Wat verdien ik?

Tekstschrijvers verdienen precies wat ze waard zijn. Dat wordt immers bepaald op de markt van vraag en aanbod. Als tekstschrijver moet je staan voor je handel.

Schermafbeelding 2016-03-16 om 08.44.58

Wat verdient een tekstschrijver? Wat verdient iemand die vakkundig andermans gedachten op papier zet? Wat verdient iemand die luistert, ook als de gesprekspartner niets zegt? Wat verdient iemand die van kolder een helder verhaal maakt? Wat verdient iemand die een kundig gesprekspartner is voor zijn opdrachtgever? Wat verdient iemand die mee kan denken over doel en doelgroep en aanpak als het gaat om tekstproducties? Wat verdient iemand die creativiteit paart aan plichtsbesef en discipline? Precies: de hoofdprijs.

Toen ik onlangs in Amsterdam de masterstudenten wat moest vertellen over het vak van tekstschrijver was dat – het leek wel ‘Tussen kunst en kitsch’ – natuurlijk ook een vraag die boven de tafel zweefde. Wat verdient een tekstschrijver? Precies: helemaal niks.

Ok, dat is wellicht wat te stellig en vooral, te klagerig. Ik ken veel tekstschrijvers en de meesten kunnen leven van hun pen. Wie mij 40 jaar geleden had verteld dat ik nu van mijn pen kon leven, zou ik niet geloofd hebben. Ik bof. Ik verdien wat ik verdien.

Er is geen werkwoord in de Nederlandse taal dat zulke verschillende betekenissen heeft. Er is geen werkwoord in de Nederlandse taal dat zo glashelder is. Wat verdient een tekstschrijver? Precies dat wat de markt – de plek waar vraag en aanbod samenkomen – hem waard vindt. Daar spelen aanbieder en vrager ieder hun eigen rol. Op die markt moet je als tekstschrijver stáán voor je handel.

Op Tekstnetblogt schreef collega Olga Leever een stuk over wat tekstschrijvers vragen, krijgen en verdienen. Gebaseerd op onderzoek van Tekstnet. Lezen. En kijk vooral ook het filmpje.

Show, don’t tell

porsche

Bij Amsterdam werden we ingehaald door een supersnelle lichthemelsblauwe Porsche, zo’n laag model. Ik ken mijn automobielen, ik herken een Porsche, zeker de sportmodellen. Maar bij deze Porsche was het al helemaal niet moeilijk. Het stond in grote letters op de zijkant.

Dat vind ik sneu. En bovendien, het is dom.

Wie schrijft dat-ie goed kan schrijven is ongeloofwaardig, je moet dat als lezer onmiddellijk mérken. De clown die op zijn website vermeldt dat-ie leuk is, is ongeloofwaardig. Hetzelfde geldt voor artsen die zeggen dat ze hun uiterste best doen om je beter te maken.

In de tekstschrijverij geldt het adagium: ‘Show, don’t tell’.

Dat geldt ook voor auto’s.

In gesprek over schrijven

Als ik een tekst redigeer of herschrijf, maak ik onbekommerd en rücksichtlos een anonieme ambtelijke tekst vaak een heel stuk korter en pakkender. Ik schrap veel van die lijdende vormen en haal conclusies naar voren. En ik plaats tussenkoppen die de lezer helpen. Echt, vaak knapt een tekst erg van mij op. Maar het is natuurlijk een beetje dweilen met de kraan open. Het zou veel handiger, leuker en productiever zijn als we de auteurs leren hoe ze zelf hun teksten wat kunnen opfleuren. Logisch dat veel tekstschrijvers ook schrijftrainer zijn.

Schrijven en trainen zijn echter twee verschillende bekwaamheden. Als ik een tekst redigeer, doe ik dat in mijn eigen werkkamer, achter mijn eigen computer en zonder al te veel ruggespraak met de auteur. Als ik een schrijftraining geef ga ik juist wel in gesprek. Dat is soms een lastig gesprek.

Je kunt professionals namelijk alleen iets leren als ze de meerwaarde ervan zien. Soms is dat glashelder. Neem een training over correct spellen: de meeste professionals vinden dat een adviesrapport geen spelfouten mag bevatten. Maar lang niet altijd is het zo klip en klaar. Tussenkoppen bijvoorbeeld. Zij stuiten nog wel eens op weerstand.

In mijn trainingen probeer ik daarom deelnemers de meerwaarde ervan te laten ervaren. Ik neem een lange tekst van een van de deelnemers. De ene helft van de groep krijgt de oorspronkelijke tekst, de andere helft krijgt dezelfde tekst mét tussenkoppen. Ze krijgen een paar minuten om de tekst te lezen. Daarna overhoor ik. Vaak merken mensen dan dat ze de tekst mét tussenkoppen beter lezen en beter onthouden. Dan is mijn punt gemaakt.

Denk ik. Hoe overtuigend wil je het? En toch, soms blijft iemand (let op: mijn beleving) steken in ‘zo doen we dat hier niet’. Dan eindigt voor de schrijftrainer het gesprek. Dan is het de beurt aan de leidinggevende: ‘Zo doen we dat hier dus voortaan wel.’ Jammer dat die leidinggevende soms net even weg is.


 

In Tekstblad (02 | 2015) schrijft schrijftrainster Louise Cornelis een interessant artikel over de soms tenenkrommende onmacht van de schrijftrainer.

Pak ze beet

Of ik een training kan geven in het schrijven van nota’s die bestemd zijn voor het hoger management. Ik zei ‘ja’. Allicht. Ik lees Tekstblad en daar staat dat allemaal in. Neem de Tekstblad die gisteren in de bus glipte. Ik citeer een interview met collega’s Annet Huizing en Marc ter Horst, ervaren tekstschrijvers. Wat gaat er vaak mis in een tekst vraagt de interviewer aan Annet:

‘Vaak is het euvel dat een tekst veel te afstandelijk is geschreven. Dat de schrijver geen contact maakt met de lezers.’ ‘Ja precies’, reageert Marc. ‘Pak ze meteen beet, bij de eerste zin, bij elk hoofdstuk.’

Het gaat hier, schrijf ik er volledigheidshalve bij, over het schrijven van informatieve kinderboeken. Zou dat echt zo’n verschil maken? Nee. Of je een informatief boek schrijft voor kinderen of een folder over MRSA voor een patiënt of een artikel voor collega’s of een beleidsnotitie voor de directie, wat telt is de mate waarin je je inleeft in de wereld van je lezer.

Daarmee ben ik terug bij een stokpaardje: bedenk niet wat jij wilt vertellen maar bedenk wat je lezer boeit, raakt, boos maakt, prikkelt, emotioneert, enthousiasmeert. Bedenk: wat wil hij of zij weten? En ja, dan is er verschil tussen een tekst voor kinderen, voor een zieke patiënt of een directeur. Een directie is geïnteresseerd in draagvlak bij alle geledingen van het bedrijf, exposure, meerwaarde, de krant, de klant. En soms – maar lang niet altijd – in geld.

Waar heb je het niet over? Je hebt het niet over onzekerheden. Wel over hoe je onzekerheden uitbant. Je hebt het niet over de techniek (tenzij je voor een technisch bedrijf aan de slag bent). Wel over wat die techniek doet.

Directeuren, het zijn net mensen.

Gedragsverandering

We doen in deze vakantieperiode een paar blogjes in de herhaling. 

Ooit (denk guldentijd) kregen we als communicatieadviseurs bij P&O van een groot academisch medisch centrum in het noorden van het land de opdracht om een folder te maken voor medewerkers over een betere leefstijl. Laten we zeggen: een uitdagende opdracht.

Zaterdag zat ik nog wat uit te puffen op het bankje in de kleedkamer van mijn fitnesscentrum. Onder de douche stonden drie mannen met “enig” overgewicht. Ik kende hen niet. Ze waren nieuw. Ze  hadden een heel stuk gerend en waren trots op zichzelf. Er ging een flacon badedas rond en onderwijl spraken ze elkaar moed in.

Man 1: ‘Volgende week doe ik 15 kilometer.’
Man 2: ‘Of 20, dat moet dan ook wel kunnen.’
Man 3: ‘Hoeveel moet er dan bij jullie af?’
Man 1: ‘Nou, zo’n 10 kilo.’
Man 2: ‘Het moet wel leuk blijven natuurlijk.’
Man 1: ‘Je moet wel lekker eten blijven.’
Man 3: ‘Precies. Ik had met kerst kalkoen met chorizo en mozzarella. Dat was lekker zeg.’
Man 2: ‘Je kunt het ook met spek doen. Dan koop je een paar ons katenspek …’

Katenspek, kalkoen en mozzarella. Hoe kun je als tekstschrijver daar tegenop?

De cijfers van St Radboud

Sinds enige tijd gebruik ik bij mijn hardlopen Runkeeper, een app die bijhoudt hoe snel ik loop en hoeveel ik loop en hoeveel ik daarbij klim. En ik, kleine slaaf van cijfers en feiten, onthoud dat. Sterker, als ik een rondje Wirdum loop, weet ik hoe snel ik dat de vorige keer liep. Op Facebook zie ik hoe snel Marcel een vergelijkbare afstand loopt. Cijfers doen wat met mensen. Ze focussen. Maar wat Runkeeper niet bijhoudt is  loopplezier. Terwijl dat in feite de reden is van al mijn geren. Ik laat me dus leiden door iets wat ik eigenlijk volstrekt niet belangrijk vind. Maar omdat ik het weet, ga ik er op letten en beïnvloedt het mijn gedrag. is dat raar? Zeker. Is dat menselijk? Zeker.

Het UMC St Radboud maakte onlangs als eerste ziekenhuis in Nederland de eigen overlevingscijfers voor kanker openbaar. Ik aarzel met grote aarzel. Als patiënt wil je de beste behandeling van de beste specialist in het beste ziekenhuis. Cijfers kunnen bij dat keuzeproces behulpzaam zijn. Nu Nijmegen deze cijfers presenteert, kunnen andere ziekenhuisbesturen niet anders dan ook dit metertje op hun dashboard monteren.

In een twittergesprek over de actie van het St Radboud schreef iemand ‘Harde uitkomsten zijn zinvol, mogen niet verborgen blijven.’ Wordt er zo over die cijfers gedacht? De cijfers waren niet verborgen. Iets verbergen is een doelbewuste poging om de ander informatie te onthouden. Dat was niet aan de orde. De inspectie kent de cijfers. De collega’s in het land kennen de cijfers. Juist het St Radboud heeft aangetoond dat dat redelijk werkte. Toen de cijfers voor de cardiologie er achteruit gingen werd er ingegrepen. Radicaal.

Straks zie ik in welk ziekenhuis patiënten met aandoening X in stadium Y het langste leven. Betekent dat dat daar ook de beste oncologische zorg wordt geboden? Dat is erg afhankelijk van hoe we ‘goede zorg’ definiëren. Goede zorg is zoveel meer dan een goede score op de overlevingscijfers. Toch zal een ziekenhuisbestuur gedwongen worden zich nog meer op die overlevingscijfers te richten. Ik vind het jammer.

Maar misschien creëert die nieuwe focus voor tekstschrijvers ook een kans: wij kunnen de cijfers inkleuren, nuanceren, een echt verhaal laten vertellen.

%d bloggers liken dit: