Verschrikkelijk tolerant

Tolerantie. Wat is het niet? Tolerantie is niet beleefd ‘ja’ zeggen als je ‘nee’ bedoelt. Tolerantie is niet ‘geen ruzie maken’. Tolerantie is niet ‘dat moet toch kunnen’.

De schrijver Geert van Istendael was vrijdagavond te gast in het radioprogramma ‘Brands met boeken’. Hij schreef onlangs ‘Tot het Nederlandse volk’, een boek over Nederland anno nu en hoe het zo gekomen is. Zijn analyse in het kort: In Nederland zoeken we altijd naar consensus. Koste wat het kost. Van Istendael betoogde dat wij Nederlanders om consensus te bereiken problemen liever wegvegen dan ze benoemen. Ik kan wel meegaan met Van Istendael. Misschien is onze Nederlandse  “tolerantie” gewoon misplaatste gemakzucht of een schrijnend gebrek aan het vermogen om ruzie te maken. Angst voor gedonder in de tent.

Taaltolerantie. Wat is het niet? Taaltolerantie is niet taalfouten van scholieren onder de mat vegen. Taaltolerantie is niet het goedpraten van taalfouten op het werk. Taaltolerantie is niet ‘dat moet toch kunnen’.

Taal is het waard om ruzie over te maken. Het is namelijk meer dan een middel om te communiceren. We waren zaterdag in het Dorpshuis bij de Nieuwjaarsvisite van Dorpsbelangen Leermens en de voertaal op het podium was vooral Gronings. Of je dat nu begrijpt of niet. Dat is niet intolerant bedoeld. Leermens is beslist een kanshebber voor de prijs van het meest tolerante dorp van Groningen. Nee, de Nieuwjaarsvisite is een Leermster feestje. En we beginnen dus de avond met het zingen van het Gronings volkslied en het Leermster lied. Ik bedoel: taal is ook een middel om te laten zien dat je in de roedel past. En om je identiteit te bevestigen of te versterken. Taal is een van de dingen die een groep tot een groep maken. Taal is het waard om zuinig op te zijn.

Ik doe niet mee aan hetzes tegen taalmisstanden. Is dat tolerantie of misplaatste gemakzucht? Mirjam Jochemsen bedroeft zich over taalgebruik op de middelbare school. Ze schrijft in een reactie op m’n stukje van afgelopen vrijdag: ‘Toch heb ik er moeite mee als een puber in een betoog voor het vak Nederlands stelt dat Rusland “een moeilijk groot land” is…’ Ik begreep de zin niet eens. Gelukkig was dit weekend mijn jongste zoon thuis. Hij kon uitleggen dat ‘moeilijk’ hier ‘vet’ betekent. Ik ben het met Mirjam eens.

Rusland is een moeilijk land. Rusland is een groot land. Maar Rusland is geen moeilijk groot land. Dat mag je als leraar Nederlands niet laten passeren in een zakelijke tekst van leerlingen. Een leraar Nederlands moet leerlingen leren hoe het moet. Sterker: hij moet ze leren hoe het hoort. Dan kunnen leerlingen later altijd nog afwijken en zo onze taal vernieuwen in plaats van hem te verbasteren.

En dan ben ik graag bereid mijn uiterste best te doen om hem te begrijpen. Ik ben namelijk verschrikkelijk tolerant.

Taaltolerantie

Gisteren ontving ik een mail van een lezer. Hij stoorde zich aan het taalgebruik van een lezeres van het Jeugdjournaal. Lees even mee:

‘Op zoek naar het nieuws stuitte ik op een juffrouw die aan de kinderen in Nederland vertelde wat er in de wereld aan de hand is. Ze sloot haar uitleg af met ‘DOEG…!! Waarom niet gewoon ‘DAG  !! Daar zitten we dan de komende 50 jaar mee. Nu komt mijn vraag: ‘kun jij niet aan alle juffrouwen die het jeugdjournaal voorlezen, zeggen dat dit echt niet meer kan?’

Tja. Doorgaans reageer ik niet op lezerverzoeken maar ik wil graag een uitzondering maken. Ik heb namelijk ook een ergernis. Ik erger me aan mensen die zich ergeren aan taalmisstanden. Zo. Het hoge woord is eruit.

Is ‘Doeg’ echt erg? Natuurlijk praktiseren veel mensen Nederlands dat niet aan de regels voldoet. Maar who cares? Taal leeft en beweegt, taal ontwikkelt zich. Taal is een middel om jezelf te uiten en om de ander te horen. Wat telt is de vraag of ik erin slaag mezelf te uiten en de ander erin slaagt mij te begrijpen.

Dat veronderstelt aan beide zijden van de verbinding goede wil. Goede wil om je duidelijk en voor de ander acceptabel te uiten. En goede wil om de ander te begrijpen.  Ik heb me heilig voorgenomen om me niet meer te ergeren aan ‘het kan niet zo zijn’, ‘zich beseffen’, ‘zeg maar’ of ‘doeg’.

Dus nee, een doegverbod ga ik niet uitvaardigen. Nederland kan zo veel toleranter.

Bijstand

Het is koud. Het zal u niet ontgaan zijn. Van Sinterklaas kreeg ik een aantal vetbollen alsmede een string met daarin vetbollen en pinda’s. Voor de vogels. De string hangt nu aan de leilinde voor een van de ramen van mijn werkkamertje. Het is sinds die tijd bijwijlen een drukte van belang voor mijn raam. Welke vogels precies gebruik maken van mijn voedselsuppletie weet ik niet. In elk geval zie ik koolmeesjes en roodborstjes maar ook nog wel andere soorten. En wat hebben ze het er moeilijk mee.

Die pinda’s, dat lukt ze gewoon niet. Ze proberen het echt wel. Maar kennelijk zijn dit soort vogels daar niet op gebouwd. En die vetbollen in zo’n netje, dat wil ook niet zo best. Ik betrapte me echter op de gedachte: ‘Ze mogen er ook best wat voor doen.’ Ik vind het een beetje flauw van mezelf. En ook een beetje rechts.

Als we zinvol werk hebben voor mensen met een bijstanduitkering en die mensen zijn ook in staat en in de gelegenheid om dat werk uit te voeren: geweldig, doen. Zinvol werk is goed voor een mens. En het vangnet van uitkeringen is misschien voor sommige mensen ook echt een vangnet: een net waar ze in verstrikt raken en nooit meer uit komen.

Maar och, die arme vogeltjes. Ze werken zich een slag in de rondte om een beetje vet te puren uit een bol in een netje, alleen maar opdat ik me eraan kan verlustigen. Misschien dat ik binnenkort die pindanetjes maar open knip. Of duw ik de vogels dan definitief in een vangnet van de vogelbijstand?

Lik op stuk

In wat nog steeds mijn krant is, stond gisteren een groot artikel over jongeren die roken. Roken is niet lekker begrijp ik. Roken is een leefstijl. Wie rookt is anders. Jenny van 21 studeert Communicatiewetenschappen in Amsterdam. Zij zegt (en ik kan niet zien of ze erbij bloost of niet): ‘Ik rook nu 6 à 7 sigaretten per dag, maar als er alcohol bijkomt, rook ik met gemak een half tot een heel pakje op een avond.’ En even later: ‘Ik denk dat mensen die tegenwoordig roken heel erg in het nu leven.’

Gedragsverandering door voorlichting is moeilijk. Mensen weten dat roken slecht is. Maar wat ze over een mogelijke gebeurtenis in de toekomst weten (ziekte en andere ellende als gevolg van roken) schuiven ze weg. Het genot in het nu gaat voor. Ik blijf dat vreemd vinden. En dan heb ik het echt niet alleen over Jenny maar ook over mezelf en over u.

Jenny formuleert het modieus en een aspirant-communicatiedeskundige waardig: ‘rokers leven heel erg in het nu’. Tja, dat bekt wel. Je kunt het ook anders formuleren: rokers zijn mensen met een heel beperkt voorstellingsvermogen. Stel dat Jenny weet dat als ze nu dat pakje rookt, de kans dat ze over 24 uur een nare ziekte oploopt 50 % is. Ik schat in dat ze dat pakje niet rookt. En als we daar nu eens 24 dagen van maken? Ook dan blijft ze van de sigaretten af. 24 weken, 24 maanden? Jenny laat de nicotine voor wat het is. Maar 24 jaar? Kennelijk zit er ergens tussen de 24 maanden en de 24 jaar een grens aan het voorstellingsvermogen.

Wat helpt wel? Als je met deze bril door het nieuws bladert, ziet hoe nijpend het probleem is.  De krant van gisteren gaat over de vraag hoe je gedrag beïnvloedt. Hoe zorgen we ervoor dat notoire relschoppers rond Oud en Nieuw lekker thuis gaan sjoelen en naar het cabaret van Erik van Muiswinkel kijken? Hoe zorgen we ervoor dat mbo-leerlingen op tijd komen op hun stage-adres? Hoe zorgen we ervoor dat winkeldieven hun boodschappen gewoon op de band leggen? De koppen bij de verschillende artikelen luiden: ‘De taaie praktijk van de harde aanpak’, ‘Waarschuwen helpt beter dan lik op stuk’ en ‘Compassie met jongeren die fouten maken’ (zoek zelf uit welke kop bij welk artikel hoort).

In een van de artikelen zegt Herman Vuijsje ‘Zware straffen en de dreiging van een snelle rechtspraak hebben wel degelijk een afschrikkend effect, reken maar.’ Misschien is dat een oplossing voor Jenny.

Koppen

Koppen maken een krant. En de krant maakt de koppen. Wie een nette krant wil maken, maakt dus nette koppen.

Stel, je leest de Volkskrant van maandag 3 januari en je stuit op de volgende kop: ‘Robert M. wiste deel bestanden’ met als onderkop: ‘Het onderzoek in de Amsterdamse kinderpornozaak wordt bemoeilijkt doordat het politieteam bij de inval in de woning van M. diens computer heeft uitgezet.’ Je denkt: ‘Domme, domme politie. Als je een computer uitzet, weet je toch dat er bestanden verloren gaan! Ze zijn ook geen knip voor de neus waard.’

Wat je niet leest in de kop maar wel aan het einde van het artikel is dat er een volkomen rationele overweging ten grondslag lag aan de inbeslagname van de computer. De inval moest snel worden georganiseerd en er was geen grond om de vriend van M. aan te houden. Dus de computer laten staan, was gewoon geen optie. M’s vriend zou die avond de bestanden kunnen wissen.

Het gaat me niet om de zaak Robert M. Ik weet niet wat je de politie wel of niet kunt verwijten rond deze inval. Het gaat me om mijn krant. Deze kop is gewoon suggestief. Niet netjes.

 

Dat wat

Toen de kinderen nog thuis woonden, genoot ik (ook als ik moest werken) erg van schoolvakanties. Ik genoot vooral van de lage versnelling die zo’n vakantie met zich meebrengt. Er hoeft zo weinig. Maar wat was ik blij als het hele spul, kinderen én moeders, weer het huis uit was. Ik zeg het maar zoals ik dat voelde. Zojuist vertrok mijn vrouw naar haar werk, straks doe ik de kerstboom de deur uit en herneemt het gewone leven zich weer. Dan moeten er weer dingen. Maar toch, het gewone leven, dat heeft ook wel wat.

Precies: dat en wat. Welnu, dat is heel simpel. We gebruiken ‘wat’ als het verwijst naar onbepaalde zaken. Dat “onbepaalde” laat zich gelukkig wel enigszins concretiseren.

(1) Na: alles, al, veel, iets, niets

(2) Na een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord. Dat is meestal een overtreffende trap zonder het bijbehorende zelfstandig naamwoord:

‘Dit is het mooiste wat ik gezien heb.’ Maar let op:

‘Dit is het mooiste huis dat ik gezien heb.’  Want hier verwijst ‘dat’ naar het ‘mooiste huis’.

(3) Als het naar een zinsdeel verwijst dat een hele zin is: ‘Hij kwam dikwijls op bezoek, wat we zeer op prijs stelden.’

(4) Als datgene waar het naar verwijst al in het woordje ‘wat’ besloten ligt. Je kunt dan ‘wat’ vervangen door ‘datgene wat’. Je noemde dat op school: een onbepaald voornaamwoord met ingesloten antecedent!  Een voorbeeld:

‘Wat ik nou gehoord heb, ik vind het ongelooflijk.’ En:

‘Ik bevestig hierbij wat ik u reeds mondeling heb meegedeeld.’

Ondertussen klaart de lucht boven Leermens op en ga ik de kerstboom aftuigen en in hapklare brokken knippen. Gelukkig nieuwjaar.

Mijn bronnen

Voor dit stukje raadpleegde ik

  • de taaladviesdienst van de Nederlandse Taalunie: erg handig want online
  • Jan Renkema, Schrijfwijzer. 4e editie, SDU Den Haag: erg volledig, erg dik
  • Taal top 100, SDU Den Haag, 2007: erg leuk, erg overzichtelijk
  • Erik Tiggeler, Vraagbaak Nederlands. 5e druk, SDU Den Haag, 2009: erg dik, erg handig want heel toegankelijk

Overigens zal ik dat niet altijd noemen. Ga er maar vanuit dat het meeste wat ik aan taalregels opschrijf, afkomstig is van deze publicaties.

Traditie

Het is 31 december, een heldere dag. Het beleg van Leermens is begonnen. Kruitdampen hangen boven de ijsbaan. De carbidbussen knallen. Het dooit. Schaatsen zit er niet meer in. Daar is ook geen tijd voor.

Oudejaarsdag is traditioneel een drukke dag. Zo loop ik als het even kan een rondje ‘Garsthuizen’. Waarom juist dat rondje? Ik weet het niet. Dat doe ik gewoon. En – ook een traditie –  op Oudejaarsdag moeten we de tuin sleepveilig maken.

Slepen. In Groningen mogen jongelui tijdens de nacht van 31 december op 1 januari losstaande spullen uit je tuin halen en die elders neerzetten, het liefst op een ludieke plek. Ik herinner mij dat er een keer een complete boerenkar stond op het platte dak van café Bosker in Eenum. Drank maakt in jongens van een jaar op 15, 16 veel kracht los.

Maar goed – je tuin sleepveilig maken is best een klus. Wij verslepen straks onze  tuinspullen zodat die arme jongens dat vanavond niet kunnen doen. En niet alleen wij doen dat. Heel Leermens kent deze eeuwenoude traditie. Er valt dus nauwelijks meer wat te slepen.

Leermens vergrijst. Over tien jaar is er geen jeugd meer die sleept. Maar let op: we halen op oudejaarsdag allemaal onze tuin leeg. Waarom? Gewoon, traditie.