Dromen

wolken

‘Hoe kom je er in de hectiek van alledag aan toe om (eindelijk) je dromen te realiseren?’ Ik kan het leren, lees ik in een brochure over een congres.

Mijn alledag is niet zo hectisch. Ja, als de bramen of de pruimen rijp zijn, is dat best een klus. Of als je zoon gaat trouwen en de vakantie nadert. Maar voor het overige zijn mijn alledagen eigenlijk best te doen. Laten we de vraag dus maar herformuleren. Hoe kom je er aan toe om (eindelijk) je dromen te realiseren?

Ik citeerde al eens Neil Young: ‘If you follow every dream you might get lost.’ Dat is een waar woord. Je droom volgen is natuurlijk mooi maar wat is droom en wat is wens en wat is onderbuik? Op Funda zie ik tientallen huizen waarvan ik denk: ‘Wow, als ik daar toch eens zou kunnen wonen, dan zouden al mijn dromen bewaarheid kunnen worden.’ Ik weet: ‘Onzin, er verandert helemaal niets.’

Het antwoord op de vraag hoe je je dromen kunt realiseren, geef je namelijk al die alledagen helemaal zelf. Je doet wat je doet. Je brengt de kinderen naar school, je doet de boodschappen, je werkt wat, je schrijft wat, je haalt de kinderen van school, je voert ze thee en biscuitjes, je kookt een potje, je schrijft een stukje, je stofzuigt een kamer, je plukt als je boft een keertje bramen of pruimen en maakt ze schoon, je werkt nog wat, je gaat eens op bezoek of naar de film, je leest een boek, je doet wat in de tuin, je kijkt tv, je doet niks, je rommelt wat, je maakt de puzzel in VrijNederland.

Wil je je droom realiseren? Echt, dat is niet zo moeilijk. Je schrapt alles hierboven en doet niet wat je doet, maar doet wat je moet. Discipline heette dat vroeger. En als het een echte droom is, is die discipline niet knellend maar bevrijdend.

Het feit dat je desondanks die pruimen gaat plukken betekent alleen maar dat die droom van jou geen droom is maar een wens.

Dit heb ik bij mezelven overdacht …

De rechtvaardiging van een bestaan

JC-Bloem

J.C. Bloem publiceerde dit beroemde gedicht in 1945. Hij was 58.

Dichterschap

Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten,
Voor de rechtvaardiging van een bestaan,
In ’t slecht vervullen van onnoozle plichten
Om den te karigen brode allengs verdaan?

En hierom zijn der op een doel gerichten
bevredigende dagen mij ontgaan;
Hierom blijft mij slechts zelf en lot betichten
in ‘t zicht van ‘t eind der onherkeerbre baan.

Van al de dingen, die ‘k droomen zocht –
Erger: van alle, die ik wèl vermocht,
Is, nu hun tijd voorbij is, niets geworden.

En ik kan zelfs niet, als mijn onbevreesd
Erkennen mij verwijst naar de verdorden,
Aanvoeren: maar mijn bloei is schoon geweest.

Dit gedicht is terecht beroemd vanwege die eerste twee prachtregels. Maar daarna hoeven we eigenlijk niet verder te lezen. Het gedicht gaat ten onder in een huilerige brij van ingewikkelde zinnen die ook nog eens vorstelijk mank gaan aan rijmdwang.

Vooral het slot is sneu. Bloem wist als geen ander dat hij beschouwd werd als een grote, zij het kleine, dichter. Hij hengelt in die laatste strofe ongeneerd naar complimentjes: ‘Heus Jacques, je schrijft prachtige gedichten!’

Ach ja, je bent 58 en je vraagt je af: doe ik er toe?

Gewoon geluk, klein schijnend

Loppersum verloor vorig jaar 42 inwoners. De teller staat nu op iets meer dan 10.000 inwoners. Het taxivervoer trekt zich terug uit het Groninger platteland. De aardbeving bij Wirdum was weer een beste. Maar verder gaat het goed, dank u.

De kippen zijn weer aan de leg. De brug aan de Bronsweg doet ’t weer. De lekkage achter de koelkast is gerepareerd. De zon ging gisteren prachtig onder. Onze ijsbaan ligt er schier bij. De lucht is blauw, de rij populieren achter Spes Nostra rood door de opkomende zon.

Ik hoorde een paar weken geleden Wim Brands in gesprek met Dirk De Wachter, een Belgische psychiater en psychotherapeut. De Wachter schreef ‘Liefde. Een onmogelijk verlangen’. De Wachter betoogde in dat gesprek dat we vaak te hoge eisen aan het leven stellen. Het zit niet altijd mee. Accepteer het.

Oké. Zodadelijk ga ik tennissen op de ongetwijfeld bijna lege prachtbaan van tennisclub Loppersum en Omstreken. Weet u nog? J.C. Bloem: ‘Moeilijk gewoon geluk, klein schijnend maar het meeste’.

Bekijk Dirk De Wachter en Anton Brands in Brands met Boeken.

De wals van Bloem

Ik denk dat het Lex Bohlmeijer was die vorige week op Radio 4 muziek en poëzie met elkaar vergeleek. ‘Muziek heeft als voordeel dat het in zekere zin betekenisloos is’ zei hij ongeveer, meen ik. Van mijn geheugen moet u het niet hebben.

Zo kun je het bekijken. Het klinkt als: bij muziek hoef je gelukkig niet te letten op de betekenis. Je kunt je dus helemaal toeleggen op bijvoorbeeld de klank, het ritme, de melodie, de maat, de compositie en de wisselwerking tussen de instrumenten; je hebt het inderdaad nog druk genoeg als luisteraar.

Zaterdag legde ik u twee gedichten voor, een van J.C. Bloem en een van J.A. dèr Mouw. U koos gelukkig massaal (8) voor Dèr Mouw. Bloem moest het doen met 5 stemmen.

We letten even niet op de betekenis maar op de muziek in deze gedichten. Dat gedicht van Bloem. Lees dat eens hardop. Niet letten op je buur, gewoon hardop lezen. Wat hoor je? Precies: André Rieu, een Weense wals. Ik vond het ooit een prachtig gedicht. Maar wat klinkt het plotseling goedkoop. Plat. Het metrum, een anapest, gaat met de tekst op de loop. Om het gedicht voorgoed te verpesten: kent u dat liedje van Wim Sonneveld, ‘Zij kon het lonken niet laten’?

Aanvaarding

Toen ik jong was, bestond ik in vormen
Van het leven, dat komen zou:
Een vervoerend de wereld doorstormen,
Een lied en een eindlijke vrouw.

Het is bij dromen gebleven;
Ik heb, wat een ander ontsteelt
Aan het immer weerbarstige leven,
Slechts als mogelijkheden verbeeld.

Want ik wist door een keuze verloren
Ieder ander verlokkend bestaan.
Ik heb dan ook niets verkoren,
Maar het leven is voortgegaan.

En het eind, dat ik wilde ontvluchten,
Is de aanvang gelijk, die het had:
Onder Hollandse regenluchten,
In een kleine Hollandse stad.

Ingelijfd bij de bedaarden
Wordt het hart, dat geen tegenstand bood.
Men begint met het leven te aanvaarden
En eindlijk aanvaardt men de dood.

J.C. Bloem

Nee, dan Dèr Mouw. Hij schreef geen Weense wals. Integendeel. Wie dit gedicht hardop voorleest merkt dat het metrum zwalkt. Het gaat alle kanten op. De zinnen stokken wat. Het rijm wordt in de eerste twee strofen daardoor wat naar de achtergrond geduwd. Pas in de laatste drie tweeregelige strofen krijgt het meer nadruk. Mede daardoor lijkt het gedicht allengs tot stilstand te komen.

’t Is eind Augustus, Zondag. – Blauwig waas
Om verre dennen in laat middaguur;
Naar ’t glooiend stoppelveld, vol sprietjes vuur,
Uit stofwolkjes van grindweg loopt een haas.

En ouêrwets bolronde dahlia’s
Gloeien, mooi evenwijdig met de muur
Van ’t boerenhuis; laag tjisp’ren om de schuur
Zwaluwen, over ’t pad langs ’t ijzergaas.

Nog rul van Zaterdagse hark is ’t zand;
Voetstappen staan voorzichtig langs de rand;

Een schaduwpunt van halfgeel bonenblad
Ligt hier en daar in ’t lijnennet op ’t pad;

Door ’t dichte raam komt in gedempte vlagen
Eenvoudig orgelspel van ‘Uren, dagen -.’

J.A. dèr Mouw

Als we vervolgens niet alleen luisteren maar ook lezen, merken we dat het er bij Bloem  allemaal wel duimendik bovenop ligt. En wie het geredeneer niet snapt, krijgt het ook nog eens uitgelegd in het slot. Dèr Mouw laat het plaatje het plaatje: de dag staat stil. De schaduw van het bonenblad is gevangen in het lijnennet dat de schaduw van het gaas op het pad vormt. Maar die stilstand is schijn: uit het huis klinkt ‘Uren, dagen.’ Het is het begin van een populair gezang. In die tijd zal iedereen die de woorden ‘Uren, dagen’ leest er automatisch bij denken ‘ … maanden, jaren vliegen als een schaduw heen.’

Wat het betekent blijft onbenoemd. Daarmee benadert hij dan weer wel de muziek.


Luister Uren, dagen zoals dat in Dèr Mouws tijd klonk.

November

Zondagmiddag. Het is vijf uur. Het is donker. Het stroomt van de regen. En verder is het stil op straat. Stil is stil. Geen auto, geen fiets, geen wandelaar, geen hond, geen kat. Niemand. Niets. Ik repeteer stilletjes voor mezelf ‘November’ van de dichter Bloem. Het begint als volgt: ‘Het regent en het is november, weer keert het najaar en belaagt het hart dat droef maar steeds gewender …’ Ik ken het al jaren straal uit mijn hoofd maar vergeet ook al jaren die ene zin, het begin van de derde strofe: ‘De jaren gaan zoals zij gingen’.

Vreemd eigenlijk. Want jaren doen dat inderdaad. Ze gaan zoals ze gingen. Ik had het kunnen weten. Aan het begin van de middag sprak ik na het bollenplanten de buurman. Hij was terug van een heuse retraite en wilde weten of er nog wat gebeurd was.

Dan komen er twee fietsers langs. Ze roemen Leermens en omstreken maar constateren een bezwaar: er is op zondag geen koffie te krijgen. Ik aarzel even. Zal ik deze twee argeloze toeristen kennis laten maken met mijn allesoverrompelende gastvrijheid? Maar ik denk dat ik mijn familie er geen plezier mee doen. Bovendien zijn ze bij eetcafé de Boerderij in Oosterwijtwerd vast blij met twee betalende gasten. Ik wijs de fietsers de weg. Maar eerst Leermens doen. Ze zetten braaf de fiets tegen de Leermster steen en lopen een rondje rond het dorp. Even later zien we ze bij de kerk. Ze bewonderen de zerken en de opschriften. Ondertussen constateren buurman en ik: nee, er is niets gebeurd. Alles gaat zijn gangetje. Alles gaat zoals het ging.

Het betrekt. Ik haal wat brandhout binnen, steek de kachel aan en constateer dat The proposal ook deze keer goed afloopt. Ze krijgen elkaar. Toch nog. Het wordt donker. Het begint te regenen. Het is zondagmiddag. Het is vijf uur.

 

– lees het hele gedicht November

Belletje zonder tril

– 28 maart 2011 –

Achter mijn rug klinkt een belletje. Zoonlief is thuis en stalt zijn mobiel op mijn werkkamertje om niet gestoord te worden. Ik waarschuw hem.
‘Trilt hij er ook bij?’
‘Nee. Hij trilt niet.’

Dan is het niet belangrijk en kan ik echt beginnen met mijn stukje over het gedicht ‘Insomnia’ van J.C. Bloem dat begint als volgt:

Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood

Voorwaar een cirkel waaraan ontsnappen onmogelijk is. In elk geval niet in het universum van J.C. Bloem. Belletje. Ik kocht zijn verzameld werk in het voorjaar 1976. Ik had besloten dat ik geen landbouwhogeschool -belletje- zou gaan studeren (om in Afrika mensen belletje te leren landbouwen) maar Nederlands. Ik was zelf ook een beetje verbaasd over die plotse ommezwaai. Maar goed, wie a zegt moet ook b zeggen en dus kocht ik bij – belletje – boekwinkel Van Hardenveld in Veenendaal het verzameld werk van Bloem. Een prachtig boek. Gebonden, met leeslint. Erg duur. Ik was apetrots. Een echt Verzameld – belletje – Werk.

Waarom Bloem? Dat kan ik niet goed meer terugspoelen. Ik weet ook niet of ik naar de boekwinkel ging om een boek te kopen en met Bloem thuiskwam of dat ik naar Van Hardenveld ging voor juist dat boek. De gruwelijkheid van Insomnia doorgrondde ik toen nog niet. Ik denk dat ik (net 18) viel voor een gedicht als ‘November’:

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan den tijd;
Altijd november, altijd regen, -belletje-
altijd dit lege hart, altijd.

Gelukkig hoorde ik dit weekend onze egel al weer rochelen, smakken en snurken. Hij mag zich nog een keer omdraaien. Maar dan moet hij weer vol aan de bak. Dan telt het lege hart niet meer. Dan telt alleen de lege maag. Belletje met een rinkel.

Zoonlief is thuis. Kan-ie rustig studeren. Zonder gestoord te worden.