Mijn brein

‘Stadsmensen hebben echt andere hersenen dan plattelandsbewoners. Hun emotiecircuits staan scherper afgesteld. Dat verklaart mogelijk waarom inwoners van de stad zoveel vaker last hebben van schizofrenie, angststoornissen en depressies.’ Het staat er, in de Volkskrant van vanochtend. Zaterdag krijgen we een groot artikel over stress in de stad. Misschien dat daarin dan de vragen kunnen worden behandeld die in mij opkomen. Redacteuren van de Volkskrant, let u even op?

Wat is een stadsmens? Wat is een emotiecircuit? Ben je ook een stadsmens als je in de stad werkt en op het platteland woont? Ben je een stadsmens of word je een stadsmens? Waar begint de stad en eindigt het platteland? Kan een stadsmens op het platteland wonen? Gelden de resultaten van dit onderzoek ook voor varkens in een megastal? Waar hebben plattelandsbewoners meer last van dan stadsmensen? Krijgen stadsmensen plattelandshersenen als ze op het platteland op vakantie gaan? Krijgen plattelandsbewoners  stadsmensenhersenen als ze in de stad op vakantie gaan? Zijn er nog andere circuits? Waarom is het ‘plattelandsbewoners’ en ‘stadsmensen’ en niet ‘plattelandsmensen’ en ‘stadsbewoners’? Zorgt u zaterdag voor nazorg van stichting Korrelatie?

Lees het hele artikel uit de Volkskrant

Joos van Cleve schilder opleider koopman

In Aken is een prachtige tentoonstelling over Joos van Cleve (±1487 – 1540). Het is een tentoonstelling waar je blij van wordt. Het werk is prachtig, de tentoonstelling is relatief beperkt en overzichtelijk en er zijn klapstoeltjes zodat je af en toe even kunt zitten. Alleen de catering was matig maar dat werd goed gemaakt door het broodje ei met sla bij de Turk even verderop.

Ik vond vooral de portretten erg mooi. Zeker het zelfportret dat ook gebruikt wordt voor de promotie van de tentoonstelling. Het bijzondere van de tentoonstelling is echter dat men je laat zien dat kunst ook gewoon een  consumptiegoed was. Het museum toonde een reeks schilderijen van Maria met het kindje Jezus die met een rozenkrans speelt. De rozenkrans behoort aan de derde persoon op het schilderij. In elk van die schilderijen kijken we door een open raam naar buiten en zien een landschapje. Dat landschapje en die derde persoon maken het verschil. Voor het overige lijken de schilderijen sprekend op elkaar.

Van Cleve was schilder-opleider. Van Cleve was schilder-koopman. Hij had een werkplaats waar leerlingen werkten. Ik betwijfel of zijn werkplaats was geaccrediteerd als werk-leerplek maar zijn leerlingen deden het niet slecht. Van Cleve maakte op overtrekpapier een soort moedertekening die hij door leerlingen liet inkleuren. In het landschapje op de achtergrond kregen ze de vrije hand. Een keer draaide men het overtrekpapier om zodat de afbeelding in spiegelbeeld werd geschilderd. Van Cleve zelf schijnt de details te hebben geschilderd. Meesterwerken? Ja zeker. Maar ook werk van een meester.

Bekijk het zelf. Wel opschieten, u heeft nog 4 dagen!

Compassie

Met een beker koffie schuifelde Otto de coupé in, zijn regenjas over zijn koffiearm en zijn schoudertas over zijn schouder. Hij koos een enkele dubbele bank. Zijn ervaring was dat er maar weinig mensen zo assertief zijn om te vragen of je zo vriendelijk wilt zijn om de tas weg te halen. En hij had zijn ruimte nodig vandaag. Hij zette zijn beker koffie op de vloer, klapte een plateautje uit de bank voor hem en zette de koffie erop. Zijn jas en tas legde hij op de bank, hij kroop tussen het plateau met de koffie en de plaats met de jas en de tas naar de plaats bij het raam. Zo. Nu nog even z’n telefoon en dan kon hij aan de koffie. Bij het bukken raakte zijn sjaal verstrikt in het klittenband van zijn tas. Hij rukte de sjaal gedecideerd van het klittenband maar op datzelfde moment verstrikte het andere eind zich in de tas. Uit veiligheidsoverwegingen besloot Otto om de koffie maar even op het plateau voor hem te zetten. Het gevecht tussen de sjaal en de tas ging hij niet aan. Met het ene eind nog aan de tas, deed hij de sjaal af en legde hem op de tas. Die telefoon. Blind greep hij in de tas. Ongetwijfeld lag de telefoon ergens anders maar je moest ergens beginnen. Hij voelde op de bodem, tastte in de twee losse vakjes in de tas en in het binnenvakje van het middelste vakje. Hij schudde de tas even op en neer. Hij hoorde geen telefoon kloppen. Hij voelde in zijn linkerbinnenzak, zijn rechterbinnenzak en in de gewone zakken  van zijn jasje. Ondertussen zaten zijn sleutels in zijn rechterbroekzak behoorlijk in de weg. Hij stond half op, en wurmde voorzichtig de sleutels uit de broekzak en liet ze in de tas zakken.

‘Is deze plek vrij?’ Een slanke, kleine vrouw van middelbare leeftijd vermoedde waarschijnlijk een act om de plaats vrij te houden. Dit was haar actie tegen de verloedering van de samenleving. ‘Als er dan toch iemand naast me moet zitten…’ verstoutte Otto zich te denken,
‘Ja, ja, natuurlijk. Ik moet de boel even reorganiseren.’ Otto zette de tas voor zich en pakte zijn regenjas. Hij betastte de zakken een voor een: geen telefoon.
‘Nog een ogenblikje?’ zei hij. De vrouw wachtte. Ze bekeek Otto’s doen en laten met belangstelling en toch ook een zekere compassie. Otto zette de tas weer op de plaats naast hem, pakte de dikke envelop met drukproeven en liet de telefoon de telefoon. Hij deed de tas dicht, sloeg de sjaal er gemakshalve omheen en legde de tas in het bagagevak boven hem. Zijn jas volgde. De envelop legde hij op het plateau voor hem, naast de koffie.
‘Zo,’ zei hij uitnodigend, ‘ik ben zover. Nu u.’

De vrouw ging zitten, pakte een krant uit haar tas, en begon te lezen. De compartimentdeuren schoven open.
‘Plaatsbewijzen alstublieft.’ Otto voelde in zijn linkerbinnenzak, zijn rechterbinnenzak, zijn linkerjaszakje, zijn rechterjaszakje, geen portemonnee. Boven hem ging zijn telefoon.

Spelling

Vorige week vrijdag kreeg ik van een trouwe lezer een onvoldoende. Dat doet pijn. Je stopt je ziel en zaligheid in zo’n stukje en dan krijg je een tik op de vingers omdat je twee spelfouten maakte. Ik meen te weten dat Egbert zijn ‘foei’ met een knipoog toediende maar toch. Het is veelzeggend. Hij rept niet over de inhoud maar over de spelling.

Egbert voegde aan zijn ‘foei’ een bespiegeling toe over een belangrijk voordeel van de Engelse spellingsaanpak: men volgt al eeuwenlang min of meer de zelfde spelling. Daardoor kan een Engelse havo-leerling redelijk eenvoudig Shakespeare lezen terwijl voor zijn Nederlandse collega Vondel in de originele spelling nauwelijks leesbaar is. Egbert laat verder zien dat de spelling ‘pannenkoek’ onzin is. Het origineel is ‘pankoek’. Dat verbasterden we tot ‘pannekoek’ omdat dat gewoon beter bekte. Maar een pannenkoek is geen koek van pannen en ook geen koek waar je pannen (meervoud) voor nodig hebt: één pan volstaat.

Klopt, klopt. Chris en ik fietsten afgelopen weekend door het prachtige Zuid-Limburg. Ik constateerde tot mijn genoegen dat de bakker in Gulpen de tussen-n-regels kent: hij verkoopt rijstevlaai en kersenvlaai. Spellen is per definitie een arbitraire zaak. Daar heb je arbiters voor nodig. En goede regels. Taal ontwikkelt zich in een moordend tempo. De spellingsregels hobbelen daar hijgend en puffend achteraan. Een beetje zoals ik Chris volgde op de Keutenberg. (Daar stond overigens op het wegdek met grote letters gekalkt: ‘Hup Wout’. Dat vond ik een leuk Vaderdagcadeau van mijn beide zonen.)

Dat die Engelse jongen Shakespeare kan lezen zegt mij niet zo veel. Ik las nog even Vondels ‘Kinderlijk’. Een prachtig gedicht dat inderdaad in de oude spelling moeilijk leesbaar is. Maar in de moderne spelling heeft het toch ook gewoon een toelichting nodig. Want ik vraag me af of de gemiddelde Nederlandse havist makkelijk uit de voeten kan met ‘Leer dan reizen met gepeizen / Naar paleizen, uit het slik / Dezer werreld, die zo dwerrelt. / Eeuwig gaat voor ogenblik.’

Spelling is belangrijk. Niet omdat we een tekst anders niet meer zouden kunnen lezen. Nee, spelling is belangrijk omdat het getuigt van aandacht en respect voor de lezer. En nou maar hopen dat ik geen fauten maakte.

Verbeelding

Zomergasten, praattelevisie, emo-tv, spelprogramma’s, quizzen, ik heb er niks mee. Mijn televisie toont moord, doodslag en vooral heel veel liefde. En mijn allergrootste voorkeur gaat dan uit naar films die worden mogelijk gemaakt door Dokter Van der Hoog.

