Mijn bureau mijn dag

Het kantinerooster van tennisclub TC LEO seizoen 2011 – de ansichtkaart van Akke – drie gedichten van de poeziekalender – de ansichtkaart ‘Kop van een man uit de 3e eeuw voor Chr’, bewerkt door Erwin Olaf – een brief waarin gevraagd wordt mee te doen aan een collectieve rechtszaak van de eigenaren van rijksmonumenten tegen de staat – Het nut van Kunstgenot, een boek over 50 jaar Noordelijke Kunsthof in Appingedam – een brillendoekje – een USB-stick – drie notitieblokken – een pennendoos – een tube lijm – een modem – een rolodex adressenbakje – een scanner – een relatiemagazine van het Taalcentrum VU- een doosje lucifers – een nietmachine – een fototoestel – een stevige plakbandrolhouder – een thermoskan koffie – een koffiekopje – een fietsenstandaard en gelukkig een gezellig bakje om mijn kantoorspullen in op te ruimen. En een toetsenbord en beeldscherm.

Soms word ik overspoeld door een lichte paniek: waar laat ik de zooi? Het liefst zou ik in een genereus gebaar alles van m’n bureau vegen en opnieuw beginnen. Op de kaart van Akke na, want daar wil ik haar graag nog op terugschrijven. En het rooster van de tennisclub kan ik ook maar beter laten liggen: ik moet namelijk de kantinebezetting voor de week van 23 april regelen en niemand beantwoordt mijn mails of telefoontjes. En dat boek over het nut van kunst heb ik nodig voor de nieuwe catalogus van een grote expositie door heel Appingedam van de Noordelijke Kunsthof. En bovendien moet ik nu echt aan het werk. Maar misschien kan ik mijn fietsenstandaard wel vast repareren. Dat moet toch gebeuren. Misschien is het een aandoening… Misschien is het erfelijk…

Dan word ik gebeld door ‘Stop AIDS now’. De jongeman vraagt of ik weet dat de regering hun subsidie fors heeft verlaagd. Ik ruik onraad. Ja, ik weet het. ‘Wat vindt u daar van, meneer Jansen?’ Een open vraag, ze leren snel bij de goede doelen – maar misschien dat deze jongeman toch nog een briefje op zijn bureau moet leggen: wie heb ik aan de lijn?

En ik? Ik ga aan de slag met de training ‘Notuleren’ van volgende week. Eerst maar eens de notulen printen die de deelnemers me ter voorbereiding toestuurden. Direct links van mijn toetsenbord zie ik nog een plekje vrij. De fietsenstandaard moet nog even wachten.

Respijt

Het is zaterdag,  8 uur ’s morgens. De vogels fluiten dat het een lieve lust is. En ze hebben gelijk. Het is een lieve lust. De zon schijnt, de lucht is strak blauw en het is fris. Eigenlijk is het gewoon koud. Maar je weet: straks is het warm en dat blijft een paar dagen zo.

Het land hier in Leermens is de afgelopen dagen een heel stuk groener geworden. Goed, de beuken bij de kerk zijn nog winterkaal, de haagbeuken bij het huis zitten nog in het dorre blad van vorig jaar en in de sloot is het riet nog droog, maar in de haag langs de Wierdeweg zie je hier en daar wat lichtgroene plekken. De uitgeschoten wilgen bij nummer 2 zijn groen met nog wat van tak erdoorheen en dichterbij huis schiet de kastanje in blad.

De essen naast hem denken er nog even over. Statig staan ze aan de rand van de lage wierde, de kruinen lichtjes wiegend. Ze kijken peinzend uit over het weiland onder hen en bloeien hun onbeduidende, groengrijzige frommels aan kale takken. In de verte zien ze de hoge wolken boven het wad.  ‘Nog even,’ zie je ze denken, ‘dan gaan we los.’

Beneden bij de voordeur staat de hovenier. Een vracht touw en een stevige  motorzaag in de bestelwagen achter hem. ‘Welke eerst?’ Een uur later hangt een van de essen vol met touwen. Tak voor tak wordt de boom ontmanteld om ten slotte machteloos tegen de vlakte te gaan. Althans – dat is het plan. Maar even later staat de hovenier weer aan de voordeur. De touwen zijn weg. De zaag is opgeborgen. Een schouder speelde op. De es staat nog. Respijt.

Lekker genieten

Bijvoeglijk naamwoorden. Ik geef het eerlijk toe, ik vind ze vaak wat overbodig. Ik heb van een vorig stukje nog het boek ‘De uitvreter’ van Nescio op m’n bureau liggen. Ik sla zo maar een bladzij open:

Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t troittoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen, en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren.

