Secretaressedag geüpdatet

550secretaressedagCrop

Ik herinner me dat, toen ik nog echt een baan had, je ’s avonds bij het naar huis gaan precies kon zien wanneer het secretaressedag was. Tientallen dames verlieten die dag het gebouw met een grote bos bloemen. Hoe slechter de baas, hoe groter de bos.

Ik heb geen baan meer en vervreemd dus enigszins van het echte leven. Maar als je nu tientallen dames met een bos bloemen hun werkplek ziet verlaten, is het Valentijnsdag. Secretaressedag wordt tegenwoordig anders ingevuld. Met wellness bijvoorbeeld of een training of, de crisis is immers alweer voorbij, met allebei.

De afgelopen jaren verzorgde ik op secretaressedag workshops over de nieuwe spelling. Dat is in feite zo’n combi van wellness en training. Hoe gek ook, een workshop over spelling is namelijk gewoon leuk. Dat heeft drie oorzaken. In de eerste plaats is het leuk om iets heel concreets te leren. Waarom schrijf je tegenwoordig ‘pannenkoek’ in plaats van ‘pannekoek’? Hoe schrijf je ‘sms’je’? En hoe vervoeg je het werkwoord ‘upgraden’? Je wist het niet en na afloop weet je het wel. In de tweede plaats is het soms ook gewoon lachwekkend. Je ziet namelijk wat de gevolgen zijn als je rigide vasthoudt aan regels. ‘De geüpdatete brief moet alsnog geüpgraded worden.’ Het is correct maar het voelt vreemd.

Maar de belangrijkste oorzaak is gewoon het heerlijke schoolbankjesgevoel dat zo’n workshop oproept. Alleen al het dictee. Ik open zo’n workshop met een dictee en onmiddellijk ontstaat er een wat gespannen, giechelige sfeer die omslaat in een wat gespannen stilte als ik begin met voorlezen. We zijn weer helemaal terug in vroeger. Niet aan te bevelen dus voor mensen met hele slechte herinneringen aan school. Voor de anderen: ik lees eerst de hele zin voor en dan de zin in stukjes. Pennen klaar?

Een moment

We doen in deze vakantieperiode een paar blogjes in de herhaling. Deze week is het de poëzie.

In het najaar van 2010 bezocht ik met mijn vader een leerhuis van filosoof Theo de Boer over vier gedichten van Gerrit Kouwenaar. Voor niet-protestanten: een leerhuis is een bijeenkomst onder auspiciën van de kerk waar men onder leiding van een deskundige met elkaar praat over een onderwerp dat op enigerlei manier verband houdt met geloof. Van Dale zegt het korter: ‘theologische studiegroep’.

Gerrit Kouwenaar is bij mijn weten geen gelovig man. Zijn poëzie gaat over hier en nu, niet over later. Dat er op een zaterdagmorgen een twintigtal mensen in een kerk komen praten over zijn gedichten zal hem doen schateren maar toch ook deugd doen. Want zijn poëzie gaat weliswaar over het hier en het nu maar leent zich uitstekend voor bezinning. Bezinning op datzelfde hier en nu, op wat een moment zo bijzonder maakt. En het kan geen kwaad om daar wat uitleg bij te krijgen. Want soms denk je na eerste lezing: ‘Waar gaat dit over?’

Maar lang niet altijd. Lees dit gedicht.

gebeurtenis

Rokend een sigaret van blonde gestolen tabak
sta ik op de landweg

hoe egypte zich mengt met zuring
hoe windstille damp (nog onvergelijkbaar
met gifgas) de verboden geur
als een kamer vasthoudt

hoe de populieren hun zilver tonen
hoe de hemel eensklaps voorgoed van god ontdaan is

hoe de naam stilte zelfs te luid is
hoe er niets gebeurt niets gebeurt
hoe er volstrekt niets gebeurt –

Het gedicht staat in ‘Zonder namen’. Ik heb er twee exemplaren van. Een gedateerd op 31 december 1980. De ander gedateerd op mei 1981. En ik vraag me af: hoe heb ik dat gehad? Ik weet het weer. Anton Salimans (ik googelde hem even, hij is nu ict’er) was een studiegenoot. Hij begreep niets van mijn passie voor Kouwenaar. ‘Zonder namen’ moesten we aanschaffen voor een werkcollege. En na afloop gaf hij het boekje aan me. Ik kan me het moment nog precies herinneren. Ik was geschokt. Maar nam het dankbaar in ontvangst.

 

Klik nu

Koop nu een Saab en beleef … We stoppen tegenwoordig wel heel veel zintuigen, avontuur en beleving in onze zinnen. Ik beken: ik ben daar een (heel klein beetje) mede schuldig aan. Ik geef trainingen over schrijven. Een van de dingen die ik mijn cursisten leer is: schrijf zo zintuigelijk, zo fysiek mogelijk. Er is zoveel tekst om ons heen. Als schrijver moet je domweg meer je best doen. Dus niet: ‘Probeer de nieuwe Wasa Delicate Thin Crisp …’ maar  ‘Ontdek de nieuwe Wasa Delicate Thin Crisp … ‘ En niet: ‘Eet Weetabix’ maar ‘Geniet van het leven met Weetabix…’

Dat zijn nog maar de zintuigen. Maar we willen tegenwoordig boter bij de vis. We want it all and we want it now. Let maar eens op. Korting krijg je niet meer. Van korting profiteer je. Sterker: van korting profiteer je nu. Een Renault koop je niet. Een Renault koop je nu. Dat dwingende ‘nu’  heeft alles te maken met internet. De knoppen op je scherm en mogelijkheden om inderdaad ‘nu’ te reageren. We willen zo graag dat je drukt. Want iedere klik is weer een stapje dichter bij het ultieme doel: koop ons.

Dus. Klik. Klik nu. Klik hier. En geniet van … nou ja, dondert niet. Geniet. En geniet vooral nu.

Een punt.

(Oorspronkelijk gepubliceerd op 28 oktober 2010)

Het valt op. Reclamemakers hebben de punt ontdekt. Ze plaatsen vaker een punt in een kop. Op billboards. Op reclame in voetbalstadions. Bij het damestennis in Doha. In advertenties. Van Lanschot schrijft: ‘Kunstliefhebbers sinds 1737.’ Ik vind het wel wat. Een kop wordt er stevig van.  Stellender. Onontkoombaar.

We zouden ook in gewone zinnen meer punten moeten zetten. Mensen worden bondiger. Taal wordt bondiger. Al die modieuze leestekens zoals het beletselteken (je weet wel: …) en de komma laten ruimte voor de ander. Daar zijn we klaar mee. Nu is het kabinet-Wilders aan de macht. Nu is het tijd voor de punt.

Jij ook hier?

Ik geloof dat ik het kan, groeten in het Gronings. Niet dat ‘moi’ of ‘oant moarn’ van de televisie. En ook mijn ‘gojdaag’ klinkt waarschijnlijk minder Gronings dan ik zelf denk. Nee, het gaat mij om de geluidloze groet vanuit de auto of vanaf de fiets.

Je kunt je voorstellen dat als je elkaar niet kunt verstaan (de een zit in de auto, de ander fietst) je even zwaait. Of de hand op steekt. Dat is in Groningen te uitbundig. Het moet ingetogener.

Een instructie.

Je ziet het tegemoetkomende verkeer van ver aan komen. Je hebt dus alle tijd om je voor te bereiden. Zodra je elkaars gezicht zou kunnen zien, houd je het hoofd ietwat voorovergebogen. Vervolgens beweeg je het hoofd licht naar boven waarbij je je wenkbrauwen iets optrekt, alsof je verbaasd bent, ‘Jij ook hier?’ En tegelijkertijd maak je met je rechterwijsvinger een opwaartse beweging. Niet te veel maar ook niet te weinig. Twee tot drie centimeter: dat komt niet zo precies.

De overheid twittert

Mijn wijkagent twittert. Dat is handig. Dankzij haar tweets weet ik bijvoorbeeld dat ik op de kruising tussen de Delleweg en de Eemshavenweg niet mag keren, hoe verleidelijk dat ook is nu alles er is afgesloten. Dankzij haar tweets blijf ik enigszins op de hoogte van het wel en wee in de buurt vanuit de optiek van de politie. 

Maar er is wel een maar. In sommige tweets van haar zit een onverholen (wanneer gebruikte u dat woord voor het laatst?) morele component. Bijvoorbeeld deze naar aanleiding van de rellen in Haren: ‘Verdachten rellen Haren gestraft…..wat is straf?’ En gisteren kreeg ik deze: ‘Gesproken met begeleider van een jongere welke zwaar verslaafd is. Krijgt een laatste kans, anders komt hij op straat te staan. #kansenpakken’. Ik neem overigens aan dat de jongen een laatste kans krijgt en niet de begeleider.

Het gaat mij niet om de wijkagent. Het gaat mij om Twitter als medium voor de overheid. Tot voor kort zouden de afdelingen Communicatie de inzet van Twitter niet hebben aangemoedigd. Wij communicatieprofessionals hielden graag een oogje in het zeil als de professionals zelf massamedia gaan gebruiken. Inmiddels weten we beter. We faciliteren liever dan we controleren. Vorig jaar woonde ik bij de belastingdienst de instructie bij  van medewerkers die aan de slag gingen voor het twitteraccount rond de toeslagen 2012 aan particulieren. Professioneel. Het onderwerp was in de bio scherp afgebakend. Er lagen formats klaar. Er was een huisstijl afgesproken en alle niet standaard-tweets werden gecheckt door een collega. Met andere woorden: er zat communicatiebeleid achter. En dat werkte. Veel klanten vonden het handig. En het is ook nog eens  beretransparant: check @BDtoesl2012.

Doen dus. Maar hou het feitelijk. Ga niet chatten. Vermijd oordelen. Realiseer je dat het een massamedium is waarmee veel fout kan gaan. Iedereen kan twitteren. Maar niet iedereen slaagt erin om een knipoog in de boodschap handig te presenteren. Niet iedereen slaagt erin om de neutraliteit en open grondhouding die je van de overheid verwacht te bewaken. Kortom: formuleer spelregels en train de twitterende ambtenaar. Maar goed, om met mijn wijkagent te spreken: ‘dat kan, dat is een mening.’