeder is in training voor de wandeling naar voorheen Super De Boer nu Jumbo. En nu moet ze zelfs die training opschorten. Ze heeft een rare spierblessure in haar dijbeen en schuifelt moeizaam achter de rollator van stoel naar keuken en van keuken naar stoel.  En als ze dan weer zit, mompelt ze zachtjes voor zich uit ‘zo’ of ‘ja’ of ‘hè hè’. Exclamaties. Zuchten. Gericht tegen niemand. Soms moet je gewoon even hardop je hart luchten.

Ik ben heel redelijk ter been. Ik sta aan de kant bij de wedstrijd Pelikanen – GEO. Het is geen beste wedstrijd. Maar we staan voor en dat is natuurlijk mooi. En zoonlief scoort de 1 -0 en dat is ook mooi. Maar daarmee is het wel gezegd. De tegenstander is een eerzame club van eerzame mensen. Hun elftalbegeleider ken ik als een aardige, eerzame man. Maar jongen, jongen, wat vallen de Pelikanen telkens kreunend en steunend neer. Pal voor het einde, ik heb de punten van mijn schoen al richting de uitgang gekeerd, stort er opnieuw een Pelikaan schreeuwend ter aarde. Ik sta alleen. Mijn buurman hield het al eerder voor gezien. En wat ik anders tegen mijn buurman zou zeggen, zeg ik nu tegen niemand in het bijzonder: ‘Tjonge jonge, stel je niet zo aan.’ Een exclamatie. Een zucht. Gericht tegen niemand. Soms moet je gewoon even hardop je hart luchten. Daar kan ik niets aan doen. Dat heb ik van mijn moeder.

De vriendelijke, eerzame elftalbegeleider is woedend. Op mij. Hij richt zich rechtstreeks tot mij. Oprechte woede.  En ik? Mijn hartslag schiet naar 160. Mijn bloeddruk stijgt. Ik loop weg. Ruzie maakt me radeloos. Ruzie is niet aan mij besteed. Daar kan ik niets aan doen. Dat heb ik van mijn moeder.

Stork

Het is een fabeltje dat kleine zelfstandigen ook echt zelfstandig zijn. Net als de meeste mensen zijn wij geketend door verplichtingen, besognes en gedoe. Maar soms slaag ik erin om me los te rukken van die ketenen en mag ik van de baas een omweg maken bij het boodschappen doen. En dus fietste ik dinsdag niet rechtstreeks naar Loppersum maar via Westeremden. Dat ligt ten noorden van Loppersum. Tussen Loppersum en Westeremden loopt het Westeremdermaar en in een bocht van dat maar ligt een buurtschapje; het bestaat uit een paar oude Groningse boerderijen. Stork heet het er.

Stork is een groene enclave middenin het land. De eerste keer dat ik er kwam was op een zondagmorgen. Ik hou erg van de natuur maar vooral alleen. En dus moet ik vaak wat vroeger op. Het zal daarom een uur of zes geweest zijn. Fiets even mee. Na Loppersum gaan we een landweg op die het spoor kruist. Beton wordt schelp. De fiets zoemt niet meer maar knispert. Links aardappels. Rechts graan. En voor ons dat groene eiland. Het is een soort bos. Pal voor ons is een donker gat in het groen. Als we de rand van het bosje naderen, zien we dat het fietspad hier splitst. Naar links of naar rechts? Naar Westeremden of naar Zeerijp? Maar ik zie dat zwarte gat tussen die bomen. Het is het erf van een vervallen boerderij. Hier woont niemand meer, denk je dan. Zes uur ’s ochtends. Waarschijnlijk horen we heel veel vogels en in de verte wat koeiengeloei. En mezelf kennende is het prachtig weer; ik hou erg van natuur maar vooral als het mooi weer is.

Tegelijk heeft het iets spookachtigs. Er hangen nog wat flarden nevel.  Overal troep. Mesthopen, oud ijzer, een paar kapotte landbouwwerktuigen. Een oude trekker, oud maar nog wel in functie zie ik. Links een woonwagen. Voor me de oude kapschuur, het dak is gedeeltelijk ingestort. Een Groningse schuur heeft altijd drie deuren. Een deur in het midden voor de hoog opgetaste hooiwagens. Een deur rechts voor het gewone werkverkeer en een deur links die dient als bezoekersingang. De schuurdeuren zijn dicht op de bezoekersingang na. Daarvan is alleen de onderste helft dicht, de bovenste helft staat open. Als ik wat verder het erf oploop, hoor ik plots wat gesnuif. Een groot wit paard steekt zijn kop door de bovendeur en kijkt me verwachtingsvol aan.

In de woonwagen beweegt een gordijntje. Ik keer om en fiets verder.

Dinsdag fietste ik weer langs Stork. In de loop van de jaren raakte de boerderij steeds meer in verval. Maar dinsdag was het duidelijk over en uit. De boerderij was weg. Helemaal weg. Ook de woonwagen was weg. Op het erf lag een enorme stapel oud hout van de balken van de kapschuur. Iets verderop lag het puin van het huis. De trekker stond er nog. En midden op het erf stond een container van Oostland Verhuizingen. De sloten glommen. Ik luisterde aandachtig. Maar het paard hoorde ik niet meer.

Naschrift
Lees de blog van Martin Hillenga over Spriknust