Oké, het zit hem deels in de vrouwelijke hoofdpersonen.  Ik ken de dokter niet persoonlijk maar vaak kiest hij zijn actrices met veel zorg en verstand van zaken. Mijn persoonlijke favoriet … ach, dat gaat u ook niks aan. Maar het zit hem vooral in de onvermijdelijke, onontkoombare ontknoping. Er gaat iets heel bevredigends uit van een happy end. Vanaf het eerste shot met de beide hoofdrolspelers zie je dat het gaat gebeuren en dan gebeurt het ook. Draai het maar eens om: een leuke detective waarvan je net het laatste stukje niet hebt opgenomen. Je weet al wie het heeft gedaan en waarom. Maar als die finale ontknoping ontbreekt, is je plezier vergald.

Ik bekijk en bespreek (heel dun hoor) deze dagen het werk van dertig kunstenaars uit het noorden. En dus lees ik nu wel eens wat over kunst en hoe kunst de verbeelding moet prikkelen. Bekijk bijvoorbeeld dit beeld van Jan Ketelaar.

Het is net of hij dacht ‘Ik maak de benen, dan doet de verbeelding van de toeschouwer de rest wel.’ En hij heeft gelijk – het is prachtig en het stimuleert de creativiteit. Maar ’s avonds na 9 uur geef ik toch vaak de voorkeur aan het hele plaatje.

Duidelijk

‘Heldere taal voorkomt problemen’ betogen drie taaltrainers annex tekstschrijvers in de Volkskrant. Verdomd, zo had ik het nog nooit bekeken. De dames en heer van BureauTaal schrijven klip en klaar dat we onszelf ‘in toenemende mate trakteren op non-informatie die het fatsoenlijk functioneren van onze maatschappij en onze economie in de weg staat.’ Het staat er. En ze hebben nog een voorbeeld ook. Onze ministers strooien ons zand in de ogen als ze zeggen dat we de Griekse staatsobligaties mogelijk moeten ‘herstructureren’. Die ministers bedoelen namelijk gewoon dat de Grieken onverantwoord veel geld hebben geleend.

Dit soort taalgebruik wordt getypeerd als C1: abstract en vaak dubbelzinnig. Dat moet anders, vindt men bij BureauTaal. Het moet B1 worden. Want C1 leidt tot te veel problemen. Ze geven wat voorbeelden van die problemen en hoe ze op te lossen. Op C1 zegt de bank dat het gaat om een ‘aflossingsvrije hypotheek’. Op B1 zegt de bank dat als de eigenaren aan het eind van de looptijd de aflossing niet kunnen betalen, de bank het huis mag verkopen.

Ja. U leest het goed. Voortaan gewoon duidelijk schrijven. Zeggen wat u bedoelt. Geen verhullende taal meer gebruiken. En al helemaal geen ironie.

Wat is kunst

Aleid Truijens schreef vandaag een, laten we zeggen ‘pittig’, stuk in de Volkskrant. Ze is ertegen. Ze is tegen de bezuinigingen op het persoonsgebonden budget, ze is tegen de bezuinigingen op kunst. En in dat verband citeert ze onze eigen democratisch gekozen Halbe Zijlstra die afgelopen zaterdag opgewekt meedeelde geen idee te hebben wie het schilderij maakte dat hij hoogstpersoonlijk zelf uitzocht voor aan de muur in zijn staatssecretariële kamer. Die uitspraak was me ook opgevallen. En ook ik was even geschokt. Je bent staatssecretaris van Kunst, zoekt een schilderij uit en zoekt niet even uit wie het maakte. Ik bedacht me echter dat ik al jaren twee schilderijen heb waarvan ik geen idee heb wie ze maakte. Toch maar even gekeken. Ze zijn gemaakt door Eldert Ameling, dichter in Stedum die in een eerdere carrière over postduivenraces schreef. Ik bedoel – niet alle kennis maakt je even blij.

Waarom had hij juist dit schilderij uitgezocht, vroeg de journalist zaterdag aan Zijlstra. Zijn antwoord was simpel: ‘Ik word er blij van.’ Dit was tegen het zere been van Aleid. Zij schrijft: ‘Kunst is niet wat blij maakt. Kunst is wat pijn doet en in de ziel kerft.’

Vaardig geformuleerd. Maar Aleid vertelt hier niet wat kunst is maar wat kunst moet doen.  Ik zag onlangs drie beschilderde schoolborden van Gerriet Postma. Ik werd er blij van. Ik zag werk van Yvonne Struys. Ik werd er stil van. Ik zag werk van Leen Kaldenberg. Het ontroerde me. Maar mijn ziel is nog steeds intact.

Ik ben bang dat we in onze discussies over subsidies aan kunst het maar niet moeten hebben over wat kunst is en wat kunst moet doen. Laten we het hebben over Halbe. Want dit is de foto van het schilderij waar Aleid op doelt. Ik wilde even kijken wat Ronald achter zijn bureau had hangen. Dat kon ik niet vinden. Maar een saillant detail is wel goed zichtbaar. Halbe gebruikt een Dell. Ronald een Apple. De manager versus de artiest. Trouwens. Wat zegt het over je, als je blij wordt van dat schilderij?