Hier staat geen bijvoeglijk naamwoord in en wees eerlijk, mooier proza is er in Nederland niet geschreven. Toch? Maar dan houden we geen rekening met de tekstschrijvers bij SNP. Dit mailt het reisbureau me:

Lekker genieten op bijzondere locaties
De maand mei is een heerlijke maand voor een korte gezinsvakantie. Nog niks geboekt? Wij hebben enkele originele suggesties, met aantrekkelijke korting!
Alles makkelijk bereikbaar met eigen auto.

Ik heb de bijvoeglijk naamwoorden en (voor de kenners) een bijwoord onderstreept. Het is veel van het goede.  Te veel? Ik weet dat niet. Ik vind het geen “mooi Nederlands”. Maar daar liggen ze bij SNP niet wakker van. Zij gaan voor “effectief Nederlands”. Dat is hier een stukje tekst waar u en ik op klikken.  Als dat inderdaad de bedoeling is, dan mogen ze bij SNP tevreden achterover leunen. Zet de onderstreepte woorden maar eens op een rij: lekker, bijzonder, heerlijk, kort, origineel, aantrekkelijk, makkelijk en eigen. Oké, in een enkel geval is ‘kort’ jammer. Maar verder zijn het stuk voor stuk fijne woorden.

Even aarzelde ik nog bij het woord ‘eigen’ in combinatie met ‘auto’. Als docent bij een training ‘Zakelijk correspondentie’ zou ik het aanstrepen. Want hoe belangrijk is dat eigenaarschap hier precies?  Maar juist dat woordje ‘eigen’  maakt dat je het vóór je ziet. Je ziet hoe je in je vertrouwde automobiel over ’s heren wegen tuft, de zon schijnt, het asfalt is nieuw en de bomen staan in bloei. Je bent op weg. En je denkt ‘Ja, ik wil. En het mag best wat langer duren.’

Kippen

Ik heb twee zwarte Barnevelders. Kippen, voor de goede orde. Het zijn zussen en ze zijn close. Ik stel me voor dat als het echte Barneveldsters waren, ze bij elkaar in de straat zouden wonen. Als de kinderen naar school zijn gebracht doen ze even gezellig samen een bakkie. ‘Weet je wie ik gisteren bij de bakker zag? Riek! Je weet wel, die van de tante van Josien, die vriendin van Harald, de oom van Klaas. Hoe ze haar haar had, dat geloof je niet … ik zeg, Riek, zeg ik, wat heb je je haar leuk.’ Haar zus schenkt de koffie nog eens bij en gaat er even voor zitten.

Mijn kippen maken beduidend minder mee. Ze scharrelen gezusterlijk door de tuin, op zoek naar beestjes, onkruid, ridderspoor en maagdenpalm. Ze houden elkaar donders goed in de gaten. Zie je de een, dan is de ander niet ver weg. Ze lijken uiterlijk erg op elkaar maar hebben een heel verschillend temperament. De een zet de koffie op tafel en gaat er eens lekker voor zitten. De ander loopt ongedurig heen en weer, een sopje onder handbereik, altijd wat om handen. Dat levert nauwelijks problemen op. Als de een zich lekker met een mooi boek in de zon gesetteld heeft, vleugels een beetje breed om meer warmte te vangen,  vlijt de ander zich er tegenaan. Gezellig. Maar lang duurt het niet, haar rust. Echt, ze doet haar best maar ze redt het gewoon niet. Net zit ze of ze staat weer op, schudt de veren eens lekker los en begint het mos tussen de stenen weg te pikken.

Je ziet de ander denken: ‘Ach schat, kom toch even zitten. Je moet straks weer leggen.’

Peilingen

Mijn mening telt! Mijn mening wordt gepeild. Althans, online.  En geef ze eens ongelijk, die meningenpeilers. Het medium is nu gemaakt voor peilingen. De vereniging van zelfstandig ondernemers vraagt zich bijvoorbeeld af wat ik van de regeldruk vind. De kop van het bericht luidt: ‘Heeft u last van regeldruk? Doe mee met de enquête!’ Of je met zo’n kop een representatieve steekproef krijgt, is overigens erg twijfelachtig.

Mijn mening telt ook direct na een internettransactie. Bestel ik een boek, dan moet ik naderhand een enquête invullen. Boek ik een reis dan moet ik een enquête invullen. Bezoek ik een site dan moet ik (soms nog voor ik er een blik op wierp) een enquête invullen. Vaak vragen ze me het heel beleefd. Soms wat dwingender. Apple maakte het laatst wel erg bont. Zij schreven onder een mail waarin ze me de kans gaven mijn mening te geven: ‘Bedankt voor het retourneren van de ingevulde internetenquête binnen 7 dagen.’

Je kunt zeggen wat je wilt maar ze zijn wel duidelijk, daar bij Apple. Ze formuleren direct en to the point. Het is geen vraag. Het is een mededeling. Dan komt het slechtste in mij boven. Ik denk ‘No way, barst maar.’ Maar hoe moet het dan met de bonus van Alex, mijn klantcontactcentrumadviseur? Ik ben bang voor Alex dat hij een paar weken op water en brood moet leven. Ik ben ook bang dat Apple mij een tweede kans geeft. En een derde. Benieuwd of ze dan net zo vriendelijk formuleren als onlangs.

Ik heb eigenlijk niet zo’n last van de regeldruk. Ik heb last van peilingendwang.

Adopteer een probleemwijk

Een groep van 27 Tweede Kamerleden gaat zich actief met probleemwijken bemoeien door gedurende de rest van deze kabinetsperiode 31 wijken door heel Nederland te ‘adopteren’. Het is een bijzonder bericht.

Allereerst omdat er waarschijnlijk vier kamerleden zijn die twee wijken krijgen. Dat lijkt mij zwaar voor het kamerlid. Ik weet dat ze zeggen dat als je één kind hebt, de tweede min of meer in een moeite doorgaat maar dat is mijn ervaring niet. En het is ook niet leuk voor de wijk zelf. Ben je een probleemwijk, moet je de aandacht nog verdelen met een andere probleemwijk (die waarschijnlijk veel problematischer is). Volgens mij is de oorzaak van veel familie-ellende dat de kinderen aandacht tekort komen. Je creëert dus een probleem.

Het schrijnendst vind ik echter de mededeling dat Job Cohen de wijk Vrieheide in Heerlen krijgt. Hij zal ongetwijfeld vaak terugdenken aan de tijd voordat hij Wouter Bos opvolgde. Hij was burgemeester van Amsterdam. Nu heeft hij Vrieheide. In Heerlen. Tja, loopbanen…

En wat doet hij dan? Hij gaat ‘actief contact houden’ om te weten wat er speelt. En ik maar denken dat Tweede Kamerleden dat deden voor hun beroep. Maar goed. Als de mogelijkheid dan toch geboden wordt. Mijn situatie is soms ook wel enigszins problematisch. Ik wil ook geadopteerd worden. Is Jolande Sap nog vrij?

Lees het bericht: http://doiop.com/probleemwijk

Aardige jongens

Mannen maken plannen. Vrouwen doen dingen. Nou, zo zwart-wit zal het niet zijn maar u begrijpt misschien mijn punt.

Zaterdag wandelden wij met vakantievrienden uit Haarlem. Vakantieliefdes zijn meestal van korte duur. Vakantievriendschappen kunnen kennelijk langer duren. We gaan toch al zeker 10 jaar met elkaar. Het was vriendschap op het eerste gezicht.  Ik zie het nog zo voor me. Het was een camping + mooi restaurant in Zuid-Frankrijk. Nederlandse eigenaren, Nederlandse gasten, Frans eten.  Geweldig. Zij zaten bij het zwembad. Vader, moeder, twee schatten van kindertjes. En hoe het kwam, kwam het: we raakten ’s morgens vroeg in gesprek en waren ’s avonds laat nog niet uitgepraat. En toen moesten ze weg. Het was hun laatste dag. De plicht riep.

Het leuke van dit soort situaties is dat je nog een keer al je verhalen kwijt kunt. Een belangrijk onderwerp was onze loopbaan, met name die van de jongens. Hun loopbaan was als een roller coaster. Af en toe hielden we onze adem in, zo snel gingen we omhoog en zo snel ook weer omlaag. En hup, daar gingen we weer. Omhoog.

Maar we hadden het ook over plannen. We zouden een camping beginnen, een zorgcentrum voor ouden van dagen, een kaasmakerij, een filmhuis, een bed & breakfast, een uitgeverij of een kunstgalerie. De bottom line van al die plannen was: onafhankelijk worden. Niet financieel. Nee, onafhankelijk van de plicht. Onafhankelijk van managers, besturen, raden van toezicht en andere bovenbazen.

Ach, eigenlijk was het afgelopen zaterdag niet anders. Zaterdag wandelden we. 18 kilometer. Ik ga u de plannen die we maakten niet verklappen. Maar u hoort nog van ons. ‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf.’