dood en zo

Dit weekend hadden we een druk sociaal leven. We spraken veel mensen. Een beetje duizelig van zoveel contact zat ik gisteravond in de stilte van mijn kamertje. Er is, zo daagde mij, toch veel te zeggen voor het ouderwetse tweegesprek. Je zit samen op een bankje. Iemand vertelt wat, de ander reageert daarop. Noem het een dialoog. Dat hoeft niet een dialoog te zijn die je een nieuw inzicht oplevert. Nee, ik word al blij als ik met iemand die ik hoogacht of liefheb een half uurtje praat over hoe het gaat. Met het leven, het huwelijk, het huis, de tuin, de kleinkinderen, de kinderen, de moeders, de liefde, de leeftijd. En over hoe het verder moet.

Met de meisjes van het Pedagogisch Didactisch Instituut trek ik al zo lang op dat een viergesprek ook een soort tweegesprek is. En tja, mijn gehoor is dusdanig dat in een café een tweegesprek het hoogst haalbare is. Zeker een café op vrijdagmiddag.

Het mooiste tweegesprek voerde ik echter – excuus lieve gesprekspartners – dit weekend niet zelf. Dat voerden Annemarie Prins en Eva Duijvestein. Sophie Kassies schreef het op. En wij mochten het horen. Bij de première van ‘dood en zo’ van het Noord Nederlands Toneel . U begrijpt uit de titel: dat ging niet alleen over de aanbiedingen van de Lidl. Hoewel, ook die kwamen voorbij.

Het was een prachtig stuk over een waanzinnig probleem. Je bent best wel op leeftijd, je krijgt te horen dat je kanker hebt en neemt afscheid. En dan blijk je toch geen kanker te hebben. Je moet gewoon weer van voren af aan beginnen. Opstaan, tandenpoetsen, ouder worden.

De vriendinnen Prins (84) en Duijvestein (40) hebben het erover. Want dat de dood komt is wel duidelijk. Maar wanneer? En hoe? Dan toch maar die pilletjes uit een Chinese online zelfhulpwinkel? En waarom wil je dat? En hoe is dat voor de achterblijvers? En … nou ja, zoveel vragen, zo weinig antwoorden. Het gesprek is een gesprek tussen twee vriendinnen die elkaar kunnen zeggen wat ze willen zeggen. Maar soms ook niet. De ene wereld dijt uit. De andere wereld krimpt. Maar uiteindelijk lopen ze samen op. Uiteindelijk wordt het donker. Kijken!

Ik had het voorrecht de schrijfster na afloop te mogen zoenen. Ze zat stilletjes buiten, op een bankje, samen met een oude vriend. We kropen er gewoon tussen. Dat mocht, het was een première. Ik zei dat ik jaloers was op zoveel talent en doorzettingsvermogen, en ook dat ik trots ben. Dat kan samen gaan.

Annemarie Prins en Eva Duijvestein spelen dit prachtige stuk bij leven en welzijn nog 24 keer, tot eind december. Bekijk hier de speellijst van ‘dood en zo’.

Het meroakel van Groningen

Marcel Hensema, wie kent ‘m niet? Groningen heeft zijn eigen Groningse Hollander in de armen gesloten. Ik ben Hollandse Groninger en zag het fenomeen met bewondering en verbazing en veel plezier langskomen, wat zeg ik, langsrazen. In zijn Groningse voorstellingen vertelt hij verhalen. In het Gronings. Ik versta hem maar, afhankelijk van het typetje dat-ie doet, soms moeizaam. Hindert niet.

marcel_hensema_in_Hollands_Hoop

We zagen in december ‘Mijn Ede’ over zijn jeugd in Hoogezand en afgelopen woensdag ‘Mijn tweede’ over Groningen, Groningers en het leven. In die voorstelling zijn de uitstapjes naar Het Leven een pietsje Youp van het Hek. Maar who cares?

Wat maakt het zo bijzonder? Dat is de volkstaal. We zijn allemaal thuis. Hensema zet de sfeer neer die past in ons dorpshuis. In Leermens. In Muntendam. In Woltersum. Het is alsof de Leermster toneelvereniging Ons Genoegen het toneelstuk ‘Een rits te ver’ voor de verandering niet met de vaste hoofdrolspeler speelt maar met Hensema. Ik hoorde dat bij zijn volgende voorstelling Hensema zijn publiek gaat vragen om een prijsje voor de verloting mee te nemen.

Hij speelt binnenkort beide voorstellingen in Amsterdam, achter elkaar. Dat is nog niet uitverkocht. Ik zou er maar snel bij zijn. Binnenkort vertrekken hier ongewtijfeld enkele bussen richting het Randstad. Hensema zien en dan sterven.

Speellijst_Mijn_Tweede

De eerste keer

De algemene ledenvergadering van Tekstnet wordt altijd opgeluisterd door een spreker. Spreeksters, in dit geval. Ze vertelden ons over de eerste keer. De eerste keer dat je iemand ziet. Daar hoef je tekstschrijvers eigenlijk niets over te vertellen. Als geen ander weten we dat lezers in een fractie van een seconde beslissen of ze een tekst gaan lezen of niet. En dus kies je je kop met zorg, zorg je voor goede openingszinnen van je alinea’s en smeek je om budget voor een goede foto.

Maar praktiseren we ook wat we prediken? Passen we die kennis over de eerste keer ook toe op onszelf? En dus gingen we een spel doen. Met spelkaarten en regels voor feedback. Welke indruk zetten wij neer? En past die bij ons?

Awel. Aan onze tafel spoorden identiteit en imago wel, geloof ik. De belangrijkste les kwam eigenlijk achteraf. Van de styliste. Wil je een stevige indruk maken, kies dan stevige kleuren met forse accenten. Wit overhemd, rode stropdas, blauw jasje. Daar zat ik, met mijn grijze trui en grijze broek. Gelukkig gaven de speelkaarten mij ook advies over de kleur van mijn lippenstift.

Vanavond gaan mijn vrouw en ik naar de Machinefabriek, naar een voorstelling van Marcel Hensema. Ik aarzel nog over wat ik aandoe. Kennis maakt meer kapot dan je lief is. Welke eerste indruk wil ik maken? Misschien dat ik die eerste indruk even laat voor wat het is. De voorstelling heet ‘Mijn tweede’.

%d bloggers liken dit: