Kans

Wat is dat toch met een kans? Kansen zijn verleidelijk. Kansen zijn begerenswaardig. Kansen kosten niets. Over kansen dromen we. Als je kunt slapen tenminste.

Ooit kreeg ik als relatiegeschenk een staatslot voor de oudejaarsloterij. Ik vond dat een lastige situatie. Ik vond dat ik als baasje grote cadeaus eerlijk moest verdelen. Een doos chocolaatjes verdeelde ik daarom keurig in achten. De boterhamzakjes nam ik mee van thuis. Nee, dat is niet waar maar het hád waar kunnen zijn. Ik kreeg nooit chocolaatjes. Wel flessen wijn en daar wisten we wel raad mee. Maar is een kans een groot cadeau? En hoe moet je dat cadeau dan verdelen? Middels een verloting? Stel je het morele dilemma voor van deze goudeerlijke groenlinkse gereformeerde jongen met een loodzware set normen en waarden. Ik weet niet met behulp van welke redenering ik me uit deze netelige positie heb gered maar feit is dat ik en mijn familie die oudejaarsavond naar de trekking keken. We hadden een lot. We hadden een kans.

Op de autoradio hoorde ik gisteren een reclame van de Rabobank. Als ik nu 500 euro overmaak naar een spaarrekening maak ik kans op een ‘meet and greet’ met Raborenners. Vroeger kreeg je 5 euro als je een spaarrekening opende. Nu krijg je een kans.

En nee, hoe groot die kans is, is niet belangrijk. In een wervend bedoelde tekst hoef je de kans niet te kwantificeren. Daar wordt zo’n tekst beslist niet wervender op. Je luisteraar gaat dan rekenen in plaats van dromen.

Groen

In Veenendaal bezocht ik het Christelijk Lyceum. Op de bovenste verdieping was een tekenlokaal ingericht. Dat was mooi gedaan: je had aan alle kanten uitzicht. Het mooist was het uitzicht over de Grebbeberg. Je zag in het voorjaar hoe door het sparrengroen de loofbomen in het groen kwamen. Al die verschillende kleuren groen. Maar ook hoe als het eenmaal zomer was, de kleuren groen elkaar niet meer ontlopen. De Grebbeberg werd een massief blok uniformgroen. Veens groen.

Nu rijd ik naar Appingedam en zie Gronings groen. Het helgele lichte groen van het pas gemaaide land, het frisse lentegroen van de uienvelden, het witoplichtende groen van de aardappelvelden, het zware, onverschrokken groen van het jonge mais, het oude, stoffige bruingroene groen van het nog niet gemaaide gras in het landje van Groenewold, het uitgebluste groen van gemaaid gras en het allesoverrompelende lichtgrijszilverige, populierengroen van het graan. Gronings groen.

Censuur

Het schijnt vakantie te worden en dat is natuurlijk mooi voor al diegenen die Nederland nu kunnen ontvluchten; leven in een land waar het parlement opgewekt afkondigt dat Radio 2 voortaan minimaal 35 procent Nederlandstalige muziek moet laten horen en wekenlang discussieert over het leed dat de dierenindustrie het dier toebrengt bij de slacht en niet over het leed dat diezelfde industrie diezelfde arme beesten toebrengt in de weken of maanden die aan die ultieme seconde vooraf gaan en serieus oppert om het KNMI op te heffen als het weer een beetje tegen zit, is iets wat je best kunt volhouden maar af en toe niet. Dan moet je er even uit.

Je kunt inderdaad het land ontvluchten. Maar dat is laf. Kom morgen gewoon naar de vrijstaat Leermens. Dorpsbelangen breekt hier morgen de doorgaande weg op en organiseert een zeepkistenrace. Ondergetekende had de eer een heus persbericht te mogen schrijven over het evenement. De Eemslander neemt dat natuurlijk letterlijk over: ‘Het belooft een geweldige middag te worden. Dorpsbelangen Leermens heeft gezorgd voor muziek, een feesttent, hamburgers, shoarma en prachtig weer.’ De collega’s van de Eemsbode censureerden het bericht. Zij schreven: ‘Dorpsbelangen biedt deze dag muziek, een feesttent, hamburgers en shoarma.’ Geen woord over het mooie weer.

Waarschijnlijk heeft ons parlement ingegrepen. Leve de democratie. Hoezee.

Collega’s

Ik ken een hoofd Samenleving. Ik zit samen met hem in het bestuur van Ons Genoegen. Toen hij over de functie vertelde had ik even niet opgelet (de vergadering was nog niet geopend) en zo kon het zijn dat ik dacht dat hij een grapje maakte. Eerlijk is eerlijk, hij zat wat op te scheppen tegenover een gezamenlijke kennis op wie hij graag wat indruk maakt. De best geklede man van Groningen tegenover het blondste stuk van de stad. Zoiets.

Maar het was geen grapje. Het bleek om hem te gaan. Hij is het: hoofd Samenleving in een middelgrote provinciestad. Toen ik begreep dat het echt was, hoorde ik mezelf zeggen: ‘Dat wil ik ook.’ Het floepte er zomaar uit. Want eigenlijk zoek ik een vaste baan. En hoofd Samenleving lijkt me wel wat. Ik heb allerlei functies door mijn hoofd laten gaan. Ik dacht aan hoofd Verkeer, hoofd Weiland, hoofd Gezondheid, hoofd Nu of hoofd Ooit maar hoofd Samenleving is zo all-inclusive, daar kan geen functie tegenop.

Ik zie u denken ‘Een vaste baan?’ Dat moet ik wel nuanceren. Ik denk zelf aan hoofd Samenleving Leermens. Zo’n middelgrote provinciestad telt ongeveer 30.000 inwoners. Leermens telt een kleine 300 inwoners. Ik ben een ambitieus mens maar ken mijn grenzen. En die houden wel op zo rond Leermens. Desnoods neem ik Eenumerhoogte er nog bij.

Dát ik een vaste baan wil, dank ik aan Joke die mij gisteren behoedde voor een acute opname. Joke is een oud-collega van mij. Omdat mijn oud-werkgever toch niet zonder mij blijkt te kunnen, schrijf ik nu voor diezelfde oud-werkgever een nieuwsbrief. En dat moet in Joomla, een programma om websites mee te maken. Gisterenochtend belde ik vanuit het kantoortje in Leermens met het grote kantoor in Stad. Ik mocht van Joke wel langskomen. En zo kwam het dat we zij aan zij als echte collega’s een nieuwsbrief het licht lieten zien. Trots en moe, na uren ploeteren en klikken en slepen en onder begeleiding van krachttermen als ‘Het is toch niet te filmen.’

Mijn voormalige werkgever kan niet zonder mij, ik kan niet zonder mijn oud-collega. Als ik eenmaal hoofd Samenleving ben, vraag ik Joke als hoofd Joomla. Dan kan ik het weer wat rustiger aan doen.

Hoera Joomla

Het zou zomaar kunnen dat ik het noodweer van gisteren heb veroorzaakt. Ik ben 53. Ik heb dus al veel meegemaakt: MS DOS, WordPerfect, Wordstar, Windows, Word, OS en WordPress. En bij iedere overgang raak ik in een fundamentele depressie. Nu moet ik in Joomla werken.

Sinds kort ben ik de trotse beheerder van een website over het opleiden van medisch specialisten. Schrijven over opleiden is leuk. Schrijven over het opleiden van medisch specialisten is nog leuker. Het is een boeiend onderwerp: hoe zorg je ervoor dat iemand een goede arts wordt?

Maar binnenkort moet de nieuwsbrief uitkomen. Die stukken liggen klaar. Nu nog even de nieuwsbrief. In Joomla. Ik ben gisteren de hele dag bezig geweest en geen snars opgeschoten. Nu ligt er weer zo’n dag voor me. Die machteloosheid, de haast fysieke onmacht die ik had toen ik van WordPerfect naar Word moest overstappen herinner ik mij nog levendig. Het zal zijn geweest in de tijd van de vulkaanuitbarstingen in Indonesië.

Ieder systeem heeft zijn eigen logica en het is schijnbaar onmogelijk om een systeem te bedenken dat mijn logica heeft. Zo’n moeilijk mens ben ik niet. Ik citeer even uit de hulptekst die mijn voorgangster maakte: ‘Klik op de gewenste pagina terwijl je de CTRL-knop indrukt. Het artikel is aangemaakt maar hangt nog niet in de menustructuur.’  Ik geloof ik dat al mijn artikelen wel aangemaakt zijn maar nog niet in de structuur hangen. Of maakte ik een structuur aan maar geen menu? En dan is er nog sprake van categorieën. Wat doen die categorieën er dan? En wat hebben die templates ermee te maken en waarom verdwijnen de koppen telkens en telkens en telkens weer?

Als ik u was zou ik deze dagen thuis blijven en de gordijnen dichthouden. Boek geen vliegreis. In IJsland zijn er nog veel vulkanen die op springen staan. Blijf thuis en wacht tot de buien zijn overgewaaid. Ik hou u op de hoogte. Fijne werkdag. U wel.

Boek, Booy en Buiter

‘Dames en heren …Boek, Booy en Buiter!’ Het is aardedonker in de zaal. Een kleine cirkel van licht floept aan boven een bar. Aan de bar zit Otto Boek. ‘Podverdorie’ zegt hij wat besmuikt. Hij zwijgt, staart in het donker en neemt een slok van zijn bier. Een tweede cirkel van licht floept aan. Naast Otto zit Adrie Booy. ‘Verdomme’ zegt hij en kijkt voor zich uit. En een derde licht floept aan: een derde cirkel van licht floept aan.  Alice Buiter zit in een witte Marilyn Monroe-jurk schuin tegenover hen achter de bar. Een pilsje voor zich. Ze zwijgt en staart voor zich uit. Dan zegt ze hard en vol overtuiging ‘Godverdegodverdomme’. Otto krimpt ineen. het is de dertigste voorstelling maar hij kan niet wennen aan de hartgrondigheid waarmee Alice haar bijdrage opent. De lampen gaan uit en Alice loopt naar het kruisje midden op het podium. De spots zetten haar in één klap vol in het licht. Ze staat er fier en zonder papier. En het enige wat Otto denkt is: ‘Wat een lijf’. Iedere avond. Hij neemt in zijn veilige duisternis nog een flinke slok van zijn bier. Alice begint haar verhaal over vloekende vrouwen. De komende tien minuten hoeven Otto en Adrie niets te doen. Adrie schuift in het veilige donker wat dichter naar Otto. ‘Wat een lijf’ fluistert hij.

Als Alice klaar is, neemt ze met een diepe buiging haar applaus in ontvangst. Dan is de beurt aan Otto en Adrie. Eerst houdt Adrie een monoloog over de angst om alleen naar een café te gaan. Otto zit zwijgend naast hem en hoeft alleen maar af en toe begrijpend te knikken. Dat kan hij. Dan leest hij een verhaal. Hij schreef het een jaar of tien geleden, net na zijn scheiding. ‘Mijn vrouw is weg en ik heb het rijk alleen.’ Als hij de eerste regel voorleest, begint het publiek te klappen. Adrie buigt zijn hoofd wat naar voren en kijkt hem over zijn bril even aan.
‘Je bent een ster Ootje, je bent een ster.’

Na afloop zit Alice mokkend op de bank in de kleedkamer. Ze komt net onder de douche vandaan en staart stuurs voor zich uit. Haar badjas stevig vastgesnoerd. Otto zit aan de andere kant van de bank. Hij houdt zijn mond. Adrie pakt twee pilsjes uit de koelkast en zet ze op de tafel.
‘Jij ook een?’ vraagt hij aan Alice.
‘Nee, natuurlijk niet.’ zegt ze bits, ‘Ik heb nog nooit een pilsje met jullie gedronken.’
‘Het kon toch? Iets anders? Ze hebben ook witte wijn. Hij pakt de fles uit de koelkast en leest het etiket. ‘Hele goeie trouwens.’ Zijn neusgaten beginnen onwillekeurig wat de klapperen en hij slikt even. ‘Hele goeie.’

Mogen

Mijn vader is opgenomen in het ziekenhuis. Dat overkomt hem de laatste jaren wel vaker. In allerlei opzichten betoont hij zich bij die gelegenheden een dankbare patiënt. Hij eet zijn bord leeg en is over het algemeen goed gehumeurd en vriendelijk voor de professionals die hem de hand reiken. Er is echter één kleinigheidje dat maakt dat sommige van die professionals toch altijd weer blij zijn als hij weer is opgekrabbeld. De oorzaak daarvan is een taalkundige allergie. Bij mijn vader, welteverstaan.

U kent mij als een tolerante taalgebruiker die zich niet snel ergert aan andermans taalfouten en taaleigenaardigheden.  Ik deel zijn allergie niet. Wel zijn ergernis. Ik kaart mijn vaders allergie aan zodat hij dat niet meer hoeft te doen en zijn relatie met al die verzorgenden, verpleegkundigen, leerlingverpleegkundigen, voedingsassistenten, fysiotherapeuten en ergotherapeuten niet verstoord wordt door een  inderdaad knullig en betuttelend gebruik van het werkwoord ‘mogen’.

‘Meneer Sorgdrager, nou mag u zich even omdraaien.’ Of  ‘U mag nu hier even gaan zitten.’ Of: ‘U mag uw arm nu door de mouw doen.’ Als je erop gaat letten, is het gekmakend. En mijn vader kan het niet laten.  Hij zegt minzaam: ‘Mag ik een kleine bijdrage leveren aan uw professionele vorming? In de gezondheidszorg is mogen moeten.’ Niet iedere zorgprofessional pikt die les onmiddellijk op. Jammer, want mijn vader heeft een punt. Wie ‘mogen’ zegt en ‘moeten’ bedoelt, maakt zich schuldig aan betutteling. En een verpleegkundige die haar patiënt betuttelt, maakt een professionele fout. In dit verband wijs ik toch ook nog maar even op het gebruik van het persoonlijk voornaamwoordje ‘we’: ‘Nu gaan we even lekker onder douche.’ Ik waarschuw maar vast: de verpleegkundige die daar mee aankomt bij mijn vader gaat echt een probleem krijgen.

Dit is het plan: u stuurt dit berichtje door naar alle verpleegkundigen en andere zorgprofessionals die u kent en vraagt hen hetzelfde te doen. Volgens mij is het leed dan in een week of wat geleden. Zullen we dat afspreken? Dan mag u nu aan het werk.