What’s in a word?

Het was maandagavond in Leermens het mooiste weer van de wereld maar elders in het land regende het pijpenstelen. ‘Dutch holiday weather’ noemde een Engelse familie dat, begreep ik van collega Anneke. Is dat verbloemend taalgebruik? Ik zou het Anneke moeten vragen maar ik denk van niet. Nee, soms kun je door een fenomeen anders te omschrijven, het hanteerbaarder maken. Dus het is wellicht verbloemend taalgebruik maar dan in de positieve zin van dat woord: doe er een bloemetje bij en dat @#%$!-weer wordt ‘Dutch holiday weather’. Je gaat er haast zin in krijgen.

Gisteren schreef ik over wenswachten en actief wachten. Iemand die wenswacht, schreef zich in voor een specifiek verzorgingshuis. Iemand die actief wacht geeft bij het Zorgkantoor aan dat hij absoluut niet meer thuis kan wonen en per se ergens een plekje nodig heeft. De begrippen zijn niet versluierend bedoeld. Ze zijn niet verbloemend bedoeld. Ze zijn bedacht om beleid te kunnen maken en daarover te praten als beleidsmakers en beleidsbepalers.

Maar woorden zijn net kinderen. Je maakt ze, je koestert ze, je laat ze los en hups, daar gaan ze. Ze blijken hun eigen leven te leiden. En dan heb je er geen vat meer op. Plots blijkt zo’n begrip als ‘wenswachtend’ in de “communicatie naar de burger toe” erg onhandig. Niet verbloemend maar verhullend. Google maar eens op ‘wens+werkwoord of zelfstandig naamwoord’. Je bent al snel in sprookjesland. Wenswachters worden daar niet vrolijk van.

Gruwelijke post van de overheid

De nrc.next doet gewag van een boek over post. Gruwelijke post. Van de overheid. Aan u, aan mij, en aan mevrouw De Vries. Mevrouw De Vries is 87 en hulpbehoevend. Ze krijgt veel post van ambtenaren. Aan die brieven mankeert van alles, vindt de schrijver, Stephan Steinmetz. Steinmetz was de buurman van mevrouw De Vries. Hij hielp haar met het vertalen ervan. Hij hielp haar met het interpreteren ervan. Zijn conclusie: ze zijn te ingewikkeld, ze zijn overbodig, ze zijn met te veel. Over dat laatste kunnen we kort zijn. Het zijn er in elk geval erg veel: 2000 in 8 jaar. Bijna elke werkdag kreeg mevrouw De Vries een brief.

Nou is mevrouw De Vries geen gewoon geval. Ze is erg ziek en doet daardoor een groot beroep op de gezondheidszorg. Ze is invalide en doet daardoor een groot beroep op de WMO. Ze is ook gewoon oud en de wereld gaat een tikje te snel voor haar. Niet gek dat haar buurman haar af en toe even helpt met de post.

Ik heb een zeker belang in mevrouw De Vries. Ik train de ambtenaren die haar die brieven schrijven. En wat ik zo lees, is lang niet altijd erg verkeerd. Ik krijg de indruk dat sommige van die ambtenaren zelfs best goed hebben opgelet. Nee, het probleem is volgens mij niet een schrijfkundig probleem. Het probleem bent u. En ik. En Stephan Steinmetz. En mevrouw De Vries. We noemen dat wel: de samenleving.

de brievenbus van mevrouw de vriesAls ik mijn ambtenaren leer dat ze geen brief moeten schrijven maar gewoon even moeten bellen, zijn ze dat met me eens. Maar of ze willen of niet, die brief moet. Van de wet. En die wet moet omdat u zodra u zich ook maar enigszins misdeeld voelt door de overheid bezwaar aantekent. Trouwens, dat doet u ook als u zich niet misdeeld voelt. Nou. U natuurlijk niet maar uw buurman of buurvrouw. U weet wel, die lui van tegenover. De mondige burger is geëvolueerd tot een klagerige, sacherijnige aso die coûte que coûte zijn eigen gang wil gaan en tegelijkertijd in alles door de overheid geholpen wil worden. En als er ook maar één stap in het proces niet volgens de regels is verlopen, hangt die overheid. Want de zoon van mevrouw De Vries kent haar rechten.

Ik bedoel: we hebben het er vooral zelf naar gemaakt. Boontje komt op zijn loontje.

Lavuller

De krant, de krant. De krant blijft een bijzonder bron van vermaak en van lering. Neem Harry Wagemaker, wethouder Jeugd. Hij reageert op het feit dat in Dordrecht 4,1 op de 100 kinderen mishandeld wordt. Drie keer zoveel als in Rotterdam, tien keer zoveel als in Amsterdam. Wagemaker zit er niet mee. ‘Wij hebben die kinderen tenminste in beeld.’ En: ‘Ik denk dat veel andere gemeenten slechts het topje van de ijsberg registreren. Wij hebben een groter deel van de ijsberg boven water.’ Eigenlijk zegt hij dus: ‘Gemeentes registreren maar wat. We hebben geen idee.’ Boeiend.

Maar het wordt pas echt boeiend als ik de pagina omsla. Nu horen we Rien Meijerink, voorzitter van de Raad voor Volksgezondheid en Zorg. De raad adviseert de minister onder andere over preventief gezondheidsbeleid. De Raad schreef twee jaar geleden een prima advies. En dan zegt Meijerink het: ‘Dat bleek een echte lavuller.’

Resultaten in het WNT voor 'lavuller'
De NRC 18 februari 1914

Meijerink realiseerde zich het waarschijnlijk niet maar hij sprak historie. Ik kende het woord ‘lavuller’ niet. Logisch blijkt nu. Het bestond niet. Een nieuw woord … Ik zocht het op in de WNT. Geen resultaat.
Ik googelde het. Niets. Maar bij het werkwoord ‘lavullen’ krijg ik twee echte hits. Het woord is gebruikt in de Nieuw Rotterdamsche Courant van woensdag 18 februari 1914 en 3 jaar later nog eens. Maar gelukkig blijkt ‘lavullen’ hier een foutje van Google: de pdf-reader leest twee woorden als een woord: rechtsonder ziet u ‘invullen’ en daar pal onder ‘laatste’. Dat wordt bij Google ‘lavullen’.

Waarschijnlijk is ‘lavuller’ in ambtelijke Haagse kringen mondeling gemeengoed. Hier in Leermens is het nieuw. We zijn er blij mee. Ik ben bang dat als in de rapporten in Dordrecht, Rotterdam en Amsterdam over kindermishandeling de cijfers zo zacht zijn, de rapporten al snel lavullers blijken te zijn.

Meer lezen? Lees vandaag over de redigeermachine in mijn hoofd. Op tekstblog.

Lieve opa en oma

Ik verzorg trainingen over zakelijke correspondentie. Als ik Mark Rutte nou een advies mag geven is het dit: laat alle ambtenaren bij mij zo’n training volgen. Omstebeurt, dat wel. Er zijn mensen die zich kunnen opwinden over domme spelfouten of rare spaties. Daar heb ik niet zo’n last van. Ik wind me op over al die gemiste kansen. Een brief of een persoonlijke e-mail is een geweldige kans om echt een goede indruk te maken. En telkens als zo’n ambtenaar weer vrij voor de keeper staat, schiet-ie hoog over of gaat hij proberen die keeper elegant te passeren en dan met een hakje de bal terug te leggen op de spits die – oh ja – voor straf bij de junioren speelt… Sorry, ik liet me even gaan.

Terug naar de brief. Weet je nog, de brieven aan je opa en oma? Ik schreef brieven die als volgt begonnen:

Lieve opa en oma, Hoe gaat het met u? Met mij gaat het goed. Ik heb gisteren mijn zwemdiploma gehaald. Wilt u weten wat ik allemaal moest doen?

Deze opening is zo slecht nog niet. Ik leg hem naast de volgende opening:

Geachte bewoner(s,) Het rioleringssysteem in Leermens bestaat uit een gescheiden rioolstelsel, een regenwaterriool en een vuilwaterriool. Het was verplicht bij de aanleg van het riool om het regenwater van de woningen op het regenwaterriool of op een sloot te lozen.

Wat zijn de belangrijkste verschillen? In mijn brief leg ik eerst contact. Ik spreek mijn lezers aan. De briefschrijver van de gemeente Loppersum spreekt mij niet aan. Hij doet geen enkele poging om contact te maken. Hij zit in zijn ivoren gemeentehuis en zal mij eens haarfijn iets uitleggen. Dat brengt me op het tweede verschil.

In mijn inleiding houd ik het simpel. Ik vertel mijn lieve lezers dat ik een diploma heb gehaald. Pas later in mijn brief krijgen ze de details te horen. De gemeente Loppersum gooit me onmiddellijk in het diepe. De brief is –lees ik elders- geschreven door een technisch medewerker. Hij gaat er even voor zitten. Want niet-techneuten moeten precies weten wat er aan de hand is. Vindt de techneut.

De les van vandaag: spreek je lezer aan. Het liefst al in de eerste zin. Vertel waar je brief over gaat en vermijd details in de opening.

Met vriendelijke groet,

Wout Sorgdrager

PS: ziet u de komma na ‘gescheiden rioolstelsel’? Het rioolstelsel in Leermens is zo eenvoudig nog niet. Hier had een dubbele punt niet misstaan. Dat had meteen onduidelijkheid over de huwelijkse staat van ons rioolstelsel voorkomen.

Schrijfmachien

Ronald Giphart schreef op woensdag verkiezingsdag in de Volkskrant een geweldig stukje over provincietaal. Beter gezegd, hij schreef een geweldig stukje in provincietaal.  Het stukje bestond uit één zin van zo’n 500 woorden. Giphard  gebruikte daarvoor de notulen van de provinciale staten van Utrecht van 13 december 2010.

Gisteren beloofde ik u een mooie traktatie. Alstublieft: een schrijfmachien waarmee u eenvoudig zelf uw eigen beleidsnota schrijft. Ik gebruikte daarvoor deels het stuk dat collega Ronald Giphard in de Volkskrant schreef. Maar het meeste komt uit de koker van mijn cursisten en gecoachden. Hartelijk dat ik jullie woordenschat mocht plunderen.

Het is simpel: neem een woord uit kolom 1, plak dat aan een woord uit kolom 2 en plak er een zelfstandig naamwoord uit kolom 3 aan. Het staat u natuurlijk vrij om meer woorden uit kolom 1 en 2 te gebruiken als u wat steviger uit de hoek wilt komen. En vergeet niet af en toe een –e toe te voegen aan een van de bijwoorden of bijvoeglijk naamwoorden.

Werkwoorden
Een zin is niet compleet zonder werkwoord. Werkwoorden die goed passen zijn bijvoorbeeld: komen tot, creëren, invullen, doorontwikkelen, inpassen, stellen, constateren, implementeren, communiceren, op de schop nemen, bouwen en bestendigen.
En natuurlijk zijn de volgende woorden handig: vooralsnog, op den duur en op termijn.

Haarscherp Participerend Maatwerk
Gedegen Objectiverend Convenant
Krachtig Klantgericht Scenario
Flexibel Pragmatisch Meerjarenperspectief
Duurzaam Dynamisch Gebouw
Inspirerend Aanvaardbare Pilot
Ordentelijk Langjarig Ontwikkelingsmodel
Slagvaardig Sober Proces
Kleinschalig Ontvlochten Plattegrond
Ambitieus Beleidsneutraal Plaatje
Generiek Toekomstvast Visie
Intensief Kostenbewust Startnotitie
Ingrijpend Robuust Aanpak
Krachtig Solide Architectuur

Tijdens een training hebben we een prototype van deze machien al eens laten proefdraaien. Een groep ambtenaren kwam met het volgende juweeltje:

XXX  pleiten voor een kleinschalig, ambitieus onwikkelingsmodel om zo op termijn te komen tot een generiek en toekomstvast scenario waarin een ordentelijk en haarscherp plaatje wordt gecreëerd dat een duurzaam inspirende robuuste en flexibele plattegrond biedt op weg naar slagvaardig, aanvaardbaar, pragmatisch en klantgericht proces dat invulling biedt aan een stevig beleid.

U ziet: een kind kan de was doen. De beurt is aan u. Maak er een mooie nota van. Bedankt voor de aandacht. Prettig weekend.

nawoord 23 maart 2011: ik herlees een stuk van de onvolprezen Schrijfwijzer van Jan Renkema. En daar kom ik tegen de “taalmistmachine”.  Een typisch geval dus van cryptomnesie.

De lijdende vorm

Bij andere situaties wordt afhankelijk van de functionaris niet altijd een voorlopig rapport opgestuurd. De voorlopige rapporten die bij ons binnen komen worden visueel beoordeeld en op basis van de bevindingen in het rapport worden er bij individuele gevallen de noodzakelijke maatregelen genomen.

De lijdende vorm. Daar moeten we het ook nog over hebben. Het citaat hierboven komt uit een beleidsnota van een opdrachtgever. Overigens: ik heb het zwaar geanonimiseerd. Niemand hoeft zich zorgen te maken dat zijn inzending hier geleakt wordt.

Tijdens een training komt die lijdende vorm vaak aan de orde. Ik heb even gedacht dat als je deelnemers daar een keer op wees, ze die vorm beter en bewuster zouden kunnen gebruiken. Dat bleek niet het geval.  Hoe komt dat? Ik denk dat er drie oorzaken zijn. Ik leg nog niet goed genoeg uit wat die lijdende vorm precies is. Deelnemers zien nog onvoldoende hoe die lijdende vorm teksten volkomen “leegzuigen”. En ze kunnen niet meer anders: het is in het ambtelijke DNA gekropen.

Als ik het daarover heb met cursisten, vertel ik vaak het verhaal over de kooi met apen en de banaan. Ik las dat verhaal ooit in het boek van Tom Pauka en Rein Zunderdorp, ‘De banaan wordt bespreekbaar; cultuurverandering in ambtelijk en politiek Groningen’.

Omdat de postbodes staken, kocht ik een scanner.  Een pijnlijke bekentenis realiseer ik me. Profiteer ervan.

Inleiding ‘De banaan wordt bespreekbaar’
%d bloggers liken dit: