Leegte

niet geschreven

Dat je door het huis loopt
in mijn donker prevelt, je stilte inspreekt
in mij aflegt, opeet, nee
dat kan niet waar zijn, niet gezegd
niet gehoord niet geschreven

je bent zo volledig alom afwezig, zozeer
in verhangen kleren onteeuwigd
dat je koude voeten mijn passen inhouden
op de verbruikte stilstaande treden
van de weerloze trap naar beneden:

eter kom eindelijk eten, het vlees
is je lievelingseten, het glas
vult de tijd, het brood
blijft de honger, het enige –

Gerrit Kouwenaar, 2002

Dit gedicht is geschreven door een weduwnaar. De ‘je’ mogen we gerust beschouwen als zijn – toen onlangs overleden – vrouw.

Kouwenaar was wars van clichés. Ik las onlangs over een oorverdovende stilte. Hij zou dat cliché niet gebruiken of er iets mee doen. Maar toch. Dit is een gedicht waarin hartgrondig ontkend wordt. Het gedicht ontkent haar aanwezigheid in alle toonaarden. Wat er wel is, is de herinnering aan haar geprevel, aan haar stilte, aan haar koude voeten, aan de krakende traptreden. Wat er wel is, is vlees, wijn, brood. En honger. Iets. Niets.

Ik zie de verteller door haar kleren gaan. Boven. Ze zijn “verhangen” zoals een colbertje dat je nooit meer aan hebt. Te lang over de kleerhanger gehangen en uit model geraakt. Deze kleren vereeuwigen niet de draagster niet. Ze ónteeuwigen haar. Kouwenaar schrijft over de koude voeten: de herinnering eraan doen hem zijn passen inhouden. Maar door zijn formulering ontstaat de suggestie dat die koude voeten zélf zijn passen inhouden. Daar staat hij. Boven aan de trap. Beneden is er eten.

In de poëzie van Kouwenaar gaat het vaak over eten en drinken. Dat deed hij graag. Maar in zijn poëzie is het toch vooral een metafoor voor ons “leven met vergankelijkheid”. Vlees, brood, wijn, je doodt er de honger niet mee. Je vult er tijd mee.

Hoe je stilte opeet, weet ik niet. Waarom de trap weerloos weet ik niet. Ik weet niet wat ik me bij een weerbare trap moet voorstellen. Kouwenaar geloofde niet in poëzie die klip en klaar was. Juist door de onafheid ervan, ontstaat er een extra dimensie. 

Lees Kouwenaar hardop. Hoor in de eerste twee zinnen de botsing tussen het staccato van de eenlettergrepige woorden in zin 1 en het gebonden metrum van zin 2. Luister  naar de liefdevolle rijmen in de tweede strofe. Huiver bij de stilte die valt. Maar toch ook: verheug je op je op wat de herinnering opvult.

Een tuin in de winter

dichter-gerrit-kouwenaar-91-overleden

Ik las dit weekend de herinneringen van schrijfster Anna Enquist aan Gerrit Kouwenaar. Als je, zoals ik, niet meer heel trouw de culturele pagina’s leest van de bladen, mis je soms iets. Bijvoorbeeld dat er een prachtig boekje verschijnt over de grootste dichter die ons land had. Legt u maar ergens een korrel zout desgewenst.

Als Kouwenaar-adept mocht ik me niet al te zeer verdiepen in de persoon van de schrijver. Die doet er niet toe. Maar je wilt toch graag van alles weten. Anna Enquist beantwoordt veel van die vragen. Bijvoorbeeld de vraag: waarvan leefde hij? Ook die andere vraag werd beantwoord: waaraan stierf hij?

Het begon met een val.

Nee, het begon met de dood van zijn vrouw. Toen kwam de leegte, de afzondering, de eenzaamheid, het gemis van levenslust, de val. Enfin, de rest van het verhaal kent u. Ziekenhuis, opkrabbelen, verpleeghuis en wat verder volgt. Niets menselijks is de dichter vreemd.

Gelukkig is er nu dat boek van Anna Enquist. Gelukkig is er ook de bloemlezing die ze maakte van het werk van Kouwenaar. Opdat we hem niet vergeten. Lezen we nu

         Stilleven

Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader

thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter

nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde –

Ik schreef eerder over dit gedicht: Men scheert zich zijn vader

Anna Enquist, Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar. ISBN 978 90 295 14248

 

Roerloos

Roerloos

Dit gedicht hangt al jaren op mijn prikbord. Het is van 3 november, ik weet niet welk jaar. Het is in elk geval nog uit de tijd dat Meulenhoff de poëziekalender uitgaf. En dat Kouwenaar nog leefde. Op de achterzijde staat alleen zijn geboortejaar: 1923.

Het gaat in Kouwenaars poëzie vaak over de vergeefsheid van taal. Over hoe moeilijk, zeg maar onmogelijk, het is om iets te laten beklijven. Over dat je er bent en dat dat het is.

Dat klinkt somberder dan het is. Denk ik.

Campert leeft

Vanmorgen bevestigde Remco Campert in de Volkskrant wat ik al een beetje vermoedde: hij was ziek en is beter. Wat is dat eigenlijk een rare uitdrukking: beter zijn. Je bent geneigd te denken dat iemand dan weer gezond is, maar “beter” is iemand snel, als hij een paar weken geleden vastgesnoerd op het brancard werd afgevoerd naar het ziekenhuis met een zware longontsteking.

Nu schrijft Campert weer. Over de dood. En dus over leven. Ditmaal citeert Campert zijn collega Kouwenaar om z’n gemoedstoestand te beschrijven.

de sterfelijkheid houdt aan

De sterfelijkheid houdt aan, deze morgen
ontwaakte er een in mijn slaap, en vanavond
vraagt het nuchtere glas om genade, men ademt
zich uit als een inzicht, men is, ik herhaal me

spel hoe men zich weervindt in dit haast vervleesde
voortdurend kortstondige zelvige grondstuk, lijf
lijk als weefsel, ik zijnde, wijn wikkend, zeker

de nachten zijn war en onzeker, verdichten zich
waar men in zit, men erft zich alleen
het steeds weer voorbije, zo tast men zijn omtrek –

uit: ‘het bezit van een ruïne’, 2005.

Wakker worden met het besef dat de sterfelijkheid aanhoudt, is wakker worden met het besef dat je leeft. Uitademen wordt een inzicht. Alles wat je overhoudt zijn herinneringen. Schrijven wordt tasten. Lezen ook.

‘Dit is geen geheimtaal’ schreef ik eerder deze week over Kouwenaar: zijn gedichten zijn geen puzzel, ze hebben geen oplossing.

Poëzie

logo-poezieweek-2015

In 1976 schotelde professor Sötemann ons eerstejaars Nederlands onderstaand gedicht voor. Denk ik. Het kan later geweest zijn. Het kan ook Cees van de Watering zijn geweest. Maar het was dit gedicht. Van Kouwenaar. Ik was 18 en las Bloem. Dit was andere koek.

Dit is

Dit is niet mooi
dit is niet onleesbaar
dit is niet voor kinderen

dit is geen geheimtaal
dit verheft niet het volk

dit is de binnenkant
van je buitendeur, dit ken je
toch: je hand
vergroeid met de klink

op de mat onder je voet
het dagblad het weekblad het maandblad
het jaaroverzicht

het sneeuwt in de hitte
het sterft in de vrede, de letter
heeft alles gegeten, niets
is niet waar, niets is verleden, niets
is verteerd –

Geen geheimtaal? Het gedicht zei me niets. Ik vond het niets. Sötemann liet ons eerst kennismaken met het rijm in de derde strofe. Hoe de woorden ‘binnenkant’ en ‘ buitendeur’ in elkaar resoneren, hoe ‘binnenkant’ en ‘dit ken je toch’ en ‘klink’ door de herhaling van de beginletters van de geaccentueerde lettergrepen elkaar versterken. Wie de strofe hardop voorleest, hóórt het rijm zich voltrekken.

En vervolgens liet hij ons nadenken over de scène. Daar sta je. Je bent weg geweest. Op de mat ligt de post van maanden. Het moment duurt een eeuwigheid. Alles wat zich in maanden voltrok ligt daar onder je voeten, op je mat. Het is voorjaar. Warm. De foto van een sneeuwstorm op de voorpagina van een krant. Er is vrede. De foto van oorlog op de voorpagina van de krant. In dat ene moment komt alles tegelijk binnen. Alles gebeurt. Alles gebeurt nu.

Of ik direct verkocht, weet ik niet meer. Maar gelukkig had ik de vrijheid om me te laten aanraken door een regel, door een stukje. Allengs begreep ik het beter. Allengs begreep  ik ook dat je veel dingen niet moet willen begrijpen. Dat als je het langzaam uitspreekt, het woord ‘begrijpen’ een vies woord wordt.

U begrijpt: het is gedichtendag, het begin van de week van de poëzie. ‘Ieder moment is een gedicht’, lezen we op de fotogedichten op de site poezieweek.com.

Een mijmergedicht

Beetje lui en weinig tijd. Dan kies je voor een gedicht. Een liefdesgedicht. Een herinnergedicht. Een mijmergedicht.

toen wij nog jong waren

Toen wij nog jong waren en de wereld nog oud was
en wij in een ver land op hoge bergen stonden
en in het dal diep beneden een lange roerloze
roestige trein zagen, onbestaanbaar alleen

in het oog van een hevige leegte, riep jij
terwijl je de hemel een kushand toewierp
ik ben een reisgids kinderen
leer mij lezen

en ’s avonds op het plein onder kwijnende palmen
waren er wijn en olijven en een ritselend zwijgen
uit klagende kelen en het donker was week
op het scherp van de snede, en jij
jij kocht het ondraaglijke lot van een blinde
en riep het oor drinkt

nu is het dus later, een avond na jaren, de dood
stille trein is vertrokken, de tijd van het lot
is verstreken, je reisgids ligt open

onder eendere oudere bomen drink ik
de hese stem van je woorden, hoor ik je stilte –

uit: Gerrit Kouwenaar, een glas om te breken, 1998.

 

%d bloggers liken dit: