Internet is geen vrijbrief voor knullig schrijven

Zo, de titel staat. Verder hoef ik weinig te doen. Dat komt ook goed uit want ik had er niet op gerekend dat Hemelvaartsdag een werkdag is. Maar ik kreeg ook vandaag mijn test van Beter Spellen (wel doen hoor, die test, iedere werkdag, nadat je dit stukje las). Ik geef u de link naar de boekenman die op de site van NRC Next blogt over mooie boeken. Het is echt adembenemend. Ik ben geen frik, echt niet. Maar een stukje over boeken moet toch in fatsoenlijk Nederlands zijn gesteld? NRC, investeer in de mensen die uw krant maken. Geef die jongen een cursus. Ik bied me aan.

Ik zet wat knulligheden op een rij:

de kop luidt: ‘Een prachtige, snelle inleiding op Joseph Conrad’. Een inleiding is niet snel. Je kunt het hebben over een snelle auto. Deze inleiding is kort.

‘Zoals de kwaliteiten van een ontwerper zich demonstreren in een eenvoudig object als een stoel, zo openbaart het vakmanschap van een schrijver zich in het korte verhaal.’ De vergelijking is moeizaam. Maar ‘zich demonstreren’ is ronduit knullig, net zoals de erop volgende parallel tussen ‘demonstreren’ en ‘openbaren’. De volgende zin:

‘Het meest elementaire toont zich naakt aan het oog’: een prima zin, geen spelfouten maar helaas volkomen wartaal.

Goed,  – lees het ook zelf maar. Waar het mij om gaat is dat dit in de papieren editie nooit zou zijn gepubliceerd. Het feit dat dit online gepubliceerd wordt, is voor NRC kennelijk voldoende reden om niet te redigeren.

Trouwens, is het morgen een werkdag? Nou ja, dat zien we dan morgen wel weer. Voor nu: aan de slag met Beter Spellen.

Familie

Schermafbeelding 2017-08-24 om 10.29.25

Er is een tijd geweest dat als ik me aan iemand voorstelde, hij of zij vroeg: ‘Familie?’ De vraag verwees naar Winnie Sorgdrager. Een uiterst bekwaam minister, zo werd gezegd, maar een beroerde politica. Ik zei dan maar wat: ‘Het is maar hoe je het bekijkt’ of: ‘Tante Winnie is van de rijke tak.’ Maar ik wist wel beter. Er is een beslist een connectie maar dan moet je goed zoeken.

Mijn tante Ali IJkema-Sorgdrager heeft zich in de familiegeschiedenis verdiept. Ze schreef er een boek over: ‘Verhalen over het reilen en zeilen van de familie Sorgdrager’. Die belangstelling voor vroeger, herken ik. Ik woon in een huis waar al honderden jaren mensen wonen. Waar ik dit stukje schrijf, daar had men waarschijnlijk 250 jaar geleden een winkeltje. Als ik een rondje rond de kerk van Leermens loop weet ik dat een kleine duizend jaar geleden op diezelfde plek ook mensen liepen. Ze braken hun rug om die enorme kloostermoppen de wierde op te krijgen. Mijn belangstelling is absoluut niet wetenschappelijk. Nee, het ontroert me gewoon. Al die mensen vóór ons. En nu lees ik over Cornelis Sorgdrager, schipper op onder meer de ‘juffrouw Maria’ en de ‘Susanna Maria’. Hij trouwde op 14 januari 1714 met Seyke Rotgans. En over Pieter Cornelis die als kapitein van de ‘Berbice Welvaren’ de oceaan overstak naar Suriname en er kruiden haalde of over Cornelis Pieter die voorging in de vermaning van Ballum en Hollum op Ameland.

Ik kreeg het boek van mijn tante Ali. Het is werkelijk prachtig. Al die familieverhalen, al  die successen, al die tragedies. U kunt het inzien. Bij mij of als u op Ameland komt in de bibliotheek van het Sorgdragerhuis, de oudheidskamer van Ameland. Maar ook hier, lekker makkelijk online.

Winnie Sorgdrager is inmiddels een ietwat in vergetelheid geraakte ex-minister. Niemand vraagt me meer ‘Familie van …?’ Jammer, jammer. Nu had ik kunnen zeggen: ‘Zeker, familie van Pieter en Seyke en Cornelis Pieter en Pieter Cornelis. U weet wel, die roemruchte zeevaarders en doopsgezinde voorgangers.’

Gedumpt

3

De dag nadat ook het plaatselijke huis-aan-huisblad hem had gedumpt, was het de beurt aan Eva. Ze was het zat geweest, dat eeuwige gebrom, gemopper, gezoek, gescharrel en gezeur. Haar woorden. Otto had haar nog nooit zo welbespraakt  meegemaakt. Dat had hij beter niet kunt zeggen. ‘Dit is niet het moment om grappig te zijn, Ootje. Adieu.’ Eva sloeg de kamerdeur achter zich dicht en stampte de trap op. Veel stelde het stampen niet voor. Ze was een frêle vrouw en liep op sokken.  Weer zo’n observatie die hij beter voor zich kon houden, realiseerde Otto zich. Hij vroeg zich af wat er nu ging gebeuren. Zou ze het huis uit gaan? Zou ze hem het huis uit zetten? Hij kon nog wel even met die onzekerheid leven. Hij besloot boodschappen te gaan doen. ‘Eet je nog wel mee?’ riep hij naar boven. Het bleef stil. ‘Oké, ik maak wel wat en dan kun je altijd nog zien.’

‘Mijn vrouw gaat bij me weg en  ik vraag me af wat we vanavond moeten eten.’ constateerde Otto zakelijk. ‘Moet ik huilen? Wanhopig zijn?’ Hij kon niet liegen. Hij was niet verdrietig, hij was niet wanhopig. Verbaasd. Ja, gewoon ordinair verbaasd dat hem dit overkwam. Hij wist ook wel dat hij niet het zonnetje in huis was. Hij had het kunnen zien aankomen, realiseerde hij zich. Misschien hád hij het zelfs zien aankomen maar had hij die waarneming gewoon adequaat geblokkeerd. Rijst, sperziebonen, wat paprika en tomaat en van die nepgehaktballetjes, dat moest het voor vanavond maar zijn. Als ze niet meeat, kon hij het morgen makkelijk weer opwarmen.

Eva at niet mee. Toen Otto thuis kwam lag er een briefje op de keukentafel: ‘Ik logeer bij Addy. De peper is op.’ De eerste weken gingen voorbij in een soort roes. De paar opdrachten die hij nog had, kostten hem erg veel tijd. Het leven zelf kostte hem erg veel tijd. Boodschappen doen was een project voor een middag. Een afspraak maken bij de kapper vergde een uur. Maar hij deed boodschappen en bezocht de kapper. Het voelde alsof Eva op vakantie was en ieder moment kon binnenwandelen, bruin en blozend, blij om weer thuis te zijn. Toen hij haar brief kreeg, wist hij dat dat niet zou gebeuren. Ze had besloten een huis te kopen op het nieuwe eiland. Ze liet hem alleen met de spullen en de huur. ‘Achteraf goed dat we niet zijn getrouwd’ schreef ze nog.

4

Het leven alleen ging hem goed af. Opstaan, dat was moeilijk. En dat stelde hij dus maar uit. Hij las de krant in bed, ontbeet in bed en keek het laatste nieuws in bed. De eerste weken stond hij op voor de postbode kwam. Maar die bleef steeds vaker weg en had zelden of nooit een pakje. Vroeger wel. In zijn gloriedagen ging er geen dag voorbij of een firma bezorgde wel een broodrooster, snijmachine, nietmachine, designalmanak, rookoven, vouwfiets, deurstopper of wc-rolhouder. In de begeleidende brief vroeg men beleefd om het toegezonden product in dank te aanvaarden en uit te proberen. En als het beviel zou het natuurlijk heel leuk zijn als hij daar wat aandacht aan zou besteden in een van zijn columns. Otto deed dat trouw. Al was het alleen maar omdat hij zich anders geroepen voelde om het gebodene terug te sturen. Een hoop gedoe waar hij gewoon veel te veel tegenop zag. Maar, wist hij van zichzelf, hij schreef er vooral over omdat hij genoot van het uitpakken. Hij was in feite iedere dag jarig. Alleen ’s zondags niet.

Als er eens geen pakje werd bezorgd, dan lag er in elk geval een uitnodiging voor een product launch. Vaak verpakt als feestje met veel drank en hapjes en bekenden. Otto bezocht ze trouw. De roddels die hij er hoorde gebruikte hij voor zijn stukjes in de vrouwenbladen. De meningen die hij er hoorde gebruikte hij voor zijn stukjes voor de weekbladen. En de mensen die hij er sprak gebruikte hij voor meer werk, meer opdrachten, meer geld. ‘Ik heb een winkel.’ citeerde hij dan vaak. En zo was het.

Doe een wens

De Eemsbode schreef een verslag van de feestweek in verpleeghuis Vliethoven. Ik citeer: ‘Onder het motto ‘lentekriebels’ werden er diverse activiteiten gehouden. De leerlingen van basisschool de Rengersborg waren ook van de partij.’

Allicht zijn de kinderen van de Rengersborg weer van de partij. Ze maakten tekeningen, versierden de gangen en traden op voor bewoners. Maar het hoogtepunt van de feestweek was toch ‘Grote Wensendag’.  Een van de wensen was ‘Gebakken vis eten in Termunterzijl’. Ik ben nog niet op de leeftijd dat een charmante verzorgende mij vraagt ‘En meneer Sorgdrager, wat zullen we vandaag gaan doen? Waar hebben we zin in?’ maar als die dag komt en ik kan mijn lentekriebels nog adequaat onderdrukken zeg ik ‘Gebakken vis eten in Termunterzijl’. Ik weet niet zeker of u daar ooit gebakken vis at. Voor mij is het al gauw zo’n 10 jaar geleden. Termunterzijl ligt aan de sluis naar de Eems. Een piepklein dorpje en een schitterende sluis. En aan die sluis is een vis-snackbar-restaurant. Je kunt er onder andere gebakken vis kopen en die dan aan de sluis opeten. Zo heerlijk.

Het was zo’n uitstapje dat je met de kinderen maakte. Wie weet maken de kinderen het ooit met mij. En anders wacht ik wel tot het weer grote wensendag wordt.

Ruimte

Het zal u niet ontgaan zijn. Ik schrijf de catalogus voor de grote expositie ‘Kunst te gast’ begin september in Appingedam. 30 kunstenaars laten op 20 prachtige locaties hun werk zien. Wat zit er mooi werk bij. Neem dit schilderij:

Leen Kaldenberg maakte het. Hij schildert het Groningse landschap. Niet het uitbundige groene landschap van Groningen in de lente en de zomer maar het kale, gedemptere landschap van Groningen in de herfst en de winter. Juist in die periode komt een van de meest karakteristieke eigenschappen zo tot zijn recht: de puurheid en de helderheid van het licht. Kaldenberg maakt dat voelbaar door zijn ingetogen kleurgebruik en zijn lange, fijne streken.

Die lange streken benadrukken nog eens de weidsheid van het landschap. Die weidsheid wordt ook zichtbaar doordat Kaldenberg meestal kiest voor een relatief klein formaat. Kaldenberg toont ons het Groningse landschap in al zijn eenvoud. Ruimte, doorzicht, klei, water, lucht en licht. Een intiem landschap. En toch ook: land waarin je je niet kunt verschuilen.

Toon is een keuze

In mijn bezit is een kaart van Parijs waarop precies is aangegeven waar eens de Duitse bommen, granaten en kanonskogels vielen.’

Remco Campert schrijft dit in de Volkskrant van afgelopen zaterdag. De formulering is bijzonder. Laten we eens wat alternatieven op een rij zetten. Eerst maar eens de hoofdzin:

  • ‘Ik heb een kaart van Parijs …’
  • ‘Ik bezit een kaart van Parijs … ‘
  • ‘Een van mijn mooiste kaarten van Parijs is een kaart …’

En nu de bijzin:

  • ‘… waarop je precies kunt zien waar eens de Duitse bommen, granaten en kanonskogels vielen.’
  • ‘… waarop exact is aangegeven waar eens de Duitse bommen, granaten en kanonskogels vielen.’
  • ‘… waarop precies is aangegeven waar eens de Duitse bommen, granaten en kanonskogels insloegen.’

Gecombineerd zijn er dus sowieso al 9 alternatieven voor die ene zin. En natuurlijk zijn er veel meer mogelijkheden. De meest voor de hand liggende mogelijkheid is:

Ik heb een kaart van Parijs waarop je precies kunt zien waar eens de Duitse bommen, granaten en kanonskogels vielen.

Dat is een prima zin, al zeg ik het zelf. Alleen dat ‘eens’, daar ben ik nog niet zo tevreden over. Dat kan nog wel wat exacter. Waarom koos Campert toch voor zin 1?

Allereerst het metrum en het binnenrijm: ‘In mijn bezit is een kaart’. Vergelijk dat met ‘Ik heb een kaart’. Camperts keuze rolt door de herhaling van de ‘i-klank’ en het mooie metrum prettig over je verhemelte.  Zijn zin is ook reflectiever, niet alleen qua toon maar ook qua inhoud. Dat wordt veroorzaakt doordat de zin het bezit van de kaart centraal stelt. Je ziet als het ware de kast waar de oude Campert zijn kaarten van Parijs bewaart. Een enorme stapel plattegronden, de een nog versjangeleerder dan de ander: ‘Kijk, deze vlek is nog van de kat van Kousbroek.’ Opa vertelt.

Misschien is dat wel het verschil. De jonge Campert zou hupsakee geschreven hebben: ‘Ik heb een kaart’. De oude laat de woorden als een mijmerende wijnproever iets langer op de tong rollen en schrijft ‘In mijn bezit is’. Wat zou Nescio hebben geschreven?

Ootje Boe

Dit is het stukje voor woensdag 25 mei. Morgen (donderdag 26 mei)  doen we weer gewoon; het is gewoon erg leuk om in de derde persoon te schrijven. En ik begon dit weblog toevallig wél voor mijn eigen plezier. Overigens, iedere gelijkenis met wat of wie dan ook is toeval.

Otto Boek was een veelbelovend dichter toen hij studeerde. Het predikaat ‘veelbelovend’ had hij zichzelf toegekend. Het klonk mooi en een veelbelovend dichter hoefde nog niets gepubliceerd te hebben. Zijn gedichten waren taalexperimenten. Je hoefde ze goddank niet te begrijpen. Je kon ze niet begrijpen, legde Otto uit. Zijn gedichten hadden geen betekenis. De dichter Boek was geïnteresseerd in wat er met de betekenis van woorden gebeurde als je die woorden uit hun gewone context haalde en in een nieuwe context plaatste. En zo bladerde Boek door het woordenboek, de krant, de Donald Duck en de boeken van Sartre en Beauvoir. In de Nederlandse vertaling, dat wel, want een talenwonder was hij niet. Soms klonk het wel mooi, vond Otto, maar meestal gebeurde er niet zoveel als hij woorden uit hun context haalde. Maar Boek schreef onverdroten door. Toen hij op een avond wat werk had voorgedragen zei een kennis: ‘Otto, man, je bent een kunstenaar. Een taalkunstenaar. Hoe ging dat gedicht ook al weer, iets van Oote Boe?’ En sinds die avond heette Otto Boek voor zijn vrienden Ootje Boe.

——–

Otto Boek werd wakker met een vreemd soort onrust in zijn lijf. Het was licht. Onder de pannen van het dak waren vogels druk bezig met hun nest. De noeste arbeid zorgde voor een hoop gestommel. Het klonk Otto als muziek in de oren. Wat voor een dag was het vandaag? Maandag, bedacht hij. Wat moet er allemaal gebeuren? De onrust in zijn lijf groeide. Haast, dacht Otto, heb ik haast? Hij draaide zich om. Toen wist hij het weer. Hij hoefde helemaal niet op te staan.

De puinhoop die hij van zijn leven gemaakt had, overrompelde hem. ‘Opgebrand en afgeschreven. Ik heb niets meer te doen en als ik er al ooit enigszins toe deed is dat nu finaal en voorgoed voorbij. Ootje Boe, stukjesschrijver in ruste.’ Hij was wel tevreden met deze kwalificatie en zocht onwillekeurig naar een onderwerp om haar te gebruiken. Onmiddellijk realiseerde hij zich dat dat niet nodig was. Hij was weg bij de krant, weg bij de tv en weg bij de radio. Hij was weg.

Zijn afscheid was een langzaam proces geweest. Zo langzaam dat hij het pas in de gaten had, toen het te laat was. Z’n vaste rubriek in een paar vrouwenbladen werd het eerst geschrapt. ‘Weet je Ootje,’ had de hoofdredacteur hem stralend gezegd, ‘je schrijft nog steeds als een jonge god maar vrouwen willen vrouwen lezen, vrouwen willen vrouwendingen. We vonden je gemopper altijd erg charmant maar we zijn er klaar mee. Hard hè.’

Na de column voor de vrouwenbladen, verdween de column op de radio. ‘Allemaal politiek. Sorry, sorry. Ik vind het ook dood- en doodzonde Ootje. Maar mijn baan staat ook op de tocht. Ze hebben het format zo veranderd, ik herken m’n eigen programma niet meer.’ Harry Koop, klasgenoot, studievriend, klaverjasmaatje en getuige van zijn huwelijk en de teloorgang ervan, zat erbij als een geslagen hond. Het deed hem duidelijk pijn. Hij bestelde nog een kopstoot voor hen allebei.

Toen de kastelein de bestelling voor hen neer zette, boog Harry zich voorover en nipte de kop van de borrel keurig weg. Hij zuchtte voldaan. Hij schoof het jeneverglas wat van zich af, draaide het eenmaal, tweemaal in de rondte en tilde het toen bedachtzaam op. Hij keek Otto diep in de ogen.
‘Weet je Ootje,’ Harry kneep zijn linkeroog wat samen, ‘weet je….’ Hij rook aan zijn glas en sloeg het vervolgens onverbiddelijk in een keer achterover.
‘Ahh’ steunde hij. Hij leunde achterover en keek Otto medelijdend aan. Hij zuchtte diep. ‘Het zit je niet mee Ootje Boe.’