Mijn vader – acht jaar later

Het is 27 december. Mijn vader was jarig. Acht jaar geleden schreef ik een stukje over hem. Ruim een half jaar later overleed hij. 

Mijn vader is van 1925. Hij groeide op in de crisis. Een echte crisis. Ook in huize Sorgdrager. Ze waren arm. De ochtend van mijn vaders zesde of zevende verjaardag zei zijn moeder tegen zijn vader: ‘Die jongen moet toch wat hebben.’ Zijn vader haalde met een zucht een kwartje uit zijn portemonnee en smeet dat zo op tafel. En mijn vader? Hij schaamde zich.

Toen hij 15 werd, moest hij aan het werk op de melkfabriek Hij kon goed leren maar er moest brood op de plank. ’s Avonds deed hij MULO B. Na twee jaar kon hij bij de PTT aan de slag. De wrange waarheid was dat de PTT 3000 mensen moest leveren om in Duitsland tewerkgesteld te worden. Die jongens huurden ze dus gewoon in. Het waren praktische mensen, bij de PTT.

En zo kwam hij terecht in Neustrelitz, een plaats ergens in het vroegere Oost-Duitsland. Daar werkte hij bij de posterijen. Toen de oorlog voorbij was, laadde hij samen met wat andere jongens z’n spullen op een postkar en liep de stad uit.

Terug in Nederland moest hij onmiddellijk weer aan het werk. En een jaar later in dienst. Dat betekende in die tijd: naar Indië. Daar moest hij tweeënhalf jaar vorst en vaderland dienen.  De dag voor Kerst 1949 kwam hij weer thuis. Eenmaal thuis ontdekte hij dat hij twee oorlogen van veel te dichtbij had meegemaakt en dingen had gezien die hij nooit had moeten zien, dat hij honger had gehad, dat hij had gezwoegd en geploeterd en dat hij doodsangsten had uitgestaan maar dat zijn leven nog moest beginnen. Hij had geen opleiding, geen vakexamen, geen verloofde. Hij was 24.

In de jaren daarna haalde hij veel in. Maar niet alles. Dat kan namelijk niet. Waarschijnlijk volgt hij ook daarom het rijke studentenleven van mijn zoontjes met zoveel hartstocht. Het zijn de jaren die hém zijn onthouden. Maar toch. Na zijn pensioen studeerde hij Theologie -hij studeerde af over het gnostisch karakter van Galaten 2- en verdiepte hij zich in automatisering en ICT. Nu geniet hij van een welverdiend pensioen aan de zijde van moeder de vrouw.

Het is 27 december. Mijn vader is jarig.

Vaders

Gisterenavond reden we “en famille”  van Veenendaal naar Leermens. We hadden zojuist met kaasfondue en sla, de verjaardag van mijn vader gevierd. Buiten was het koud en donker. Op de radio was een marathoninterview. De geïnterviewde was Tijs Goldschmidt. De interviewer Rik Delhaas. Goldschmidt is wetenschapper, gedragsbioloog en schrijver-essayist, een man met een verhaal. Maar duidelijk niet het verhaal dat Delhaas van hem wilde horen. Delhaas leek gebiologeerd door de vader van Goldschmidt. Van tien over acht tot bijna negen uur zaagde Delhaas Goldschmidt door over diens vader. Goldschmidt verbaasde zich hoorbaar maar antwoordde beleefd.

Mijn vader is van 1925. Hij groeide op in de crisis. Een echte crisis. Ook in huize Sorgdrager. Ze waren arm. De ochtend van mijn vaders zesde of zevende verjaardag zei zijn moeder tegen zijn vader: ‘Die jongen moet toch wat hebben.’ Zijn vader haalde met een zucht een kwartje uit zijn portemonnee en smeet dat zo op tafel. En mijn vader? Hij schaamde zich.

Toen hij 15 werd, moest hij aan het werk op de melkfabriek Hij kon goed leren maar er moest brood op de plank. ’s Avonds deed hij MULO B. Na twee jaar kon hij bij de PTT aan de slag. De wrange waarheid was dat de PTT 3000 mensen moest leveren om in Duitsland tewerkgesteld te worden. Die jongens huurden ze dus gewoon in. Het waren praktische mensen, bij de PTT.

En zo kwam hij terecht in Neustrelitz, een plaats ergens in het vroegere Oost-Duitsland. Daar werkte hij bij de posterijen. Toen de oorlog voorbij was, laadde hij samen met wat andere jongens z’n spullen op een postkar en liep de stad uit.

Terug in Nederland moest hij onmiddellijk weer aan het werk. En een jaar later in dienst. Dat betekende in die tijd: naar Indië. Daar moest hij tweeënhalf jaar vorst en vaderland dienen.  De dag voor Kerst 1949 kwam hij weer thuis. Eenmaal thuis ontdekte hij dat hij twee oorlogen van veel te dichtbij had meegemaakt en dingen had gezien die hij nooit had moeten zien, dat hij honger had gehad, dat hij had gezwoegd en geploeterd en dat hij doodsangsten had uitgestaan maar dat alles nog moest beginnen. Hij had geen opleiding, geen vakexamen, geen verloofde. Hij was 24.

In de jaren daarna haalde hij veel in. Maar niet alles. Dat kan namelijk niet. Waarschijnlijk volgt hij ook daarom het rijke studentenleven van mijn zoontjes met zoveel hartstocht. Het zijn de jaren die hém zijn onthouden. Maar toch. Na zijn pensioen studeerde hij Theologie -hij studeerde af over het gnostisch karakter van Galaten 2- en verdiepte hij zich in automatisering en ICT. Nu geniet hij van een welverdiend pensioen aan de zijde van moeder de vrouw.

Delhaas had misschien wel gelijk: vaders zijn veel interessanter dan hun zoons.