De wereld is een dorp

De wereld is tegenwoordig een dorp. Maar een dorp is veel groter dan je denkt. Onlangs schreef een lezeres mij over de geweldig leuke avond over historisch verantwoord koken in het dorpshuis van Leermens. Zelf kon ze er niet bij zijn: ze woont in Siradan, een piepklein dorpje in de Hautes-Pyrénées. Leuntje Aernoutse (de lezeres in kwestie) las over de avond in een blog van de Lizet Kruyff, de gastspreekster. Ik las de blog ook en dacht even, echt heel even: ‘Waarom weet ik hier niets van? Waarom vertellen ze mij ook niets?’

Irma, de uitbaatster van het dorpshuis, vertelde me later dat de avond een besloten bijeenkomst was van LTO Groningen. Ik ben van vrijwel alles lid maar nog niet van LTO. Het was dus mijn avond helemaal niet.

Maar wat een krankzinnige wereld. Ergens, diep verscholen in de Pyreneeën, in een prachtig boerderijtje met uitzicht op een dal, zit Leuntje en ze leest over een avond in het dorpshuis van het kleine dorpje Leermens, ergens diep verscholen in het Groningse platteland. Zij wist ervan.

Ik woon naast het dorpshuis. Ik wist van niets.

Lees de blog

Help

Omdat ik een kapvergunning wil aanvragen, wil ik graag mijn DigiD. Want dan kan het online. En wie wil zijn kapvergunning nou niet online aanvragen? En bovendien is het zuiniger. Want als ik het op papier doe, moet ik eerst 16 pagina’s uitprinten. En bovendien bovendien: die DigiD ligt ergens op mij te wachten. Dan wil ik hem hebben ook.

Onlangs kreeg ik de brief met de activeringscode. Vanmorgen was het zover. Ik mag met m’n nieuwe DigiD spelen. Maar zoals dat wel vaker gaat met cadeautjes: het valt wat tegen. Ik kreeg ooit (we schrijven ongeveer 1996) van mijn vrouw een vlieger met twee lijnen. Het wil hier in Leermens nog wel eens waaien. Dan is zo’n stuntvlieger natuurlijk heel leuk. Maar een groot succes werd het niet. Toen de jongens en ik hem gingen oplaten in de speeltuin, zagen mijn kinderen mij  veranderen van een leuke, blije en jarige vader tot een machteloze, radeloze man, verstrikt in woede en een web van tientallen meters vliegertouw. Dat moet zijn sporen achtergelaten hebben.

En nu zit ik hier met mijn nieuwe DigiD. De boodschap die op mijn scherm verschijnt, luidt: ‘Help. Er is een fout opgetreden:
Uw DigiD inlogcode is geblokkeerd tot maandag 7 februari 2011 08:48:45. Wellicht hebt u meerdere malen een verkeerd wachtwoord ingevoerd. U kunt het na de blokkering opnieuw proberen. Als u uw wachtwoord bent vergeten, kunt u opnieuw een DigiD inlogcode aanvragen.’

Langzaam maar heel zeker verdwaal ik in het digitale wereldwijde web dat ik ter beveiliging om mezelf heb gesponnen. Ik beveiligde mezelf met een wirwar van wachtwoorden, inlogcodes en gebruikersnamen. Maar in plaats dat ik me nu extra zeker voel, verlies ik het van mezelf. Alweer.

 

Hulpwerkwoorden

Vanaf 2011 zullen er een aantal veranderingen gaan plaatsvinden ten aanzien van het aanvragen van onze dienstverlening. Tot op heden worden alle aanvragen per fax naar ons gestuurd en vanaf 2011 zullen alle aanvragen digitaal aangevraagd moeten worden.

Hulpwerkwoorden. Wat hebben we er eigenlijk mee? Onze zelfstandige werkwoorden kunnen het meestal prima zonder hulp af. De cursieve zin hierboven komt uit een tekst van een van de cursisten die ik –als het allemaal meezit- vandaag leer hoe ze nog betere brieven kunnen schrijven. Ik paste de tekst enigszins aan zodat jan en alleman niet weten wat die dienstverlening precies is.

De brief waar de passage uit afkomstig is, is prima. Goed van toon, goed van opbouw en, op een paar kleinigheden na, ook prima van taal. Echter en helaas, alleen al deze passage (38 woorden) telt 6 hulpwerkwoorden. Dezelfde passage zonder:

Vanaf 2011 verandert de manier van aanvragen van onze dienstverlening. Tot op heden stuurde u alle aanvragen per fax naar ons. Vanaf 2011 doet u dat per e-mail.

Ik heb niets tegen hulpwerkwoorden als zodanig. We hebben ze en waarom zou je ze niet af en toe gebruiken? Maar ze houden zo op. Ze vertragen je tekst. Ze maken je tekst zo afstandelijk. Neem uit de eerste zin alleen al de werkwoorden ‘zullen’ en ‘gaan’. Er staat al dat de veranderingen vanaf 2011 plaatsvinden. De brief is kennelijk van vóór 1 januari. Als je die datum noemt, weet je lezer heus wel dat het toekomende tijd is.

Ah… je weet niet wat hulpwerkwoorden zijn? Oké. Taalunieversum omschrijft het hulpwerkwoord als volgt: ‘Een hulpwerkwoord is een werkwoord dat niet zelfstandig, maar slechts in combinatie met een ander werkwoord kan voorkomen.’ Veel gebruikte hulpwerkwoorden zijn: hebben, zijn, worden, willen, zullen, moeten, mogen, gaan.

Ik pleit niet voor een algemeen verbod. Nee. Je moet gewoon wat minderen. Zal dat gaan?

Agenda

Mannen kunnen hun zinnen zetten op status en statussymbolen.  Twintig jaar geleden wilde ik graag een lederen Succesagenda (de senior). Ik kocht hem na het binnenhalen van een fors contract voor de stichting waarvoor ik werkte. Ik heb die agenda gedeclareerd. Ik vond dat ik wel een bonus had verdiend. Tegenwoordig zou je daar niet meer mee weg komen. Maar dit terzijde.

Zo’n Succes-agenda is gewoon een kleine multomap waarvoor je ieder jaar een nieuwe vulling koopt. Het voordeel is dat je de oude bladen niet weg hoeft te gooien, je kunt ze ook bewaren. De agenda is van ongeveer 1992. En sinds die tijd bewaar ik aantekeningen. Zo sloot ik met mijn oudste zoon een contract: hij was 4 jaar en wilde met mij mee in de tweepersoonskano. Dat vond ik geen goed idee. Het contract luidde: ‘Als Matthijs 6 is mag hij met papa varen’. En mijn scope-nummer is 2583. Ik weet niet meer wat scope is en wat ik daarmee kon. Maar het blijft goed om te weten. Ik vind er ook een pagina met mogelijke cadeautjes voor mijn vrouw.  Ik noteerde in de loop der jaren 14 ideeën. Alleen de kniebeschermers voor in de tuin kan ik nog gebruiken. Alle andere ideeën zijn verwezenlijkt.

En nu dreigt de agenda afgedankt te worden. Het “mannetje” van de drukknop waarmee je de agenda sluit, is kapot. Dat zal de leeftijd zijn. En ik kreeg van mijn vrouw haar oude iPod. Waarschijnlijk hoeft ze die kniebeschermers niet.

 

 

Het ABC

Retourtje Loppersum – Utrecht

Zelf geef ik niet graag aan. Ik zeg, ik vind, ik meen, ik stel vast of ik vertel. Zelden geef ik aan. Dat woordje is onze taal binnengeslopen en we hebben het niet gemerkt. Ik weet nog dat toen ik de directievergaderingen van de hogeschool notuleerde, ik ‘aangeven’ wel eens gebruikte. Ik vond het prachtig indertijd: ‘De heer Pieterse geeft aan dat …’ Mijn baas had er ook zo een: ‘Voor wat betreft …’ Gisteren mailde Allard me over mijn gebruik van het woordje ‘middels’. Inderdaad: een overbodig germanisme. En dan ‘communiceren’ als overgankelijk werkwoord. Je weet wel: ‘iets communiceren’. En herken je de valsheid in het woord ‘optimaal’?

Ik heb mezelf verboden me te ergeren aan enge woorden. Ik hou dus heel veel tijd en energie over. Die stop ik liever in iets nuttigs. Bijvoorbeeld een brief aan de NS en Arriva. Wie gebruik maakt van de OV-chipkaart is voor een retourtje Loppersum – Utrecht niet € 27,40 kwijt maar € 31,80 (met dalurenkorting). De computers vinden namelijk dat je twee keer met een reis begint.

In de notulen van de vergadering over mijn brief zou staan: ‘De heer Sorgdrager geeft middels een schrijven aan dat de kostenstijging als gevolg van de introductie van de nieuwe OV-chipkaarten voor Arriva-treingebruikers die iets verder willen dan station Groningen wellicht optimaler kan worden gecommuniceerd.’

Ach. Laat ook maar. De heer Sorgdrager geeft aan dat hij gewoon een kaartje blijft kopen. Leve de vooruitgang. Hoezee. Hoezee. Hoezee.

 

Dagbesteding

Jaren geleden reden we met grote regelmaat van Leermens naar Zuid-Limburg. En terug. We reden toen nog via Den Bosch en Eindhoven. Op een kruispunt voor Den Bosch stond altijd iemand het verkeer te regelen. Het verhaal ging dat hij zwakzinnig was en voor zichzelf een zinvolle dagbesteding had gevonden. Hij had het er maar druk mee. Die weg is inmiddels min of meer overbodig. En wij rijden zelden meer die kant op.

Vorige week reed ik ’s morgens in alle vroegte over de Schansweg van Leermens naar het station in Loppersum. Het was bijzonder mistig. Je zag letterlijk –nou ja, letterlijk- geen hand voor ogen. Laat me daar opeens een witte poes langs de weg zien zitten. Ik reed min of meer stapvoets, de poes verroerde zich niet. Ze keek niet op of om.

’s Avonds laat reed ik terug. Nu was het veel helderder. Daar zat ze. Nog, of misschien wel: weer. Ze keurde me opnieuw geen blik waardig. Als ze thuis komt, vertelt ze haar kinderen: ‘Twintig auto’s, vijftien fietsers en acht tractoren. Ja schatten, de vis wordt duur betaald.’ Dan gaat ze naar bed. Morgen is er weer een dag.

Sap for president

Voor reclamemakers zal dit stukje geen verrassingen opleveren. Bekend maakt bemind. Ik schrijf het dan ook vooral omdat ik me verbaas over het waarheid-als-een-koe-gehalte ervan. Ik verbaas me eigenlijk over mezelf.

Door omstandigheden keek ik vorige week dinsdagochtend de tennispartij tussen Djokovic en Berdych. Djokovic is prof sinds 2003. En sinds die tijd zie ik hem regelmatig spelen. Ik weet nog goed dat ik hem niet zo’n aardige jongen vond. Hij is Serviër en daar plakte ik zo mijn vooroordelen aan. Maar dinsdag ontdekte ik dat ik voor hem was en niet voor Berdych die ik vrijwel nooit heb zien spelen. Nee. Djokovic is een vertrouwd gezicht en heeft dus mijn voorkeur.

Herhaling doet dus wat. Reclamemakers weten dat. Wat geldt voor tennissers, geldt ook voor afwasmiddelen, telecombedrijven en verzekeraars. Herhaling is een krachtig instrument om de voorkeur te winnen en te houden. Coca-Cola is waarschijnlijk een van de sterkste merken ter wereld. Toch zien we deze dagen overal reclame voor Coca-Cola. Wat voor tennissers en frisdranken  geldt, geldt waarschijnlijk ook voor politici. Bij de SP begrepen ze dat, realiseer ik me nu. Emile Roemer is daar de man. Hoe heette ook al weer zijn voorganger?

Gaat Jolande Sap het redden? Ik denk het wel. Als ze maar genoeg exposure krijgt, denken we vanzelf: ‘Wat een verstandige vrouw. Wat een visionair. Sap for president.’