Collega’s

Ik ken een hoofd Samenleving. Ik zit samen met hem in het bestuur van Ons Genoegen. Toen hij over de functie vertelde had ik even niet opgelet (de vergadering was nog niet geopend) en zo kon het zijn dat ik dacht dat hij een grapje maakte. Eerlijk is eerlijk, hij zat wat op te scheppen tegenover een gezamenlijke kennis op wie hij graag wat indruk maakt. De best geklede man van Groningen tegenover het blondste stuk van de stad. Zoiets.

Maar het was geen grapje. Het bleek om hem te gaan. Hij is het: hoofd Samenleving in een middelgrote provinciestad. Toen ik begreep dat het echt was, hoorde ik mezelf zeggen: ‘Dat wil ik ook.’ Het floepte er zomaar uit. Want eigenlijk zoek ik een vaste baan. En hoofd Samenleving lijkt me wel wat. Ik heb allerlei functies door mijn hoofd laten gaan. Ik dacht aan hoofd Verkeer, hoofd Weiland, hoofd Gezondheid, hoofd Nu of hoofd Ooit maar hoofd Samenleving is zo all-inclusive, daar kan geen functie tegenop.

Ik zie u denken ‘Een vaste baan?’ Dat moet ik wel nuanceren. Ik denk zelf aan hoofd Samenleving Leermens. Zo’n middelgrote provinciestad telt ongeveer 30.000 inwoners. Leermens telt een kleine 300 inwoners. Ik ben een ambitieus mens maar ken mijn grenzen. En die houden wel op zo rond Leermens. Desnoods neem ik Eenumerhoogte er nog bij.

Dát ik een vaste baan wil, dank ik aan Joke die mij gisteren behoedde voor een acute opname. Joke is een oud-collega van mij. Omdat mijn oud-werkgever toch niet zonder mij blijkt te kunnen, schrijf ik nu voor diezelfde oud-werkgever een nieuwsbrief. En dat moet in Joomla, een programma om websites mee te maken. Gisterenochtend belde ik vanuit het kantoortje in Leermens met het grote kantoor in Stad. Ik mocht van Joke wel langskomen. En zo kwam het dat we zij aan zij als echte collega’s een nieuwsbrief het licht lieten zien. Trots en moe, na uren ploeteren en klikken en slepen en onder begeleiding van krachttermen als ‘Het is toch niet te filmen.’

Mijn voormalige werkgever kan niet zonder mij, ik kan niet zonder mijn oud-collega. Als ik eenmaal hoofd Samenleving ben, vraag ik Joke als hoofd Joomla. Dan kan ik het weer wat rustiger aan doen.

Hoera Joomla

Het zou zomaar kunnen dat ik het noodweer van gisteren heb veroorzaakt. Ik ben 53. Ik heb dus al veel meegemaakt: MS DOS, WordPerfect, Wordstar, Windows, Word, OS en WordPress. En bij iedere overgang raak ik in een fundamentele depressie. Nu moet ik in Joomla werken.

Sinds kort ben ik de trotse beheerder van een website over het opleiden van medisch specialisten. Schrijven over opleiden is leuk. Schrijven over het opleiden van medisch specialisten is nog leuker. Het is een boeiend onderwerp: hoe zorg je ervoor dat iemand een goede arts wordt?

Maar binnenkort moet de nieuwsbrief uitkomen. Die stukken liggen klaar. Nu nog even de nieuwsbrief. In Joomla. Ik ben gisteren de hele dag bezig geweest en geen snars opgeschoten. Nu ligt er weer zo’n dag voor me. Die machteloosheid, de haast fysieke onmacht die ik had toen ik van WordPerfect naar Word moest overstappen herinner ik mij nog levendig. Het zal zijn geweest in de tijd van de vulkaanuitbarstingen in Indonesië.

Ieder systeem heeft zijn eigen logica en het is schijnbaar onmogelijk om een systeem te bedenken dat mijn logica heeft. Zo’n moeilijk mens ben ik niet. Ik citeer even uit de hulptekst die mijn voorgangster maakte: ‘Klik op de gewenste pagina terwijl je de CTRL-knop indrukt. Het artikel is aangemaakt maar hangt nog niet in de menustructuur.’  Ik geloof ik dat al mijn artikelen wel aangemaakt zijn maar nog niet in de structuur hangen. Of maakte ik een structuur aan maar geen menu? En dan is er nog sprake van categorieën. Wat doen die categorieën er dan? En wat hebben die templates ermee te maken en waarom verdwijnen de koppen telkens en telkens en telkens weer?

Als ik u was zou ik deze dagen thuis blijven en de gordijnen dichthouden. Boek geen vliegreis. In IJsland zijn er nog veel vulkanen die op springen staan. Blijf thuis en wacht tot de buien zijn overgewaaid. Ik hou u op de hoogte. Fijne werkdag. U wel.

Boek, Booy en Buiter

‘Dames en heren …Boek, Booy en Buiter!’ Het is aardedonker in de zaal. Een kleine cirkel van licht floept aan boven een bar. Aan de bar zit Otto Boek. ‘Podverdorie’ zegt hij wat besmuikt. Hij zwijgt, staart in het donker en neemt een slok van zijn bier. Een tweede cirkel van licht floept aan. Naast Otto zit Adrie Booy. ‘Verdomme’ zegt hij en kijkt voor zich uit. En een derde licht floept aan: een derde cirkel van licht floept aan.  Alice Buiter zit in een witte Marilyn Monroe-jurk schuin tegenover hen achter de bar. Een pilsje voor zich. Ze zwijgt en staart voor zich uit. Dan zegt ze hard en vol overtuiging ‘Godverdegodverdomme’. Otto krimpt ineen. het is de dertigste voorstelling maar hij kan niet wennen aan de hartgrondigheid waarmee Alice haar bijdrage opent. De lampen gaan uit en Alice loopt naar het kruisje midden op het podium. De spots zetten haar in één klap vol in het licht. Ze staat er fier en zonder papier. En het enige wat Otto denkt is: ‘Wat een lijf’. Iedere avond. Hij neemt in zijn veilige duisternis nog een flinke slok van zijn bier. Alice begint haar verhaal over vloekende vrouwen. De komende tien minuten hoeven Otto en Adrie niets te doen. Adrie schuift in het veilige donker wat dichter naar Otto. ‘Wat een lijf’ fluistert hij.

Als Alice klaar is, neemt ze met een diepe buiging haar applaus in ontvangst. Dan is de beurt aan Otto en Adrie. Eerst houdt Adrie een monoloog over de angst om alleen naar een café te gaan. Otto zit zwijgend naast hem en hoeft alleen maar af en toe begrijpend te knikken. Dat kan hij. Dan leest hij een verhaal. Hij schreef het een jaar of tien geleden, net na zijn scheiding. ‘Mijn vrouw is weg en ik heb het rijk alleen.’ Als hij de eerste regel voorleest, begint het publiek te klappen. Adrie buigt zijn hoofd wat naar voren en kijkt hem over zijn bril even aan.
‘Je bent een ster Ootje, je bent een ster.’

Na afloop zit Alice mokkend op de bank in de kleedkamer. Ze komt net onder de douche vandaan en staart stuurs voor zich uit. Haar badjas stevig vastgesnoerd. Otto zit aan de andere kant van de bank. Hij houdt zijn mond. Adrie pakt twee pilsjes uit de koelkast en zet ze op de tafel.
‘Jij ook een?’ vraagt hij aan Alice.
‘Nee, natuurlijk niet.’ zegt ze bits, ‘Ik heb nog nooit een pilsje met jullie gedronken.’
‘Het kon toch? Iets anders? Ze hebben ook witte wijn. Hij pakt de fles uit de koelkast en leest het etiket. ‘Hele goeie trouwens.’ Zijn neusgaten beginnen onwillekeurig wat de klapperen en hij slikt even. ‘Hele goeie.’

Mogen

Mijn vader is opgenomen in het ziekenhuis. Dat overkomt hem de laatste jaren wel vaker. In allerlei opzichten betoont hij zich bij die gelegenheden een dankbare patiënt. Hij eet zijn bord leeg en is over het algemeen goed gehumeurd en vriendelijk voor de professionals die hem de hand reiken. Er is echter één kleinigheidje dat maakt dat sommige van die professionals toch altijd weer blij zijn als hij weer is opgekrabbeld. De oorzaak daarvan is een taalkundige allergie. Bij mijn vader, welteverstaan.

