Onschuld

De poëziekalender is een geweldige manier om nieuwe poëzie te ontdekken en om oude poëzie te herontdekken. En soms om te zien hoe de wereld is veranderd. Simon Carmiggelt dichtte het gedicht voor dinsdag 14 december. Ik denk niet dat hij straffeloos hetzelfde gedicht vandaag de dag had kunnen schrijven. Onschuld.

De schooljuffrouw

Ze heette juffrouw Vis en had geen man.
Des winters, spoedig door de kou bevangen
trad zij met sjaal en pelerines behangen,
bevend de klas in – en zij weende dan.

Wij kleine jongens, kenden onze taak.
Gezeten in haar stoel, liet zij zich strelen.
Tien kinderhanden kwamen met de juffrouw spelen.
‘Zo gaat het beter,’ riep de stakker vaak.

Eens kwam de schoolknecht binnen, klein en vals,
en lachte voos, om wat hij voor zich zag.
Maar zij beriep zich op de koude dag
en zei tot mij: ‘Nog even in de hals.’

O die fameuze hals van juffrouw Vis!
Haar armen, pezig uit de ttrui geschoven.
De kleine strelers, steeds door vrees bestoven.
Een Laokoöngroep van haar hels gemis.

Groot Dictee

Jammer, jammer, jammer. Ik kan vanavond niet meedoen aan het Groot Dictee. Het Taalcentrum-VU, voor wie ik veel trainingen verzorg, nodigde mij en mijn collega’s uit voor een soort van leraarsvergadering. Nu ik dit schrijf, slaat me de schrik om het hart. Dit kan geen toeval zijn. Ze gaan ons testen! Wie meer dan 10 fouten heeft, mag niet meer voor het Taalcentrum-VU werken. Jammer, jammer, jammer.

Want ik weet nu wel hoe je ‘Bokseropstand’, ‘balkenendenorm’ en ‘eau de toiletteje’ schrijft (zie het dictee van vorig jaar) maar dat is te danken aan dat dictee. Nee – ik ken de meeste regels en kan die meestal goed uitleggen maar voor het Groot Dictee zal ik nooit een voldoende scoren.

Is dat erg? Nee. Vind je dat erg? Ik vind het jammer. Maar het gaat maar ten dele om kennis van de regels. Het gaat bij het Groot Dictee ook om een enorme woordenschat. Ik heb vandaag voor het eerste ‘eau de toiletteje’ gebruikt. Mocht ik het ooit nog eens nodig hebben, dan zoek ik het op. Het liefst gewoon in mijn papieren Van Dale. En anders in het digitale Groene Boekje bij de Taalunie.

Ik moet toegeven dat het voorlezen van een dictee erg leuk is. In welke groep ik dat ook doe, het proces verloopt altijd hetzelfde. Eerst wordt er wat gegiecheld. Dan geschuifeld. Dan wordt het stil, heel stil. De deelnemers -volwassenen met over het algemeen een meer dan gemiddeld inkomen en navenant IQ- hebben de pen paraat. En zijn bloedserieus. Spellen telt.

Overigens: mijn werkdag begint al maanden met een oefening op beter spellen.nl. Het heeft niets om het lijf maar het is gewoon leuk. En als spellen niet helemaal je ding is, kun je er veel leren. Ik zeg: doen!

Overwinter in Groningen

Overwinter (in Groningen)

Op mijn bureau ligt al een tijdje de folder ‘Overwinter’. Ik geef toe, het is wat dwingend gesteld maar u en ik worden hartelijk uitgenodigd om in Groningen te komen genieten van een warme winter. Ik weet het niet. Het is bijna 9 uur, het vriest-ijzelt-regent-dooit, de kippen zijn ondanks gerichte lichttherapie structureel van hun leg  en ik moet een kerstboom kopen. Ons huis heeft luiken aan de binnenzijde van de ramen. Dit is een dag om ze dicht te houden.

