Mannen onder elkaar

Het bestuur van klaverjasvereniging Ons Genoegen telt vier leden. Drie mannen en een vrouw. Gisterenavond moest het vrouwelijk lid verstek laten gaan.  De agenda was vrij snel afgehandeld en dan moet je nog een hele avond stukslaan. Geen probleem toch? Eindelijk weer eens mannen onder elkaar.

Tegenwoordig ligt dankzij Wikileaks alles op straat. Als er dan gelekt moet worden, laat ik het dan maar zelf doen. Waar hebben we het over gehad? Seks? Nee.  Auto’s? Nee. Stoomovens? Heel even. Nee, wij hadden het over loopbanen. Waar hebben mannen rond de 50 het anders over? 

Bottom line was: we willen graag leuke collega’s, leuke uitdagende opdrachten en werk dat ook echt wat betekent, we willen ook best hard werken en vroeg opstaan maar niet te veel en niet te vaak. We willen namelijk ook wandelen, de hond uitlaten, saxofoon spelen, kaarten, niks doen, uit het raam kijken, die boeken lezen, stukjes schrijven en veel op vakantie. Om met de afwezige vrouw te spreken: ‘dream on’.

Daar zaten we: drie dromende vijftigers. Buiten was het snerpend koud.

De ijsbaan is dicht

Vorige week maakte ik melding van het feit dat de ijsbaan onder water is gezet. Voor de goede orde meld ik dan nu ook maar dat-ie dicht is. Geen eend meer te bekennen. Die hebben waarschijnlijk hun toevlucht gezocht onder de brug bij Oosterwijtwerd. Daar houden jaarlijks vele tientallen vogels het water ijsvrij. Natuurlijk gunnen we ook vogels het beste maar hadden ze niet een makkelijker punt kunnen kiezen? Juist daar bij die brug komen het Leermstermaar en het Eenumermaar bij elkaar. Een belangrijk schaatsknooppunt dus.

De gemeente Loppersum oefent binnenkort met het gebruik van een vogelafweerpistool. Mag dat ook op die arme eenden gebruikt worden? Ik denk het niet. En ach, we gunnen ze ook een plekje onder de brug.

Voor de volledigheid hieronder de ijsbaan in bevroren toestand. Kon minder, toch?

IJsbaan in Leermens eind november 2010

Helpende vragen

Zakelijke teksten zijn altijd een antwoord op vragen. Er zijn enkele vragen die je altijd kunt stellen. Ze helpen de schrijver.

Wie z’n gedachten niet gemakkelijk op papier zet, kan zich laten helpen door z’n beeldscherm. Zie het bericht van gisteren. Maar wat doet dat scherm nu eigenlijk?

De eerste vijf minuten toont je scherm zich een goed luisteraar. Geduldig, bedachtzaam knikkend en vriendelijk en aanmoedigend hummend. Een beetje zoals je naar je vrouw luistert als het maar half boeit. ‘Ja, ja, goh, …hm, hm.’ Het scherm helpt je vrijuit te praten. Maar ja, een partner die alleen maar aanmoedigt en uitnodigt tot meer ideeën en meer woorden, daar heb je op den duur ook niet zoveel aan.

En juist als je dat denkt, wordt je scherm kritischer. Dan gaat hij echte vragen stellen. Helpende vragen. De drie belangrijkste zijn volgens mij:

  • waarom?
  • waaruit blijkt dat?
  • Nou en?

De waarom-vraag helpt je te redeneren. Als je zou willen schrijven: ‘Goede poëzie is poëzie waarbij er sprake is van een misverstand’ helpt de waarom-vraag. Je beeldscherm vraagt: ‘Waarom?’ ‘Nou, omdat echte kunst moet leiden tot nadenken en reflectie.’ ‘Waarom?’ ‘Omdat in de dagelijkse gang van zaken veel dingen te vanzelfsprekend zijn.’ Je beeldscherm neemt er geen genoegen mee: ‘Waarom zijn die dingen dan te vanzelfsprekend?’ Zuchtend zeg je: ‘Ik vind het belangrijk om met een nieuwe blik naar vertrouwde dingen te kijken.’ Sommige mensen hebben een beeldscherm dat van geen ophouden weet. Weet dan wel: hij kan uit.

De waaruit-blijkt-dat-vraag helpt je bij het onderbouwen van vermeende feiten. ‘Sinterklaas wordt in Nederland steeds minder gevierd.’ ‘Hoezo, waaruit blijkt dat?’ De omzet van winkeliers is absoluut niet de omzet van vorig jaar. Waaruit blijkt dat? Dat staat in de Volkskrant van afgelopen zaterdag.’ Nu is je beeldscherm wat geïrriteerd. ‘Nee, ik vraag naar een onderbouwing van feiten. Niet naar een bron.’ ‘Oké, oké: dat blijkt uit de maandgegevens van het CBS, geciteerd in de Volkskrant van zaterdag.’

En de nou-en-vraag ten slotte. Dat is een wat pesterige vraag. De vraag helpt je na te denken over waarom een probleem een probleem is. Vaak eindigt de vraag bij een ‘Ik vind dat …’-antwoord: een overtuiging. Voorbeeld? ‘Er zijn wel heel veel Duitsers op Ameland, tegenwoordig.’ ‘Nou en?’ ‘De voertaal is gewoon Duits.’ ‘Nou en?’ ‘Ameland is gewoon een stukje buitenland aan het worden  in de zomer.’ ‘Nou en?’ ‘Ik vind dat [gecensureerd].’

Je ziet overigens dat het loont als je scherm je antwoorden op deze vragen niet onmiddellijk voor zoete koek aanneemt. Even laten dóórvragen dus. Even geduld.

Vertel het je scherm

Onlangs schreef ik over een mogelijk gebrek aan dopamine in mijn trainingen. Misschien valt dat toch wel mee. Ik verzorgde vorige week een training over het schrijven van heldere beleidsnota’s. Een belangrijk onderdeel van een heldere nota is de inleiding. De inleiding zorgt er namelijk voor dat je lezer weet waarom hij leest wat hij leest en wat je punt is. En hoe je dat punt gaat maken.

Mijn cursisten kregen 15 minuten om een korte nota van een van de deelnemers te lezen en daar een inleiding voor te schrijven. Degene die als eerste de beurt kreeg, moest zich verontschuldigen. ‘Zo kan ik niet schrijven. Ik heb daar veel meer tijd voor nodig. Ik kan mijn gedachten nu eenmaal moeilijk op papier krijgen.’ Vroeger zou ik een andere cursist hebben gevraagd. Tegenwoordig niet meer. Hier lag een kans voor een leermoment. Hier lag de kans voor een shot dopamine.

Iedereen heeft namelijk wel eens moeite om zijn gedachten op papier te zetten. Bouw er dan een stap tussen. Stel je scherm maar even voor als een vriendelijke luisteraar die vraagt: ‘Wat wil je nou eigenlijk zeggen?’

Zet het toetsenbord maar even weg en vertel het je scherm. Of de hond. Of je magnetron. Maar zet het toetsenbord weg. Doe je dat niet,  dan maak je het jezelf onnodig moeilijk. Je doet dan namelijk twee dingen tegelijk: je brengt je gedachten onder woorden én je stileert die woorden. Als je je gedachten eerst alleen maar mondeling onder woorden brengt, hoeft het allemaal niet in vlotte, grammaticaal correcte Nederlandse zinnen.

De cursist die moeite had om z’n gedachten op papier te zetten, bleek prima in staat om zijn gedachten mondeling onder woorden te brengen. Maar dat blijkt alleen als je even doorzet. Als je even uitdaagt.

Morgen lees je over de vragen die je beeldscherm je stelt. Helpende vragen. Een goed scherm is je beste vriend.

Het oude kerkhof

Sta_wandelaar_en_lees_grafzerk_LeermensSta wandelaar en lees
Wiens overschot
Hier zij,
En denk er aan
Dit lot
Treft vroeg of
laat ook mij

Ik kan het ook niet mooier maken. Dit lees je op een grafzerk op het oude kerkhof in Leermens. De plaatselijke steenhouwer hakte voor een luttel bedrag met veel plezier een rijmpje in de steen.  Waarschijnlijk maakte hij ze zelf. Wat vind je van deze?

Geen ledigheit kon hem behagen
Geen hoogmoed en geen ongeduld
Hij heeft de taak hem opgedragen
Als man en vader trouw vervuld
Bleef nedrig wat hem kon verblijden
En was gelaten onder ’t lijden.

De laatste (als je aan de westkant begon) is toch wel een hoogtepunt uit de laat-19e eeuwse poëzie. Lees en huiver:Afgemat_door_hooge_jaren_grafzerk_Leermens

Afgemat door hooge jaren
uitgeteerd door ziekte en pijn
Moest zij in den grafkuil dalen
En een prooi voor wormen zijn.

Prettig weekend!

Een streepje of een trema?

Wanneer plaats je een tussenstreepje? Je vindt hier de belangrijkste regels.

Heel moeilijk is de les van vandaag niet. Maar als je weet wanneer je een streepje moet plaatsen en wanneer een trema, scoor je bij het Groot Dictee der Nederlandse Taal meteen een heel stuk beter. En dat is mooi meegenomen in deze donkere dagen.

Goed, het streepje. We noemen dat streepje hier het verbindingsstreepje. Een verbindingsstreepje verbindt woord-delen die tezamen één woord vormen. Dat zijn samenstellingen. Een samenstelling bestaat uit twee of meer woorden die afzonderlijk een woord zijn. Samen maken ze een nieuw woord. In het Engels schrijft men ze los. Wij schrijven ze aan elkaar. Dus ‘mossel’ en ‘zaad’ wordt ‘mosselzaad’. En een installatie die mosselzaad “invangt”, heet in goed Nederlands ‘mosselzaadinvanginstallatie’. Zo’n woord is nog net leesbaar. Maar we naderen een grens. Als je als schrijver vindt dat de samenstelling niet goed leesbaar is, mag je dat tussenstreepje plaatsen. Dan krijg je bijvoorbeeld ‘mosselzaad-invanginstallatie’.

Maar soms moet het streepje. De meest voorkomende situaties zet ik op een rij.

Bij samenstellingen die een klinkerbotsing veroorzaken. In het woord ‘radiouitzending’ vormen de ‘o’ en de ‘u’ de tweeklank ‘ou’. Terwijl dat hier nu net niet de bedoeling is. Met het verbindingsstreepje haal je die tweeklank weer uit elkaar en laat je toch zien dat het één woord is. Dus correct is: ‘radio-uitzending’. Overigens: ik verzin dit niet zelf. Je vindt het gewoon op de website van de Taalunie

Bij samenstelling met ‘letterwoorden’. Een letterwoord is een woord dat je uitspreekt als de losse letters. Het begrip ‘zelfstandige zonder personeel’ wordt meestal afgekort als ‘zzp’. Een adviseur die deze meneer of mevrouw adviseert heet niet ‘zzpadviseur’. Je schrijft: ‘zzp-adviseur’.

En ten slotte in samenstellingen waarin het eerste deel bestaat uit een combi van twee begrippen die elkaar niet aanvullen maar gelijkwaardig aan elkaar zijn. De Taal top 100 (leuk boekje van, inderdaad, de Nederlandse Taalunie) geeft een aantal voorbeelden: ‘haat-liefdeverhouding’ of ‘maag-darmkanaal’. Als je in dat laatste woord geen streepje zou plaatsen zou ‘maag’ iets zeggen over ‘darm’. Net zoals ‘mossel’ iets zegt over ‘zaad’.

En die trema dan? Voor dit stukje hebben we de tax wel bereikt. Volgende week is er weer een nieuwe les. Maar één ding kunnen we er wel over zeggen: een trema gebruik je onder andere  binnen afleidingen. Dat zijn woorden die bestaan uit een hoofdwoord en een of meer meer letters die dat hoofdwoord vervoegen maar zelf niets betekenen. En dus schrijven we over een twee-eiige tweeling die met z’n tweeën een twee-eenheid vormen.

Trouwens ken je deze site over taal al? De Wereld van de Nederlandse Taal. Een fantastisch cadeau van -daar zijn we weer- de jarige Taalunie. Wat zeggen we dan?

Niet geschikt voor jeugdige lezers

Voor een middelbare school schreef ik de jongerenversie van het schoolplan. Dat is voor een tekstschrijver een leuke opdracht. Want schrijf maar eens over collegiale intervisie of de functiemix  en beloningsbeleid in zodanige bewoordingen dat ook onze jeugdige lezertjes dat begrijpen. Gisteren testten we bij een groepje leerlingen of dat gelukt is. Het goede nieuws is: ja, dat is wel zo’n beetje gelukt.

Ons testpanel bestond uit vier leerlingen van een jaar of 14, 15.  Ik geef toe: uit onderzoekstechnisch oogpunt hadden dat er meer moeten zijn. Maar wat wil je? Het is toetsweek. En deze vier leerlingen hadden zich voorbeeldig van hun taak gekweten. Ze hadden de tekst vooraf aandachtig doorgelezen. En ze waren tevreden. Ze begrepen de tekst goed tot zeer goed en ze konden er met kennis van zaken over praten. Het had hun gemiddeld 25 minuten gekost om de tekst  van tien pagina’s te lezen. En ze waren bovendien zo eerlijk om toe te geven dat ze de tekst uit eigener beweging niet ter hand zouden nemen.

En er is nog beter nieuws.

Deze jeugdige lezertjes zijn groter dan ik dacht. Ze kunnen ook tussen de regels lezen. Feilloos pikten ze er een passage uit waar iets stond over een score die de school in een komende peiling met 25 % wil verbeteren. ‘Er staat niet hoe hoog de score nu is.’ merkte een van de deelneemsters fijntjes op. Een collega van haar ging daar even op door: ‘Want als je mikt op een verbetering van 25 % dan moet het nu wel slecht zijn.’ Au.

Mijn conclusie: het heeft geen zin om dit soort gegevens in versluierende beleidstaal te verpakken. Deze scholieren kijken daar doorheen. Niet geschikt voor jeugdige lezers? Dat maken ze zelf wel uit.