U kent mij als een tolerante taalgebruiker die zich niet snel ergert aan andermans taalfouten en taaleigenaardigheden.  Ik deel zijn allergie niet. Wel zijn ergernis. Ik kaart mijn vaders allergie aan zodat hij dat niet meer hoeft te doen en zijn relatie met al die verzorgenden, verpleegkundigen, leerlingverpleegkundigen, voedingsassistenten, fysiotherapeuten en ergotherapeuten niet verstoord wordt door een  inderdaad knullig en betuttelend gebruik van het werkwoord ‘mogen’.

‘Meneer Sorgdrager, nou mag u zich even omdraaien.’ Of  ‘U mag nu hier even gaan zitten.’ Of: ‘U mag uw arm nu door de mouw doen.’ Als je erop gaat letten, is het gekmakend. En mijn vader kan het niet laten.  Hij zegt minzaam: ‘Mag ik een kleine bijdrage leveren aan uw professionele vorming? In de gezondheidszorg is mogen moeten.’ Niet iedere zorgprofessional pikt die les onmiddellijk op. Jammer, want mijn vader heeft een punt. Wie ‘mogen’ zegt en ‘moeten’ bedoelt, maakt zich schuldig aan betutteling. En een verpleegkundige die haar patiënt betuttelt, maakt een professionele fout. In dit verband wijs ik toch ook nog maar even op het gebruik van het persoonlijk voornaamwoordje ‘we’: ‘Nu gaan we even lekker onder douche.’ Ik waarschuw maar vast: de verpleegkundige die daar mee aankomt bij mijn vader gaat echt een probleem krijgen.

Dit is het plan: u stuurt dit berichtje door naar alle verpleegkundigen en andere zorgprofessionals die u kent en vraagt hen hetzelfde te doen. Volgens mij is het leed dan in een week of wat geleden. Zullen we dat afspreken? Dan mag u nu aan het werk.

Mijn brein

‘Stadsmensen hebben echt andere hersenen dan plattelandsbewoners. Hun emotiecircuits staan scherper afgesteld. Dat verklaart mogelijk waarom inwoners van de stad zoveel vaker last hebben van schizofrenie, angststoornissen en depressies.’ Het staat er, in de Volkskrant van vanochtend. Zaterdag krijgen we een groot artikel over stress in de stad. Misschien dat daarin dan de vragen kunnen worden behandeld die in mij opkomen. Redacteuren van de Volkskrant, let u even op?

Wat is een stadsmens? Wat is een emotiecircuit? Ben je ook een stadsmens als je in de stad werkt en op het platteland woont? Ben je een stadsmens of word je een stadsmens? Waar begint de stad en eindigt het platteland? Kan een stadsmens op het platteland wonen? Gelden de resultaten van dit onderzoek ook voor varkens in een megastal? Waar hebben plattelandsbewoners meer last van dan stadsmensen? Krijgen stadsmensen plattelandshersenen als ze op het platteland op vakantie gaan? Krijgen plattelandsbewoners  stadsmensenhersenen als ze in de stad op vakantie gaan? Zijn er nog andere circuits? Waarom is het ‘plattelandsbewoners’ en ‘stadsmensen’ en niet ‘plattelandsmensen’ en ‘stadsbewoners’? Zorgt u zaterdag voor nazorg van stichting Korrelatie?

Lees het hele artikel uit de Volkskrant

Joos van Cleve schilder opleider koopman

In Aken is een prachtige tentoonstelling over Joos van Cleve (±1487 – 1540). Het is een tentoonstelling waar je blij van wordt. Het werk is prachtig, de tentoonstelling is relatief beperkt en overzichtelijk en er zijn klapstoeltjes zodat je af en toe even kunt zitten. Alleen de catering was matig maar dat werd goed gemaakt door het broodje ei met sla bij de Turk even verderop.

Ik vond vooral de portretten erg mooi. Zeker het zelfportret dat ook gebruikt wordt voor de promotie van de tentoonstelling. Het bijzondere van de tentoonstelling is echter dat men je laat zien dat kunst ook gewoon een  consumptiegoed was. Het museum toonde een reeks schilderijen van Maria met het kindje Jezus die met een rozenkrans speelt. De rozenkrans behoort aan de derde persoon op het schilderij. In elk van die schilderijen kijken we door een open raam naar buiten en zien een landschapje. Dat landschapje en die derde persoon maken het verschil. Voor het overige lijken de schilderijen sprekend op elkaar.

Van Cleve was schilder-opleider. Van Cleve was schilder-koopman. Hij had een werkplaats waar leerlingen werkten. Ik betwijfel of zijn werkplaats was geaccrediteerd als werk-leerplek maar zijn leerlingen deden het niet slecht. Van Cleve maakte op overtrekpapier een soort moedertekening die hij door leerlingen liet inkleuren. In het landschapje op de achtergrond kregen ze de vrije hand. Een keer draaide men het overtrekpapier om zodat de afbeelding in spiegelbeeld werd geschilderd. Van Cleve zelf schijnt de details te hebben geschilderd. Meesterwerken? Ja zeker. Maar ook werk van een meester.

Bekijk het zelf. Wel opschieten, u heeft nog 4 dagen!

Compassie

Met een beker koffie schuifelde Otto de coupé in, zijn regenjas over zijn koffiearm en zijn schoudertas over zijn schouder. Hij koos een enkele dubbele bank. Zijn ervaring was dat er maar weinig mensen zo assertief zijn om te vragen of je zo vriendelijk wilt zijn om de tas weg te halen. En hij had zijn ruimte nodig vandaag. Hij zette zijn beker koffie op de vloer, klapte een plateautje uit de bank voor hem en zette de koffie erop. Zijn jas en tas legde hij op de bank, hij kroop tussen het plateau met de koffie en de plaats met de jas en de tas naar de plaats bij het raam. Zo. Nu nog even z’n telefoon en dan kon hij aan de koffie. Bij het bukken raakte zijn sjaal verstrikt in het klittenband van zijn tas. Hij rukte de sjaal gedecideerd van het klittenband maar op datzelfde moment verstrikte het andere eind zich in de tas. Uit veiligheidsoverwegingen besloot Otto om de koffie maar even op het plateau voor hem te zetten. Het gevecht tussen de sjaal en de tas ging hij niet aan. Met het ene eind nog aan de tas, deed hij de sjaal af en legde hem op de tas. Die telefoon. Blind greep hij in de tas. Ongetwijfeld lag de telefoon ergens anders maar je moest ergens beginnen. Hij voelde op de bodem, tastte in de twee losse vakjes in de tas en in het binnenvakje van het middelste vakje. Hij schudde de tas even op en neer. Hij hoorde geen telefoon kloppen. Hij voelde in zijn linkerbinnenzak, zijn rechterbinnenzak en in de gewone zakken  van zijn jasje. Ondertussen zaten zijn sleutels in zijn rechterbroekzak behoorlijk in de weg. Hij stond half op, en wurmde voorzichtig de sleutels uit de broekzak en liet ze in de tas zakken.

‘Is deze plek vrij?’ Een slanke, kleine vrouw van middelbare leeftijd vermoedde waarschijnlijk een act om de plaats vrij te houden. Dit was haar actie tegen de verloedering van de samenleving. ‘Als er dan toch iemand naast me moet zitten…’ verstoutte Otto zich te denken,
‘Ja, ja, natuurlijk. Ik moet de boel even reorganiseren.’ Otto zette de tas voor zich en pakte zijn regenjas. Hij betastte de zakken een voor een: geen telefoon.
‘Nog een ogenblikje?’ zei hij. De vrouw wachtte. Ze bekeek Otto’s doen en laten met belangstelling en toch ook een zekere compassie. Otto zette de tas weer op de plaats naast hem, pakte de dikke envelop met drukproeven en liet de telefoon de telefoon. Hij deed de tas dicht, sloeg de sjaal er gemakshalve omheen en legde de tas in het bagagevak boven hem. Zijn jas volgde. De envelop legde hij op het plateau voor hem, naast de koffie.
‘Zo,’ zei hij uitnodigend, ‘ik ben zover. Nu u.’

De vrouw ging zitten, pakte een krant uit haar tas, en begon te lezen. De compartimentdeuren schoven open.
‘Plaatsbewijzen alstublieft.’ Otto voelde in zijn linkerbinnenzak, zijn rechterbinnenzak, zijn linkerjaszakje, zijn rechterjaszakje, geen portemonnee. Boven hem ging zijn telefoon.