Het pak van Otto

6

‘Otto,’ Sylvia, een studiegenote met wie hij de straat overstak naar het oude gebouw, stootte hem aan, ‘mevrouw Haaksen roept je.’ Otto keek verbaasd naar Sylvia en vervolgens verbaasd naar de overkant. Daar stond inderdaad mevrouw Haaksen. Haar precieze functie was hem onbekend maar ze vervulde de moederrol op het instituut. Ze zat de trage studenten op de huid, drong bij al te vlijtige meisjes  aan op iets meer ontspanning en hield bezorgde ouders op de hoogte van de vorderingen van hun kroost. Otto was zich van geen kwaad bewust. De deadline voor zijn scriptie was nog niet verstreken en zijn hertentamen `Moderne Taalkunde kon nog niet nagekeken zijn. Zouden zijn ouders dan toch …

‘Mevrouw Haaksen?’
‘Geen paniek Otto, er is niets aan de hand. Ik wilde je wat vragen.’ Mevrouw Haaksen was een keurige, alleenstaande dame van goede komaf. Otto sprak haar regelmatig, altijd op haar initiatief. ‘Even de stand opnemen’ noemde mevrouw Haaksen die gesprekjes.
Otto keek haar vragend aan.
‘Ik hoor dat jij graag schrijft.’ Het was een mededeling, als vraag gesteld.
‘Eh, ja, nou, eh ik …’ Otto voelde zich betrapt. Jong en veelbelovend, dat klonk mooi als er maar geen verplichtingen bij hoorden. ‘Ik noem het meer taalexperimenten.’ Daar hoefde je bij mevrouw Haaksen niet mee aan te komen.
‘Hoe je het noemt, doet er niet toe. Wat ik weten wil, schrijf je ook artikelen? Laat ik het meteen maar even helemaal vragen. Ik sprak net iemand van de universiteitskrant. Daar zoeken ze een student die stukjes schrijft over openbare bijeenkomsten van de universiteit. Een soort correspondent.  Als bijverdienste.’
Bij het woord ‘bijverdienste’ spitste Otto de oren. Hij had nog nooit een artikel geschreven maar zo moeilijk kon dat niet zijn. Hij had juist weer drie weken bij de broodfabriek gewerkt en had zich heilig voorgenomen om zo snel mogelijk een ander baantje te zoeken. Schrijven en daar geld mee verdienen… het klonk niet verkeerd.
‘Ik schrijf ook wel eens stukjes, inderdaad. Op zich zou ik dat best willen. U zei dat het een bijverdienste was?’
‘Het fijne weet ik er niet van. Loop anders even mee, dan stel ik je aan haar voor. Ze liep net naar de kantine.’

‘Ha, ik ben Alice.’ Otto’s hart sloeg over. Hij keek haar met grote ogen aan, sprakeloos. Toen vermande hij zich. Hij drukte de toegestoken hand, slikte even en zei: ‘Ik ben Otto. Otto Boek.’ Zijn stem sloeg over. Alice Hettinga was een jaar geleden afgestudeerd. Otto kende haar niet persoonlijk maar hij wist al twee jaar dat hij een levenlang gelukkig kon zijn met deze vrouw. Ze  was vrij klein, grote groene ogen, een prachtige lach met een prettige kraak in haar stem, een grote bos rood, krullend haar en een gezicht vol sproeten. Hij zag haar voor het eerst in de kantine, rechts van de deur. Ze zat aan de grote tafel, met een paar jaargenoten. Zij vierdejaars, hij tweedejaars. Ze lachte en Otto was verkocht. Hij had nog nooit een woord met haar gewisseld. Er was geen contact mogelijk in zijn universum.

‘Mevrouw Haaksen vertelde dat jij misschien wel geïnteresseerd bent om voor ons te schrijven? Schrijf je veel?’
Achteraf realiseerde Otto zich dat dit een moment was waarop zijn leven een richting kreeg.
‘Veel … ik schrijf wel vaak. Gedichten vooral. Ik noem het meer taalexperimenten.’ Hij kon zich niet concentreren. Alice keek hem warm en belangstellend aan.
‘En wat komt daar zoal uit?’ Otto keek haar niet begrijpend aan.
‘Nou gewoon, het zijn experimenten. Proeven. Daar komt dan toch iets uit?’ legde Alice uit.
Mevrouw Haaksen nipte van haar thee. ‘Wat ik ervan begrijp zijn Otto’s experimenten vooral als experiment bedoeld. Toch?’
Otto sloeg denkbeeldig zijn armen om haar middel en legde zijn hoofd in haar schoot.
‘Er hoeft wat mij betreft niet zoveel uit te komen. Ik probeer gewoon hoe het klinkt en ontdek later wel wat het betekent. Of niet.’ Het klonk wat flets maar meer zat er niet in.
‘Goh.’ Alice leek zijn tekst nog eens te overdenken.
‘Maar ik schrijf ook artikelen hoor’ haastte Otto zich, ‘als je wilt kan ik je wel wat opsturen?’
‘Graag,’ zei Alice, ‘graag. Het adres staat wel in de krant.’  Ze zette haar lege bekertje op de  bar, gaf mevrouw Haaksen een hand en deed met beide handen haar grote bos haar naar achteren.
‘Dan zie ik het wel, Otto?’
‘Ja, ja. Je ziet het.’ Otto keek haar na.
Toen ze wegliep, keek mevrouw Haaksen Otto onderzoekend aan.
‘Jij gaat het de komende dagen nog heel druk krijgen, denk ik.’

7

In vijf dagen schreef Otto twintig artikelen. En omdat hij geen idee had waarover hij moest schrijven vroeg hij zijn vrienden en huisgenoten om onderwerpen. Sylvia raadde hem aan over de komende verhuizing van het instituut van de binnenstad naar het universiteitscomplex aan de rand van de stad te schrijven. Dus dat deed hij. Hij begon gewoon met schrijven en toen het klaar was was het klaar. Eigenlijk was zo’n stukje ook een taalexperiment, bedacht hij zich. De telefoonrekening werd zijn tweede onderwerp. Hij schreef een artikel over de manier waarop in studentenhuizen de telefoonrekeningen werden beheerd. Daarna ging het hard. In een dag schreef hij artikelen over lijn 3, de Xenos, de nieuwe Italiaansebroodjeskraam, het kopen van een orgel, sjoelen, het tentamen Statistiek en de Domtoren.

Al met al werd het een dik pak papier. Bij de boekhandel op de Amsterdamse Straatweg kocht hij een grote envelop. Toen hij de artikelen erin had gedaan besloot hij de envelop niet op te sturen maar hem af te geven. Gewoon, rechtstreeks. Hij moest toch een gesprek met haar kunnen voeren.

De hal van het gebouw waar de Universiteitskrantgevestigd was, was gigantisch. Hoog en donker en met een klein maar steil trapje dat naar twee enorme glazen deuren leidde. Achter die deuren was opnieuw een hal. Maar in deze hal bevond zich wel een balie. Otto liep beslist naar de balie. Vandaag werd zijn leven anders, had hij besloten.

‘Goedemorgen, ik kom voor Alice de Jong.’
De dame achter de balie deed haar wenkbrauwen omhoog en keek hem ongelovig aan. Ze herhaalde de naam vragend, alsof ze de naam eerst zelf moest uitspreken om te kunnen checken of de gezochte pesoon ook wel echt bestond.‘
‘Alice de Jong’ klonk het wat zuur, ‘ja, ja. En wie zei u dat u bent?’
‘Oto Boek’.
‘Otto Boek. Ja, ja.’
Ook die naam proefde de baliemedewerkister even om vervolgens een pen achter haar oor te steken en een telefoongids te pakken. ‘Alice de Jong’ mompelde ze, ‘Alice de Jong.’
Ze pakte resoluut de telefoon, draaide een nummer en zei: ‘Ja mevrouw De Jong. Ik heb hier aan de balie een meneer … ‘ Ze keek Otto even misprijzend aan. ‘Meneer Boek.’

Betere e-mails

Volgende week verzorg ik voor een groep cursisten een extra ingelaste aanvullende minitraining over het schrijven van e-mails. We hebbenmaar 3 uur dus ik verklap de inhoud van de les maar vast: houd rekening met de context, wees duidelijk, wees vriendelijk en beperk je tot de zaak.

Om die training voor te bereiden vroeg ik deelnemers mij een aantal van een hun zakelijke e-mails toe te sturen. Een mail viel me op door het royale gebruik van het hulpwerkwoord ‘zullen’.

Ik kreeg haar mail terwijl ik midden in een heel andere klus zat waarvoor ik al een paar uur had geworsteld met Joomla, een schitterend en gratis programma om websites mee te bouwen en te onderhouden. Maar wat ik ook probeerde, ik kreeg mijn nieuwe tekst niet online. Dus dan is zo’n e-mail een cadeautje. Kun je even je gedachten verzetten. Even iets anders. Zodra ik haar mail gelezen had, mailde ik terug. ‘Bedankt voor je mail. Ik ga ermee aan de slag. Jij kunt alvast tellen hoe vaak je het werkwoord ‘zullen’ gebruikte in je mail. Met vriendelijke groet, Wout Sorgdrager’

Practice what you preach, kent u die uitdrukking?

Liket u mij dan like ik u

Over de spelling van het inmiddels Nederlands werkwoord ‘liken’.

De Volkskrant van vandaag schrijft over het groeiend aantal mogelijkheden om je waardering uit te spreken op websites. Onder veel berichten zie je een opgestoken duim, een ‘like-knop’ of een plusje. Ik geloof dat mijn eigenste WordPress mij dat ook mogelijk maakt. Sterker, ik zag zojuist dat ook u onder dit stukje die knop in kunt drukken. Maar u doet dat kennelijk niet…Nou ja, vrijheid blijheid.

Maar het klopt ook wel. Het zijn met name jongeren die deze knoppen indrukken. Pubers groeien door over alles en iedereen een mening te geven. Het indrukken van zo’n knop geeft kennelijk een goed gevoel. Het is de bevestiging van het feit dat je ergens bij hoort. Of juist dat je je ergens tegen afzet. En dat is natuurlijk ook een manier om ergens bij te horen.

Ik ben niet zo geïnteresseerd in die knop. Echt niet. U hoeft echt niet te drukken. Het is overigens wel gewoon gratis hoor. Ik ben meer geïnteresseerd in wat we als spellers doen met die knoppen. De auteur van het Volkskrant-artikel durfde het niet aan om ‘liken’ te vervoegen. Zij schreef eromheen. Ze heeft het overigens wel over de ‘like-knop’ en over ‘diggen’. Dat laatste werkwoord verwijst naar een website waar men sites niet ordent op onderwerp of desnoods op alfabet maar op waarderingen. De sites met de hoogste waarderingen staan bij ‘Digg’ bovenaan. De opmaakredacteur durfde het wel aan: hij schreef op de voorpagina van het tweede katern ‘Waarom we liken liken’. Dat vind ik nou leuk.

Maar goed, even het oefeningetje. Laten onze kennis van het spellen van de werkwoordsvormen maar even updaten. Leest u even mee? Ik like u, jij liket mij, wij liken hun (of is het hen?), ik heb u geliket, het veel gelikete artikel blijkt tegen te vallen. Digt u dat?

Mijn moppenboek

de-vrouwenhater1

Mijn geheugen is niet best. Mijn geheugen voor moppen is zelfs bar slecht. Ik herinner me maar een mop. Ik doe het maar meteen, dan heeft u het gehad:

Klant zegt tegen portier bij het weggaan: ‘Hoeveel is je gemiddelde fooi?’ Portier zegt: ‘Een dollar meneer.’ Klant geeft een dollar. Portier zegt: ‘Dank u wel, u bent de eerste die het gemiddelde haalt.’

Deze mop haalde ik uit een moppenboekje dat ik als jongetje had. Het boek was totaal verfomfaaid, er zat geen kaft meer om, het lag gedeeltelijk uit elkaar. Ik zie mezelf nog liggen op de vloer in Jan van Duivenvoordestraat, rollend van het lachen.  Later realiseerde ik me dat ik heb liggen schateren om een boekje met de beste grappen uit het Engelse blad ‘Punch’.

Ik was een jaar of 6. Ik snapte helemaal niets van die moppen maar vond ze echt erg leuk. Dat had te maken met de cartoons die erin stonden. Maar waarschijnlijk ook met het raadselachtige dat ze hadden. Je zag dat het grappig was maar begreep niet waarom. Waarschijnlijk hou ik daarom ook zo van poëzie.

Het gaat met nu helemaal niet om de vraag wat poëzie is. Ik wil u deelgenoot maken van een vondst. In het Gutenberg Project vond ik alle ‘Punches’ achter elkaar. Mijn grap vond ik nog niet, ik moet ook een beetje werken af en toe. Maar ik vond wel heel veel cartoons die ik me nu weer herinner. Het is haast ontroerend om die tekeningen na al die tijd zomaar weer te zien. De tekening hierboven bijvoorbeeld. Die snapte ik absoluut niet. En is inmiddels volkomen achterhaald.

Cashen

5

Gedichten schreef Otto nauwelijks meer. Het nut ervan ontging hem gewoon. Zo af en toe kwam hem een zin in het hoofd die wat mogelijkheden bood, maar tegenwoordig schreef hij zo’n zin niet eens meer op. Als het goed is, onthoud ik het, redeneerde hij. Zijn aantekenboekjes lagen er wat verloren bij.

Nee. Wat hij schreef waren stukjes. Altijd in opdracht. En opdrachten kwamen nog maar zelden. Als ze kwamen, kwamen ze per e-mail binnen. Per e-mail stuurde hij ook zijn bijdragen op. Hij kwam de deur niet meer uit. Hij verloederde niet, hij verslonsde niet en hij verzoop zich niet maar hij raakte gewoon langzaam in een staat van verstildheid. De vogels floten, de vogels maakten nesten, de vogels legden eieren en de vogels vlogen uit. Het voltrok zich buiten hem om. Alles gebeurde ergens anders.

Het telefoontje van zijn uitgever verraste hem. ‘Ootje man, hoe is het met Ootje?’ Otto keek even om zich heen.
‘Ik geloof dat het wel goed gaat met Otto. Ik hoorde hem juist zeggen wat een kanjer hij toch is. Half twaalf en de fles is nog dicht.’
 Het gelach aan de andere kant van de lijn was vals en liefdeloos.
‘Maak maar open die fles Ootje, enne Ootje – zoek een mooie uit. Ik betaal.’
Otto liep met de telefoon naar het raam.
‘Wat is er Karel? Ik heb het druk.’
‘Jij hebt het niet druk Otto. Jij gaat het druk krijgen. Wij gaan het druk krijgen. En tussendoor gaan wij geweldige dingen doen. Wanneer ben je weer in Amsterdam?’
‘Wat is er Karel, ik heb het wel druk.’ Otto kreeg de pest in. Zijn dag was net nog zo heerlijk leeg en maagdelijk geweest en nu fietste die proleet daar dwars doorheen.
‘Ik heb vijftigduizend euro subsidie gekregen om je verzameld werk uit te geven. Nou jij weer.’
Otto bleef even stil.
‘En ga je dat dan ook doen?’
‘Voor vijftigduizend euro? Jazeker ga ik dat doen man. En jij gaat me helpen. We maken er een prachtboek van. Je weet wel. Leeslint, dun papier, harde kaft. Boek gebundeld. Wat vind je van die titel?  Bekt wel, toch?’
Otto maakte met zijn adem een waas op het raam. Hij keek in de mist en tekende oogjes waar zijn ogen hoorden. Uit de verte kwam het klokgelui van de kerk. En vrijwel op het zelfde moment begon de sirene op het dak van de school te huilen. 12.00 uur, de eerste maandag van de maand. Zijn uitzicht was ineens veranderd. ‘Boek betraand’ dacht Otto en tekende een mond.
‘Ik weet het niet. Je bent dan wel erg uitgeschreven.’
‘Maar je bent toch ook uitgeschreven Otto.’ zei Karel, hoorbaar verbaasd. ‘Nu ga je cashen. Wat zeg ik: nu gaan wij cashen.’

Geluk

Wij hebben een enorme vracht hout in de tuin liggen. U weet het. Grote stammen, kleine stammen. Die stammen moeten in kleine stukken gehakt worden. En dat is geweldig.

De kick om een schijf hout van dertig centimeter dik en een meter doorsnee (nee, ik overdrijf niet) keurig in mootjes te hakken. Hoe je dat blok als het ware schilt. Je moet niet lukraak een enorme klap in het midden te geven. Nee, geef een stevige tik op zo’n 10 cm van de buitenkant, parallel aan de omtrek. Je hoort dan al een kloof ontstaan. Het is geen kraak of knal. Je hoort het aan de klap die de bijl geeft. Daar zitten wat hoge tonen in.  Je ziet nog niets. De volgende klap geef je in het verlengde van de eerste maar wel weer parallel aan de omtrek. Als je precies hard genoeg slaat, zie je nog steeds geen scheur. Maar je hoort dat-ie raak was. En opnieuw. Als je het goed doet (en een beetje geluk komt er ook bij kijken) valt in een keer zo’n ring van hout van de stam.  Zo’n rondje kun je nog een of twee keer maken. En dan volgen twee finale klappen, dwars over de kern van wat eens een trotse stam was. Daar ligt zo’n schijf dan: in zo’n 20 stukken. Die kloof je vervolgens met een kleinere bijl in drie of vier stukjes. Klaar voor de kachel.

Toen viel zaterdag de krant in de bus en zat ik met een probleem. ‘Eudaimonisch geluk is oneindig veel interessanter dan hedonistisch geluk: ben je datgene aan het doen waar je echt in gelooft? Ben je trouw aan wie je wilt zijn, in plaats aan wat je wilt hebben. Mensen staat daar te weinig bij stil.’ Ik verzin het niet. Roos Vonk zei het. Ze is professor in de psychologie en schreef een boek. En ze heeft gelijk.  Ik stond er nooit bij stil. Ben ik al houthakkend trouw aan wie ik wil zijn of sta ik weer dom hedonistisch te genieten?

Op de foto bij het artikel in de Volkskrant  zien we professor Vonk op haar knieën in het varkenshok neusje-neusje knuffelen met een van haar varkens. Is dat soms het eudaimonisch geluk dat mevrouw Vonk bedoelt?

Vooruitgang

Mijn vrouw verzorgde gisteren voor vier promovendi en stagiaires een uitstapje door het Groninger land. Vertrekpunt was Leermens. Na een bezichtiging van de kerk en een rondwandeling door het dorp kwamen ze bij mij lunchen. Na de lunch volgde dan wat verder volgt.

Of dat aan mijn vrouw ligt weet ik niet maar in haar keuzebeleid gaat haar voorkeur uit naar meisjes van een jaar of 24 uit exotische oorden als Taiwan, Mexico of Roemenië. En zo kwam het dat ik een lunch bereidde voor twee Mexicaanse meisjes, een Roemeense en een Taiwanese. Ik kookte. De Roemeense verbaasde zich over de Nederlandse man. In Roemenie kookt de man  niet. Daar eet hij. Hier in Nederland had ze nu al twee keer meegemaakt dat een man kookte. Vreemd. Maar ze vond het niet verkeerd, begreep ik.

We aten in de tuin. Op het eerste gezicht is die tuin een lustoord maar achter de hagen liggen een paar oude bomen in stukken gehakt. Neem van mij aan: dat zie je liggen. Peng, een klein, dun meisje uit Taiwan zag de bijl. En de kettingzaag. Dat wilde zij ook proberen. En daar stond ze. Glunderend, met de kettingzaag, aan het werk. Een van de Mexicaanse meisjes wilde ook wel houthakken.

Nu lees ik dat onderzoekers hebben uitgevogeld dat in de prehistorie de oervrouw erop uittrok en de man thuis bleef. Hoe ze dat ontdekten is simpel, gewoon met een analyse van strontiumisotopen in het tandemail.

Het heeft even geduurd maar de vrouw trekt er opnieuw op uit. Ik vind het vooruitgang.