Eerlijk is eerlijk. De foto’s laten Groningen-stad op haar mooist zien. Feeërieke plaatjes van het Hoge der Aa en op de omslag een geheel geretoucheerd Groninger Museum. Wat ze er op de foto’s in de folder niet bij laten zien is de troosteloze derrie die achterblijft als het gesneeuwd heeft en er enigszins gestrooid is zonder dat het veel zoden aan de dijk zet.

Het komt hierop neer: ik was eigenlijk al aan de lente begonnen. Anderen troost ik door erop te wijzen dat vanaf volgende week de dagen al weer langer worden. Zelf weet ik wel beter. Het duurt zeker nog een maand voordat je daar wat van merkt. En tot die tijd niks dan mist, miezer en modder.

Mijn vrouw waarschuwde me vanmorgen toen ze de deur uit ging. ‘De stoep is glad’. En zo kom ik toch nog uit bij de koning van de lijdende vorm. Chapeau.

Immortelle XLIX

Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
”De stoep is weer nat”. Och, hij wist niet
Dat er ’s nachts op die stoep was geschreid.

Nu dat hij en de meid het niet wisten,
Dat was minder; — maar dat zij
Er hoegenaamd niets van vermoedde
Dat was wel hard voor mij.

Piet Paaltjens

Waar is de actie?

Bij andere situaties wordt afhankelijk van de functionaris niet altijd een voorlopig rapport opgestuurd. De voorlopige rapporten die bij ons binnen komen worden visueel beoordeeld en op basis van de bevindingen in het rapport worden er bij individuele gevallen de noodzakelijke maatregelen genomen.

Vrijdag kon je bovenstaande zin lezen. De zin is nu al een klassieker in het Nederlands ambtelijk proza. En hij wordt de aanleiding voor een moeilijk stukje. Maar je kunt echt wat leren. Gewoon even opletten.

Wat is de lijdende vorm? De lijdende vorm is een grammaticale constructie. We maken die constructie met het hulpwerkwoord ‘worden’ en een voltooid deelwoord. Een voorbeeld:

(1) De hond wordt geslagen. [lijdende vorm]

De tegenhanger van de lijdende vorm is de bedrijvende vorm. In de bedrijvende vorm zou de zin kunnen luiden:

(2) Jan slaat de hond. [de bedrijvende vorm]

Je ziet: in de bedrijvende vorm is het grammaticale onderwerp van de zin (hier ‘Jan’) ook de handelende persoon. In de lijdende vorm ontbreekt meestal die handelende persoon. Soms is dat helemaal niet erg. Dan doet die handelende persoon er niet zo toe.

(3) Op de trouwerij werd tot diep in de nacht gedanst.

Nu de ambtenaren van afdelingen X en Y uit de nota waarmee ik dit stukje begon. ‘Bij andere situaties wordt … een rapport opgestuurd.’ Waar is de actie? Wie doet het? Jij en ik weten dat niet maar de schrijver en zijn doelgroep weten het vast wel. Laten we de afdeling die een voorlopig rapport stuurt ‘afdeling X’ noemen. Als we de lijdende vorm omzetten in de bedrijvende vorm krijg je dus:

Bij andere situaties stuurt afdeling X niet altijd een voorlopig rapport.

Wie beoordeelt de voorlopige rapporten? Inderdaad. Dat zijn ‘wij’. Dus:

De voorlopige rapporten die bij ons binnen komen, beoordelen we visueel.

En dan het derde deel van passage. Wie neemt de noodzakelijke maatregelen? Opnieuw: jij en ik weten dat niet. Maar laten we zeggen dat de ontvangers dat doen. Dan mogen we gewoon ‘wij’ gebruiken en staat er dus:

Op basis van de bevindingen in het rapport nemen we bij individuele gevallen de noodzakelijke maatregelen.

Echt, er zijn veel situaties waarin de lijdende vorm nuttig kan zijn. Maar hanteer de stelregel: check je zin als je het hulpwerkwoord ‘worden’ gebruikt. Hanteer je de lijdende vorm? Ja? Ga dan na of je de handelende persoon terecht uit beeld laat. Tien tegen een dat die handelende persoon dan alsnog opduikt.

Goedemorgen!

Bronnen
Burger en De Jong, Handboek stijl Noordhoff Uitgevers. Groningen, 2009. ISBN: 978 90 01 70965 5
Taaladviesdienst (de vraagbaak van de Nederlandse TaalUnie)

De lijdende vorm

Bij andere situaties wordt afhankelijk van de functionaris niet altijd een voorlopig rapport opgestuurd. De voorlopige rapporten die bij ons binnen komen worden visueel beoordeeld en op basis van de bevindingen in het rapport worden er bij individuele gevallen de noodzakelijke maatregelen genomen.

De lijdende vorm. Daar moeten we het ook nog over hebben. Het citaat hierboven komt uit een beleidsnota van een opdrachtgever. Overigens: ik heb het zwaar geanonimiseerd. Niemand hoeft zich zorgen te maken dat zijn inzending hier geleakt wordt.

Tijdens een training komt die lijdende vorm vaak aan de orde. Ik heb even gedacht dat als je deelnemers daar een keer op wees, ze die vorm beter en bewuster zouden kunnen gebruiken. Dat bleek niet het geval.  Hoe komt dat? Ik denk dat er drie oorzaken zijn. Ik leg nog niet goed genoeg uit wat die lijdende vorm precies is. Deelnemers zien nog onvoldoende hoe die lijdende vorm teksten volkomen “leegzuigen”. En ze kunnen niet meer anders: het is in het ambtelijke DNA gekropen.

Als ik het daarover heb met cursisten, vertel ik vaak het verhaal over de kooi met apen en de banaan. Ik las dat verhaal ooit in het boek van Tom Pauka en Rein Zunderdorp, ‘De banaan wordt bespreekbaar; cultuurverandering in ambtelijk en politiek Groningen’.

Omdat de postbodes staken, kocht ik een scanner.  Een pijnlijke bekentenis realiseer ik me. Profiteer ervan.

Inleiding ‘De banaan wordt bespreekbaar’

Daadwerkelijk letterlijk aan het werk

Soms hoor je een zegswijze of een woord waarvan je pas achteraf de ware kleefkracht ontdekt. Ik had dat met ‘daadwerkelijk’. Ik gebruikte het te pas en te onpas. Er gaat iets krachtigs vanuit, iets robuusts. Nog zo’n woord met een hoge plakfactor: ‘robuust’.

Gisteren hoorde ik in de uitzending van Pauw en Witteman iemand zeggen dat een werkgroep “letterlijk aan het werk gezet” wordt. ‘Letterlijk’. Ik geloof dat het staatssecretaris, sorry, minister De Jager was. Maar het kan ook de nieuwe baas van de KNVB zijn geweest. Wat stellen we ons daarbij voor?  Een groep mannen in pak, ze komen een duur conferentiecentrum binnen, lopen naar de vergaderzaal en leggen hun iPhones op tafel. Net als ze zichzelf een kopje koffie willen inschenken, komt onze staatssecr … sorry minister binnen en roept: “Ho, ho, heren. Waar denken wij mee bezig te zijn?” Hij duwt ieder een schoffel in de hand en stuurt ze de straat op. Letterlijk aan het werk. Dat schiet tenminste op.

Ondertussen duikt in de Volkskrant het dubbeledipspook op en moeten flexwerkers weer aan de slag. Waarom? Omdat ze wonderen verrichten voor de economie. Dankzij de zzp’ers konden bedrijven “relatief makkelijk meeademen met de conjunctuur”. We gaan dus maar letterlijk aan de slag: adem in, adem uit, adem …

Bij de Volkskrant krijgen ze er duidelijk plezier in
%d bloggers liken dit: