Kramp

Gisteren schreef ik over de strijd tegen kanker, een manier van spreken waar een  afschuwelijke metafoor achter schuilt. Ik ontdekte echter dat die vecht-metafoor in veel van mijn doen en laten een belangrijke rol speelt. Mijn strijd tegen de slakken. Mijn strijd tegen de winde. Mijn strijd tegen het zevenblad. Wie mij zondag in de tuin aan het werk zag met zaag, zeis, snoeischaar en riek, het zweet parelend op het voorhoofd, dacht niet: die jongen is lekker bezig. Je zag iemand die worstelt met moeder Natuur.

U begrijpt: ik heb het zwaar. Maar dan Andries Knevel. De Volkskrant kopt vandaag: ‘Knevel worstelt met God’. We worstelen dus allemaal. De strijd tegen het buikje, de rimpels, het grijze haar en de vergeetachtigheid, de strijd tegen ambtelijk taalgebruik, de strijd tegen de klok om op tijd te komen …  Je zou ons allen toewensen dat we dat vechten opgeven en een modus vinden om te leven met die buik, de slakken, het zevenblad en de klok. Hoe kunnen we uit die moe makende en vergeefse kramp stappen?

Dat is de opgave voor vandaag. Lever je antwoord in voor 10.00 uur. En denk eraan: hoogstens 150 woorden.

Een foutje dat mag

Ik krijg klachten. Zo belt een moeder uit Veenendaal mij over de zin ‘Voelen hun vaders zich dan meer dan mij?’ Dat is fout. Het moet zijn ‘ik’. Ze zegt het haast schuldbewust. En vanuit het verre België schrijft iemand bezorgd: het moet toch zijn ‘luie achterwerk’ en niet ‘luide achterwerk’?

Een kolossale fout

Het is een riskant spel dat ik speel. Ik ben tekstschrijver. Professional. Ik mag fouten maken maar niet veel en geen grote. Maar de hiervoor genoemde fouten zijn zogenaamde  expresse fouten. Het is flauw, ik weet het, maar ik vind dat wel leuk, zo af en toe zo’n kolossale fout die de boel even op doet schudden en schrikken van dat je denkt van hè en hoe dat zit en dat dat dan leuk is maar hoe en hoezo?

Maar er is nog iets. Sommige expresse fouten zijn ooit mijn woordenschat binnengedrongen als grapje en zijn er in de loop der jaren ingeburgerd. Ik heb het over een ‘resturant’ want dat zeiden mijn kindertjes vroeger. Ik vond dat wel een mooie verbastering. Zo schrijf ik ook vaak ‘alstjeblieft’. Ik vond dat ooit een leuke mengvorm van formeel en informeel taalgebruik.

Gisteren schreef ik zo’n 50 mensen een briefje. Ik open met ‘Alstjeblieft’. Weet dat als u een foutje ziet ik dat grappig bedoel.

Meer trompe-l’oeils 

Mosselzaadinvanginstallatie op het Malzwin

– 2010 –

Het staat er: Mosselzaadinvanginstallatie op het Malzwin. Geen gedicht van Lucebert. Het is de kop van een artikel in de Volkskrant van afgelopen zaterdag. Marcus Werner schreef het met kennelijk veel plezier. Ik maakte de samenvatting. Ik verzon niets, ik knipte alleen.

Nieuwe mossel uit de achtbaan

In het voorjaar zweven in zeewater
onnoemelijk veel mossellarven.
Het mosselbroed groeit hard.

Op het Malzwin zat de mosselzaadinvanginstallatie tjokvol
jonge mosselen. Groot schaalde de constructie op
tot een netwerk van stroken
met aan weerszijden
scheepsankers.

Het ponton Kaatje Mossel oogst het zaad. Ze trekt het net
met een lier als een gordijn boven het dek
van de ponton waarna een transportbandmechanisme
het voert tussen twee enorme
roterende borstels.

De netten glijden vanzelf
terug op hun plaats
in zee.

Op de mosselkotter vraagt de matroos
Rukt de Japanse oester op?

Lavuller

De krant, de krant. De krant blijft een bijzonder bron van vermaak en van lering. Neem Harry Wagemaker, wethouder Jeugd. Hij reageert op het feit dat in Dordrecht 4,1 op de 100 kinderen mishandeld wordt. Drie keer zoveel als in Rotterdam, tien keer zoveel als in Amsterdam. Wagemaker zit er niet mee. ‘Wij hebben die kinderen tenminste in beeld.’ En: ‘Ik denk dat veel andere gemeenten slechts het topje van de ijsberg registreren. Wij hebben een groter deel van de ijsberg boven water.’ Eigenlijk zegt hij dus: ‘Gemeentes registreren maar wat. We hebben geen idee.’ Boeiend.

Maar het wordt pas echt boeiend als ik de pagina omsla. Nu horen we Rien Meijerink, voorzitter van de Raad voor Volksgezondheid en Zorg. De raad adviseert de minister onder andere over preventief gezondheidsbeleid. De Raad schreef twee jaar geleden een prima advies. En dan zegt Meijerink het: ‘Dat bleek een echte lavuller.’

Resultaten in het WNT voor 'lavuller'
De NRC 18 februari 1914

Meijerink realiseerde zich het waarschijnlijk niet maar hij sprak historie. Ik kende het woord ‘lavuller’ niet. Logisch blijkt nu. Het bestond niet. Een nieuw woord … Ik zocht het op in de WNT. Geen resultaat.
Ik googelde het. Niets. Maar bij het werkwoord ‘lavullen’ krijg ik twee echte hits. Het woord is gebruikt in de Nieuw Rotterdamsche Courant van woensdag 18 februari 1914 en 3 jaar later nog eens. Maar gelukkig blijkt ‘lavullen’ hier een foutje van Google: de pdf-reader leest twee woorden als een woord: rechtsonder ziet u ‘invullen’ en daar pal onder ‘laatste’. Dat wordt bij Google ‘lavullen’.

Waarschijnlijk is ‘lavuller’ in ambtelijke Haagse kringen mondeling gemeengoed. Hier in Leermens is het nieuw. We zijn er blij mee. Ik ben bang dat als in de rapporten in Dordrecht, Rotterdam en Amsterdam over kindermishandeling de cijfers zo zacht zijn, de rapporten al snel lavullers blijken te zijn.

Meer lezen? Lees vandaag over de redigeermachine in mijn hoofd. Op tekstblog.

Hun hebben altijd gelijk

Oké. We geven het op. We stoppen met corrigeren. We staken onze strijd. We werpen het moede hoofd in de schoot en kruipen weg in ons warme nest, monkelend, verzuurd en uitgedroogd. Oude denkers.

Hun hebben gelijk als hun maar met genoeg hunnen zijn die echt en oprecht geen idee hebben dat hun niet gelijk kunnen hebben omdat hun hebben nu eenmaal fout is. Maar dat is oud denken.

Nieuw denken is: goh, interessante formulering. Waar hebt hullie zich dat opgepikt? Kunt mij daar wat van leren? Hebt hun nog tips? Wij hádden gelijk, hun hébben gelijk.

De taaladviesdienst schreef er een leuke, leerzame beschouwing over.

Een goede opening van je brief

Eergisteren moest mijn vrouw een Poolse promovendus toespreken, direct na zijn promotie. De jonge doctor verstaat Nederlands. Omdat zijn familie er ook was, “deed” mijn vrouw echter een piepklein deel van de toespraak in het Pools. Zo’n stukje Pools doet wat. Niet omdat de luisteraar nu precies verstaat wat je zegt. Wel omdat het een signaal is: beste luisteraar: ik doe moeite voor jou. Dat klopte ook want er ging heel wat oefenen op de bank aan vooraf.

Wat geldt voor mondelinge communicatie, geldt voor schriftelijke communicatie. Ik neig ernaar om dit de eerste wet van Wout te noemen. Ik heb ooit een cursist ernstig geschokt. Hij betoogde dat ook slecht nieuws je onmiddellijk in de brief moest presenteren. Zoiets als ‘Geachte mevrouw Pietersen, Hierbij deel ik u mee dat u voortaan geen uitkering meer krijgt.’ Mensen houden er niet van als je om het slechte nieuws heen draait, betoogde hij. Ik nodigde hem uit voor een rollenspel. Ik speelde de baas, hij de medewerker. Hij “kwam mijn kamer binnen” en nog voor hij ging zitten, zei ik: ‘Piet, je bent ontslagen.’ De arme man schrok zich wezenloos.

De eerste wet van Wout postuleert dat ook in schriftelijke communicatie je de lezer even op zijn gemak stelt. Je vertelt je lezer even waar we het over gaan hebben en schetst kort de context. En dan is het tijd voor het slechte nieuws. Duidelijk en zonder omhaal van woorden. Gisteren besprak ik met mijn ziekenhuishygiënisten-in-opleiding een brief aan een huisarts. De brief opende als volgt (ik heb natuurlijk alle feiten veranderd):

Uw patiënt dhr. Y, geboren xxx, wonende xxx te ZZZ  werd op xxx MRSA positief bevonden in een urinekweek, tijdens zijn opname op de afdeling Interne Geneeskunde. Aangezien dhr. op dat moment nog antibiotica gebruikte was verdere inventarisatie door middel van kweken niet zinvol. Indien de gezondheidstoestand van dhr. dit toelaat en hij geen antibiotica meer gebruikt, huidlaesies  … enzovoort.

Nou zijn huisartsen wel wat gewend maar dit is te kort door de bocht. Vertel je lezer waar het over gaat en wat de aanleiding is van je brief. Laat hem even ademhalen, laat hem even schakelen. Echt, we hebben het over twee regels. En kom dan met je verhaal.

Ondertussen mis ik dat oefenen op de bank nu al. Gelukkig heeft mijn vrouw ook promovendi uit Taiwan, Roemenië en India. Dziękuję za uwagę.

%d bloggers liken dit: