Een luie dichter

Lucebert was een luie dichter. Hij liet de taal het werk doen.

Toen 3 lieve vriendinnen uit lang vervlogen tijden van de Grote Smak hoorden sloegen ze de handen ineen en stuurden ze me de laatste – en nu echt de allerlaatste – bundel gedichten van Lucebert: ‘Vaarwel’.

Even schrok ik. Ik brak mijn arm maar sta volgens mij verder nog redelijk solide in het leven. Maar de titel sloeg op de dichter. Hij woonde die eerste jaren graag bij mensen in. En als de boel ontplofte, liet hij alles achter en zocht hij zijn heil elders. Uit de gedichten die hij achterliet, ontstond deze bundel.

Lucebert was een dichter die vlot doorschreef. Hij liet de taal het werk doen, improviseerde, associeerde en ouwehoerde er graag op los. Vaak met veel succes. Letterkundigen mochten dan uitzoeken of het nog ergens over ging. Ik was ooit zo’n letterkundige. Tegenwoordig geniet ik meer van de jazz.

Een van de gedichten opent als volgt:

op vele plaatsen kan ik verwaaid wonen
want verdwaald is de waarheid en
verdwaasd is de waarheid
zo kan dorst drinken zingen en zijn
een stem voor vele stemmen
gezaaid en aan de lange wind geschonken

Je hoort en ziet hoe hij van de combinatie ‘verwaaid’ en ‘wonen’ uitkomt bij ‘verdwaald’ en ‘waarheid’ en ‘verdwaasd’. Dat laatste woord brengt met zijn combinatie van d-klanken en s-klanken de weg vrij voor ‘dorst’ dat met die d-klank ‘drinken’ inluidt. Zo gaat het door. Wie Lucebert hoort voorlezen, hoort hoe die klanken elkaar oproepen. Het is mooi.

Het wordt nog mooier als dat klankspel ook een betekenis creëert. Niet de vraag: ‘Wat bedoelt de dichter?’ maar ‘Wat gebeurt er in dit gedicht?’ is daarbij interessant. De passage hierboven komt uit een gedicht dat te lang is om te citeren. Maar het gedicht onder past in een blogje.

Het is mooi. Ik begrijp er nog weinig van.

zee en taal

moerschelp, behoeftig naar de zee
ik hoor de god die treedt de golven
zijn naam ontzaggelijk bedorven
wordt aan uw rode wond gedwee
de echo van de liefste, uitgestorven
haast dan haar zwarte barenswee

en ik neem en zie mijn rode mond
groot en behoeftig open voor het wonder
der weerkaatsing schaatsend door het donker
van zijn gehoornde schaal. rond
gaat de aandacht door de taal en onder
wordt er woord en wonder in verbond

En nee. Ik vergat het einde niet.

Vanaf mijn hoge heuvel

Hoera, het is gedichtendag. Maar wat baat dat mij? Ik was op zoek naar een troostend gedicht. Een warm gedicht. Een gedicht voor dovige mensen die zich week na week kuchend en rochelend door het leven slepen. Maar alles wat ik vind is kommer, kwel en meer ellende. Zelfs de Keizer der Vijftigers blijkt een gewone lamenterende oude man vol zelfbeklag. Niets menselijks is keizers vreemd.

schimmenspel

nu begint dat andere taaie ongerief
dat van de ouderdom van ik had je zo lief
moeder wereld knekelhuis en zonder baten
blaat je alleen nog verminkte citaten
waarmee je de legende van jezelf kruidt en bederft
en het wordt later en later

en dan de conversatie zeg maar geklets
elke aanspraak valt als een pot erwten in je oor
in je wanhoop zet je daar dan een dikke deur voor
en achter grendels achter het al vagere gekeuvel
draag je hijgend zand aan voor een hoge heuvel
die je dan met wankele tred beklimt tot de top
daar aangekomen stijg je langzaam op
in mist en stilte verdwijnt je oude kop

Lucebert, Uit: van de roerloze woelgeest (1993)

Maar Lucebert had wel een punt. Allicht. En ik? Dan toch maar een kuurtje?

Bij Loetje op de bank

Wij zouden een dag uit wandelen, zaterdag, maar de weersomstandigheden lieten dat niet toe. En zo werd plots besloten om zondag naar Bergen te gaan, naar Kranenburgh, naar Lucebert. En zo zat ik zondag bij Loetje op de bank. En dan moet de week van de poëzie nog beginnen.

Er is bij mijn weten in ons taalgebied geen kunstenaar die onbeslommerder de kwast de pen het potlood gebruikte en zulke prachtige dingen maakte. Lucebert woonde o.a. in Bergen. Museum Kranenburgh bouwde het atelier na dat Lucebert in Bergen had. Je zit op zijn bank, achter zijn bureau, op zijn stoel en bekijkt zijn platen, zijn boeken, zijn tijdschriften (waaronder het Natuurkundig Tijdschrift uit 2004?), zijn snippers, zijn halfaffe tekeningen en schilderijen en druksels, zijn aantekeningen, zijn sigaretten, zijn rekeningen, zijn foto’s. Ach, eigenlijk sta je gewoon bij Lucebert in zijn schuurtje. Zijn mannenhonk. Maar wat een honk.

Wat doet dat met een mens? Dat zien we als we het atelier verlaten. Dan mogen bezoekers bij de trap op de muur iets schrijven. Kijk, dit is wat Nederland schrijft als we bij Loetje op bezoek waren. Ja. Schaars zijn ze, echte kunstenaars.

teksten_Lucebert

ik mij ik

Lucebert begon zijn verzameld werk met een even simpel als mooi als rebels gedicht. Het is een statement. Het is het eerste gedicht uit zijn eerste “officiële” bundel. Waarschijnlijk wist hij dat er nog heel veel bundels zouden volgen. Waarschijnlijk wist hij dat al deze bundels op hun beurt ooit gebundeld zouden worden in een Verzameld Werk.

Sonnet

ik
mij
ik
mij

mij
ik
mij
ik

ik
ik
mijn

mijn
mijn
ik

Ik heb dit gedicht altijd opgevat als een statement tegen al het geïk van de klassieke rijmratten waartegen Lucebert en zijn kompanen in die dagen ageerden. Een protest tegen al die dichters die hun eigen ‘ik’ centraal stellen. Maar ergens in mijn achterhoofd smeulde onraad. Terecht. Het volgende gedicht opent als volgt:

Ik ben geen lieflijke dichter
ik ben de schielijke oplichter
der liefde, zie onder haar de haat
en daarop een kaaklende daad.

En het volgende:

waar ben ik
waar ga ik
wie verneemt mij
wie neemt mij mee
wie overhoort mij
wie heeft mijn oren gestolen

Dit alles zou een opstapje moeten zijn naar wat bedenkingen mijnerzijds inzake  bloggende mannen van vijftig met hun ik-boodschapjes. Maar de Keizer der Vijftigers deed het zelf ook. Hoewel: het zou interessant zijn eens grondig uit te zoeken wie die ‘ik’ in dat vroege werk  van Lucebert eigenlijk is.

Borstklopperij

Zoonlief kwam thuis. Hij vertelde over een gastcollege door een beroemde meneer. De beroemde meneer kreeg van de docent een boek als dank. Een boek dat de docent zelf had geschreven… Hier laste hij een veelzeggende pauze in. Op dit punt van zijn verhaal had ik van pure ontsteltenis de hand voor de mond moeten slaan. Ik bleef echter belangstellend luisteren. Maar er kwam niets meer. De clou was dat het volkomen ongepast is om een boek van jezelf weg te geven. Borstklopperij.

Het bleek dat zijn hele groep er zo over dacht. En nou is mijn vraag: ben ik gek of is zoonlief en zijn groep gek?

De omslag van een cadeautje, hij zette er zijn eigen naam op

Voor ik die vraag beantwoord, een kleine uitweiding. Van mijn tante Jannie kreeg ik een bedankje omdat ik haar had geholpen met haar boek. Ze gaf een doos met de unica van Lucebert. Zo mooi, zo mooi. Lucebert maakte de boekjes in een oplage van 1 voor vrienden die hij wilde bedanken. We zien er bekende en onbekende gedichten in voorbijkomen. We zien zijn ongebreidelde lust tot experimenteren, zijn onbekommerde gretigheid, we zien zinnen die als het heelal uitdijen en ‘knip knip en overal overal stroomt stroomt mijn oog’. Je wordt er persoonlijk zelfs zelf in je eige helemaal haast lyrisch van.

Overigens was Lucebert die eerste jaren meer een songwriter dan een dichter. Een lyricus pur sang. Misschien dat De Dijk nog eens ‘lente-suite voor Lilith’ op kan nemen. Dat gedicht eindigt als volgt:

wie wil stralen die moet branden
blijven branden als hij liefde meent
om in licht haar duisternis op handen
te dragen voor de hele goegemeent

Mijn punt is: Lucebert gaf een boek dat-ie zelf maakte en schreef. Was dat ongepast? Nee. Allerminst. Getuigde het van een groot ego? Ja, zeer zeker. Ben ik gek? Nee.

 

Mosselzaadinvanginstallatie op het Malzwin

– 2010 –

Het staat er: Mosselzaadinvanginstallatie op het Malzwin. Geen gedicht van Lucebert. Het is de kop van een artikel in de Volkskrant van afgelopen zaterdag. Marcus Werner schreef het met kennelijk veel plezier. Ik maakte de samenvatting. Ik verzon niets, ik knipte alleen.

Nieuwe mossel uit de achtbaan

In het voorjaar zweven in zeewater
onnoemelijk veel mossellarven.
Het mosselbroed groeit hard.

Op het Malzwin zat de mosselzaadinvanginstallatie tjokvol
jonge mosselen. Groot schaalde de constructie op
tot een netwerk van stroken
met aan weerszijden
scheepsankers.

Het ponton Kaatje Mossel oogst het zaad. Ze trekt het net
met een lier als een gordijn boven het dek
van de ponton waarna een transportbandmechanisme
het voert tussen twee enorme
roterende borstels.

De netten glijden vanzelf
terug op hun plaats
in zee.

Op de mosselkotter vraagt de matroos
Rukt de Japanse oester op?

%d bloggers liken dit: