Op de set

Het is donderdagavond 30 augustus. Bij Knevel en Van den Brink zitten 6 lijsttrekkers klaar om te debatteren. Ik kan het niet aanzien. Bovendien, de loting van Ajax beeft nog wat na in mijn botten. Ik slenter wat doelloos over het dorpspleintje bij m’n huisje. Het is, door de grote volle maan, de heldere lucht met hier en daar wat dunne wolken de wat slordig opgebouwde set van een film. Op de set staat het mededelingenbord van VV De Fivel. Leeg. Daarnaast een fietsenrek, ons geschonken door Grolsch, een bankje, een brievenbus, een glascontainer en een haltepaal voor de buurtbus. Dit geheel wordt van boven belicht door een onwaarschijnlijk felle volle maan en van onderen door een nieuwe ouderwetse straatlantaarn.

Links van me het landje van Groenewold waar bij het hek zich zo’n 20 schapen –  ingehuurd als figurant – hebben verzameld. Rechts de enorme vrachtwagencombinatie van B die vannacht kennelijk thuis slaapt.

In de verte hoor ik twee brommertjes. Thom Hoffman en Carice van Houten, het kan niet anders. Geluid draagt ver en de brommertjes rijden langzaam. De spanning stijgt. Zou Rijk de Gooijer  achter de glasbak verstopt zitten? Nee. Dat was ook wel wat onwaarschijnlijk, realiseer ik me.

De brommertjes komen dichterbij. Als ze op de bult zijn zie ik twee solexjes met twee knapen van een jaar of 15. Acteurs worden steeds jonger. De een zegt tegen de ander: ‘Toch nog even bij je opa langs voor een beetje extra benzine?’
‘Nwee …’ aarzelt de ander.
Ze passeren me, alsof ik er niet sta. Bij de krakers gaan ze de bocht om.
‘Cut’ denk ik. Maar de jongens rijden door, de nacht in, richting ’t Zandt. Langzaam ebt het geluid weg en wordt het stiller. De schapen rochelen hun rochels. Een kuch. Een zucht.

Mag ik het zo zeggen?

Goed. We gaan naar onze correspondent in Den Haag, Ron Fresen. ‘En Ron, hoe zou je de verkiezingscampagne tot dusver willen typeren?’

Ja Rob, blij dat je dat vraagt. Het was ook precies de vraag die ik heb voorbereid. Maar de vraag beantwoorden valt nog niet mee. Want het liefst zou ik de campagne willen typeren als volstrekt overbodig. We horen dezelfde verhalen, we zien dezelfde gezichten, schamen ons plaatsvervangend voor hetzelfde gedraai en voelen ons als parlementair verslaggever langzamerhand moedeloos en machteloos. Bah, nee. Ja, deze campagne mag wat mij betreft nu afgelopen zijn. Wie het nu nog niet weet, moet zijn stembiljet inleveren. Morgen verkiezingen en dan hupsakee, formatiebesprekingen. Kijk, dan kan ik voor een deur gaan liggen en de kleur van de stropdas van Pechtold duiden. Zo zou ik de campagne willen typeren. Maar dat mag natuurlijk niet. Dus mag ik het dan zo zeggen: het is een felle campagne maar dat zijn we de laatste jaren wel gewend.’

Nee. Nee Ron, zo mag je dat niet zeggen.

Mag ik het zo zeggen …

Een foutje dat mag

Ik krijg klachten. Zo belt een moeder uit Veenendaal mij over de zin ‘Voelen hun vaders zich dan meer dan mij?’ Dat is fout. Het moet zijn ‘ik’. Ze zegt het haast schuldbewust. En vanuit het verre België schrijft iemand bezorgd: het moet toch zijn ‘luie achterwerk’ en niet ‘luide achterwerk’?

Een kolossale fout

Het is een riskant spel dat ik speel. Ik ben tekstschrijver. Professional. Ik mag fouten maken maar niet veel en geen grote. Maar de hiervoor genoemde fouten zijn zogenaamde  expresse fouten. Het is flauw, ik weet het, maar ik vind dat wel leuk, zo af en toe zo’n kolossale fout die de boel even op doet schudden en schrikken van dat je denkt van hè en hoe dat zit en dat dat dan leuk is maar hoe en hoezo?

Maar er is nog iets. Sommige expresse fouten zijn ooit mijn woordenschat binnengedrongen als grapje en zijn er in de loop der jaren ingeburgerd. Ik heb het over een ‘resturant’ want dat zeiden mijn kindertjes vroeger. Ik vond dat wel een mooie verbastering. Zo schrijf ik ook vaak ‘alstjeblieft’. Ik vond dat ooit een leuke mengvorm van formeel en informeel taalgebruik.

Gisteren schreef ik zo’n 50 mensen een briefje. Ik open met ‘Alstjeblieft’. Weet dat als u een foutje ziet ik dat grappig bedoel.

Meer trompe-l’oeils 

Kunst op de boerderij

Zondagmiddag bezochten we galerie ‘Op de wind’ van Harm Janssens & Henriëtte Hogewind in Westeremden, hier pal bij. De trigger was een stukje in mijn lijfblad de Ommelander Courant over een expositie van schilderes Annet Bakker en zilversmid Marjanne Sorgdrager. Het prachtige werk van Annet Bakker ken ik uit mijn boekje voor de ‘the best of-tentoonstelling’ van de Noordelijke Kunsthof in 2011. Maar zilversmid Sorgdrager, haar kende ik niet. Een echte Sorgdrager ongetwijfeld, maar waarschijnlijk van de rijke tak. Ze smeedt mooi zilver. Even kennismaken, dacht ik, maar ze was er niet.

Annet Bakker, Weerspiegeling

De galeriehoudster was er wel. Ze is bovendien B&B-uitbaatster en boerin. Een vrouw met een verhaal. En dat verhaal is eigenlijk heel eenvoudig. Boerderij, galerie en B&B zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat zie je ook als je er rond loopt. Op het erf staat een schitterend werk van Herbert Nouwen. Veel te groot om te verkopen. Maar dat dondert niet, krijg ik de indruk. Het werk van Annet Bakker hangt onder andere in de stal waar de jongste kalfjes staan. Zo’n Groninger boerenschuur is van binnen een imposant bouwwerk. Zeker als het een dubbele schuur is. Je zou denken dat daardoor de schilderijen wegvallen maar nee, die kalfjes in hun hok (groot genoeg hoor) halen het werk dat er boven hangt juist naar voren. En de deel is een royale intieme galerie. Bijzonder.

Het beeld is van Herbert Nouwen, de foto van Hans Sas

‘Kan het uit?’ vraag ik. Sorry, ik ben een Amsterdammer. En nee, het kan natuurlijk niet uit. Ze financieren de kunst met de opbrengst van de suikerbieten. Die suikerbieten betalen ook het prachtboek over het werk van Annet Bakker. We praten over een failliete galerie in de stad. Het zijn slechte tijden voor kunstenaars en kunstverkopers. Toch piekert ze er niet over om de galerie onder te brengen in een aparte bv. De boerderij en de galerie zijn één bedrijf, één onderneming.

Kunst hoort er bij, onlosmakelijk, vanzelfsprekend, allicht.

Ga kijken. Neem de kinderen mee. Zo’n boerderij is een feest voor kinderen. En je kunt er vast ook heerlijk slapen. Zie voor openingstijden en route de website ‘Op de wind’.

Storytelling

Mijn Leermster vriend en dichter P organiseert begin oktober een soiree in Aig’n heerd, het dorpshuis van Leermens, “iets met verhalen”. Nane, Harry, Dominic, Fetze en ondergetekende spraken af om klein te beginnen. We nodigen allemaal 1 medespeler uit. Ieder vertelt een verhaal. Alleen ik hoef niet want het moet uit het hoofd. Dat red ik niet. En een goede luisteraar is ook goud waard.

Een smoesje, denkt u, hij durft niet. Kan zijn, kan zijn. Maar sinds vorige week donderdag weet ik hoe belangrijk de luisteraar is. Zonder luisteraar geen verhaal. Annet Scheringa wijdde een 13-tal tekstschrijvers in in de kunst van storytelling. De term ‘storytelling’ is ingeburgerd maar volgens mij niet handig. Het gaat niet om het vertellen. Het gaat om het zorgen dat het verhaal verteld wordt.

In de communicatietheorie is storytelling de zoektocht naar verhalen die iets zeggen. Bijvoorbeeld over het bedrijf waar je werkt. Zeker in de wat grotere bedrijven wemelt het van zulke verhalen. Ik schreef ooit de teksten voor een standaardrondleiding in een groot academisch ziekenhuis in het Noorden van het land. Met die teksten verzorgden vrijwilligers vervolgens rondleidingen. Ik stuitte wat later op zo’n rondleiding en hoorde een verhaal dat ik zelf had opgeschreven:

We staan hier in het hart van de nieuwbouw. Prachtige, hypermoderne architectuur. Maar wat u hier ziet is de bestuurskamer uit het oude ziekenhuis. Toen de nieuwbouwplannen gesmeed werden, was het de bedoeling dat het oude gebouw helemaal gesloopt zou worden. Deze bestuurskamer was zo prachtig dat het gewoon jammer was om hem te slopen. Daarom  besloot de Raad van Bestuur om de kamer te transplanteren naar de nieuwbouw. Twee medewerkers van de Technische Dienst zijn daar de laatste twee jaar voor hun pensioen voor vrijgemaakt. Balk voor balk, plank voor plank en steentje voor steentje hebben ze de oude kamer gedemonteerd. Een enorme klus. Moet u zich voorstellen: alleen al deze lambrisering. En vervolgens hebben ze de kamer weer in zijn oude luister hersteld hier op de vierde verdieping van de nieuwbouw. Een prachtige klus zo tegen het eind van je loopbaan. En u ziet: het resultaat is er naar, het is weer een prachtige ruimte geworden.

Dit verhaal is een goed voorbeeld van een verhaal dat iets zegt over het bedrijf. Wij leerden van Annet om zo’n verhaal “rond” te krijgen. Vraag door naar de beginsituatie. Vraag door naar de tegenstanders en de medestanders, vraag door naar de worsteling. Want een verhaal is pas een goed verhaal als er spanning is. En wij leerden om de verteller te vragen naar de moraal: wat zegt dit verhaal nu over uw bedrijf? U begrijpt dat er positieve verhalen zijn maar ook negatieve verhalen.

In mijn voorbeeld is de moraal duidelijk: dit ziekenhuis hecht veel waarde aan kwaliteit, tradities en goed personeelsbeleid. En: als het de moeite waard is, mag het wat kosten. Door dit verhaal op te schrijven en door te laten vertellen, bekrachtigt de organisatie zijn eigen identiteit en imago.

Wij tekstschrijvers kunnen daar bij helpen. Als luisteraar en als verteller.

Trots en schaamte

‘Vervuld en blijk gevend van een gevoel van meerderheid boven anderen.’ Zo omschrijft ons Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal het woordje ‘trots’. Ik had het hem niet nagedaan maar ben toch nog niet helemaal tevreden over deze omschrijving. Mijn oudste zoon schreef onlangs een mooi artikel in de NRC.NEXT. Ik ben niet trots, ik ben apetrots. Maar voel ik mij nu meer dan u? Ik geloof het eigenlijk niet. Nou, misschien een beetje. Ik weet echter dat er ook kinderen zijn die in de grote NRC schrijven. Voelen hun vaders zich dan meer dan mij? … ik bedoel: waar houdt het op?

Mijn aarzeling heeft dus te maken met dat gevoel van superioriteit. Maar ook met het object van de trots. Ben ik trots op dat artikel of op mijn zoon? Dat laatste, neem ik aan. In de Volkskrant stond vanochtend een stukje over een heel eng bewakingssysteem waarmee Gerd Leers boeven er zo uit pikt. Hij is er trots op. Toch betwijfel ik dat hij er persoonlijk de hand in gehad heeft. Kun je trots zijn op iets waar je part noch deel aan had? Kennelijk.

Waarschijnlijk ben ik trots omdat ik mij met de knul verbonden voel. De overgang naar schaamte is dan snel gemaakt. Als je met iemand of iets verbonden voelt, kun je er ook gemakkelijk voor schamen. Ik herinner mij dat ik met mijn jongste zoon door Groningen liep. Hij was 12 en zat er net op de middelbare school. Ik had middagpauze, hij had middagpauze. We gingen nieuwe voetbalschoenen kopen. Telkens weer een hoogtepunt in ons leven. We liepen naast elkaar. Een groepje klasgenoten kwam ons tegemoet. ‘Loop even achter me’ siste hij.

Inmiddels zijn we 8 jaar verder. Ik weet niet wat me overkomt: hij nodigt me uit voor zijn Facebook. Ik zei ‘ja’ en klikte.