Niet geschikt voor jeugdige lezers

Voor een middelbare school schreef ik de jongerenversie van het schoolplan. Dat is voor een tekstschrijver een leuke opdracht. Want schrijf maar eens over collegiale intervisie of de functiemix  en beloningsbeleid in zodanige bewoordingen dat ook onze jeugdige lezertjes dat begrijpen. Gisteren testten we bij een groepje leerlingen of dat gelukt is. Het goede nieuws is: ja, dat is wel zo’n beetje gelukt.

Ons testpanel bestond uit vier leerlingen van een jaar of 14, 15.  Ik geef toe: uit onderzoekstechnisch oogpunt hadden dat er meer moeten zijn. Maar wat wil je? Het is toetsweek. En deze vier leerlingen hadden zich voorbeeldig van hun taak gekweten. Ze hadden de tekst vooraf aandachtig doorgelezen. En ze waren tevreden. Ze begrepen de tekst goed tot zeer goed en ze konden er met kennis van zaken over praten. Het had hun gemiddeld 25 minuten gekost om de tekst  van tien pagina’s te lezen. En ze waren bovendien zo eerlijk om toe te geven dat ze de tekst uit eigener beweging niet ter hand zouden nemen.

En er is nog beter nieuws.

Deze jeugdige lezertjes zijn groter dan ik dacht. Ze kunnen ook tussen de regels lezen. Feilloos pikten ze er een passage uit waar iets stond over een score die de school in een komende peiling met 25 % wil verbeteren. ‘Er staat niet hoe hoog de score nu is.’ merkte een van de deelneemsters fijntjes op. Een collega van haar ging daar even op door: ‘Want als je mikt op een verbetering van 25 % dan moet het nu wel slecht zijn.’ Au.

Mijn conclusie: het heeft geen zin om dit soort gegevens in versluierende beleidstaal te verpakken. Deze scholieren kijken daar doorheen. Niet geschikt voor jeugdige lezers? Dat maken ze zelf wel uit.

De ijsbaan is open

 

IJsbaan in Leermens eind november 2010
IJsbaan in Leermens eind november 2010

Ik weet, ik had een ander stukje beloofd maar de actualiteit zit me op de hielen. De ijsbaan van ijsvereniging Nooitgedacht is weer open. Voorlopig alleen voor eenden maar heel lang kan het niet meer duren voordat we kunnen schaatsen. Bij het KNMI willen ze vorst.

Op de foto kun je met wat goede wil (rechts van de grote lichtmast in het midden zie je de inlaat) zien hoe het weiland geïnundeerd wordt. Je ziet dat het gras nog niet helemaal onder staat.

’s Zomers staan hier de schapen. ’s Winters mogen wij. Stel je voor: volle maan, kraakhelder en ijs- en ijskoud. Uitzicht op de middeleeuwse Sint Donatuskerk. Uit de luidspreker schalt ‘Haar naam is Laura’.  Terwijl je je uiterste best doet om netjes pootje over te gaan word je voorbij gesuisd door een stel jonge blagen. Op ijshockeyschaatsen. Dan is er ook geen kunst aan.

Voorlopig worden wij weer wakker met het gekwaak van de eenden. Kon ja minder ja.

Breinleren

Gisterenmiddag was ik bij een korte workshop over ‘breinleren’. Waarom? Ik was vooral getriggerd door het woord. Ik dacht dat leren iets is wat zich in je brein afspeelt. Dus het begrip ‘breinleren’ suggereert dat er ook zoiets is als ‘lijfleren’ of ‘intuïtief leren’. Maar al in de inleiding veranderde onze docent ‘breinleren’ in ‘breinvriendelijk leren’. En bleek de centrale vraag te zijn: ‘Hoe kun je als docent in je les maximaal aansluiten op dat raadselachtige puber- en adolescentenbrein?’

Daarmee werd de workshop plots een stuk praktischer dan ik verwacht had. Het kwam erop neer dat de motivatie van studenten beïnvloed wordt door dopamine, opioïden en oxytocine. Dat zijn hormonen, begreep ik. Door studenten te stimuleren die hormonen aan te maken, verhoog je de motivatie tot leren. Zo’n cocktail moet toch te brouwen zijn, denk je dan. Maar wij kregen tips om het gewoon op de ouderwetse manier vrij te maken.

Dopamine maak je aan onder druk. Het is een hormoon dat je prestatiedrang verhoogt. In de klas kun je daar een beroep op doen door de lat hoger te leggen. Zorg voor uitdagingen. Haal ze uit hun comfortzone. De opioïden maak je aan als je je lekker voelt. En dus: geef positieve feedback en doe een beroep op ervaringen zoals tast, reuk, emotie of geluid. En dan is er nog oxytocine. Dat hormoon maak je aan als je je veilig voelt in de groep.

De verwerkingsopdracht was: ga eens na of je in je trainingen omstandigheden creëert waarin al die hormonen als vanzelf tot expressie komen. Oké. In mijn training ‘Schrijven voor internet’  gaat een smakelijke krop knisperende ijsbergsla over tafel. En in een andere training kruipen studenten knus wat dichter bijelkaar als we Jip en Janneke lezen. Met de opioïden en de oxytocine zit het dus wel goed. Maar dopamine? Haal ik mijn studenten uit hun comfortzone? Daar ga ik aan werken. Maar eh…geen garanties. Dus volg je binnenkort een training bij me, neem dan voor de zekerheid maar wat dopamine mee.

Nederlands kan zoveel beter: les 2

Het Nederlands is een spons. Nederlanders zijn sponsen. Als we een woord horen dat van pas komt, aarzelen we niet. We kapen het woord. En laten er wel onze eigen grammatica op los. Zo kun je tegenwoordig een berichtje mailen, cc’en of desgewenst sms’en. Het blijft verbazingwekkend hoe makkelijk we dat soort nieuwe woorden in onze vocabulaire integreren. En hoe makkelijk we ze vervoegen. Maar ja. Dan moeten we die vervoegingen ook nog spellen.

Onlangs (9 november) schreef ik over het werkwoord ‘skaten’. Laten we het nu hebben over het werkwoord ‘daten’. Wie vorige week goed oplette, weet dat je ‘daten’ in de tegenwoordige tijd als volgt vervoegt:

  • Ik date – Jij datet – Hij datet – Wij daten

Verleden tijd
Maar nu de verleden tijd. Je kent ongetwijfeld de ’t kofschip-regel. Dan weet je ook hoe die werkt. Als de stam van een werkwoord eindigt op de klank van een van de medeklinkers uit ’t kofschip, krijgt het werkwoord in de verleden tijd er –te of –ten achter. Eindigt de stam niet op een van die klanken, dan krijgt het werkwoord in de verleden tijd er –de of –den achter. Dus:

  • Ik heette – hij heette – wij heetten
  • Ik hoorde – hij hoorde – wij hoorden

Wat is de stam van het werkwoord ‘daten’? Precies: de stam is ‘date’. Je spreekt dat uit als [deet]. Op welke klank eindigt die stam? Simple comme toujours: op de harde plofklank [t]. En dus zetten we in de verleden tijd er –te of –ten achter.

  • Ik datete – Hij datete – Wij dateten.

Cursisten zeggen dan: ‘Daar staat [deeteten].’  Ik heb mijn cursisten heel hoog maar dit klopt niet. Er staat [deeten]. De stam is ‘date’ en dat spreek je uit als [deet]. Achter dát woord schrijf je in de verleden tijd –te.

Voor wie nog puf heeft een ander werkwoord van Engelse herkomst: ‘bowlen’. Die stam eindigt niet op een van die harde plofklanken uit ’t kofschip. En dus schrijven we:

  • Ik bowlde – Hij bowlde – Wij bowlden

En voor de echte diehards een moeilijke casus. Het werkwoord ‘coachen’. Op welke klank eindigt die stam? Tja. We hebben die klank niet echt in het Nederlands. Fonetisch zou je schrijven: [tsj]. De Nederlandse Taalunie besloot dat die klank eindigt op een harde S-klank. We schrijven dus

  • Ik coachte – hij coachte – wij coachten

En  hiermee eindigt de les van vandaag.

Jij ook hier?

Ik geloof dat ik het kan, groeten in het Gronings. Niet dat ‘moi’ of ‘oant moarn’ van de televisie. En ook mijn ‘gojdaag’ klinkt waarschijnlijk minder Gronings dan ik zelf denk. Nee, het gaat mij om de geluidloze groet vanuit de auto of vanaf de fiets.

Je kunt je voorstellen dat als je elkaar niet kunt verstaan (de een zit in de auto, de ander fietst) je even zwaait. Of de hand op steekt. Dat is in Groningen te uitbundig. Het moet ingetogener.

Een instructie.

Je ziet het tegemoetkomende verkeer van ver aan komen. Je hebt dus alle tijd om je voor te bereiden. Zodra je elkaars gezicht zou kunnen zien, houd je het hoofd ietwat voorovergebogen. Vervolgens beweeg je het hoofd licht naar boven waarbij je je wenkbrauwen iets optrekt, alsof je verbaasd bent, ‘Jij ook hier?’ En tegelijkertijd maak je met je rechterwijsvinger een opwaartse beweging. Niet te veel maar ook niet te weinig. Twee tot drie centimeter: dat komt niet zo precies.

Mist

Wie van Groningen naar Leermens rijdt, neemt bij Eenum de Schansweg. Je gaat dan eerst linksaf, een smalle weg langs het Eenumermaar. Na zo’n 200 meter maakt die weg een scherpe bocht naar rechts. Je steekt dan het maar over en rijdt de Eenumerhoogte op. Zo’n 200 meter na de Eenumerhoogte maakt de weg een scherpe bocht naar rechts en even later weer een scherpe bocht naar links. Als je dan aan je linkerhand het Leermstermaar hebt, maakt de weg nog een flauwe bocht naar rechts. Om het centrum te bereiken moet je dan linksaf de brug over. Pas op voor verkeer van links: automobilisten kunnen je niet zien. Na zo’n 200 meter sta je dan op de Leermster bult. De rit vergt op de fiets of met de auto zo’n 3 minuten.

Tenzij het mistig is. Of tenzij er geoogst wordt. We hebben de aardappels en de uien gehad. De wortels zijn nu aan de beurt. Langs de weg ontstaat deze dagen een soort hutspot, fijngestampt door auto- en tractorwielen en aangemaakt met modder. En echt waar: je ruikt hutspot. En die hutspot zorgt, zeker met wat regen, voor een parcours waar Hennie Stamsnijder heel gelukkig van zou worden.

Tenzij het mistig is. Want dan wordt zelfs Hennie hier niet blij. Als het mistig is, kun je je erg alleen voelen. Borden zijn er nauwelijks: die zouden het landbouwverkeer ernstig belemmeren.

Jaren geleden vierde mijn zoontje zijn verjaardag. Het mistte. Vaders en moeders uit Stad kwamen per auto hun kroost ophalen. Een barre tocht was het. Een moeder was in tranen. In konvooi zijn ze weer richting Groningen vertrokken. We hebben nooit meer iets van hen gehoord.