Jan Elburg is niet zielig

elburgmoerpoes
Jan Elburg, Moerpoes. 1952

Laatst kocht ik een bloemlezing uit de gedichten van Jan G. Elburg, ‘Ik zie scherper door de taal’. Waarom? Ik bedoel, waarom kocht ik dat boek? Ik heb het een leven lang gered zonder deze bloemlezing. Toen ik die ochtend wakker werd wist ik niet dat ik het miste. Toen ik de boekwinkel binnenkwam wist ik niet dat ik het ging kopen. Toen ik bij de kast met poëzie stond zocht ik niet bij de E van Elburg.

vijf5tigersHoe ging het dan wel? Het boek lag op tafel en ik dacht: ‘zielig’. Jan Elburg was een van de vijf vijftigers, vijf dichters die begin jaren vijftig stevig aan de weg timmerden. Lucebert was de gekroonde keizer, Kouwenaar de ongekroonde denker en Campert – Campert werd later zeer succesvol. En dan had je Schierbeek en Elburg. Ze deden ook mee. Ik kende het werk van Elburg nauwelijks. Ik dacht dus ‘zielig’ en kocht het boek.

Elburg was vast van alles maar beslist niet zielig. In zijn inleiding schrijft Jan van der Vegt over Elburg: ‘Hij was een experimentator met poëzie die het romantisch realisme, het symbolisme en het surrealisme had uitgeprobeerd en – dat is het belangrijkste – het idee dat hij met zijn gedichten moest behagen en de eeuwigheid zoeken, achter zich had gelaten.’

Dat zou ik ook wel willen kunnen: de behaagzucht achter me laten.

NIETS VAN DAT ALLES

Zoals matrozen zingen …
maar matrozen zingen niet:
zij spugen in de zee,
zij kennen de achterkanten van steden
en de voorkant van de koude wind;
matrozen zingen niet.

zoals de vogels vrolijk …
maar hun vrolijkheid is vluchten:
zij zijn beschoten,
hun jong is dood.
(zij kennen geen droefheid ook).

zoals de zon …
maar zie het rode stof rond boekarest.
wolken? zijn koude mist.
de klaproos? onkruid.
zand: zand.
water: water.

een mens weet nauwelijks wat de mens is.
de dichter weet alles van niets.

Mag ik binnenkort hier nog wat over schrijven? Want zo makkelijk is dat niet: alles weten van niets.

ik mij ik

Lucebert begon zijn verzameld werk met een even simpel als mooi als rebels gedicht. Het is een statement. Het is het eerste gedicht uit zijn eerste “officiële” bundel. Waarschijnlijk wist hij dat er nog heel veel bundels zouden volgen. Waarschijnlijk wist hij dat al deze bundels op hun beurt ooit gebundeld zouden worden in een Verzameld Werk.

Sonnet

ik
mij
ik
mij

mij
ik
mij
ik

ik
ik
mijn

mijn
mijn
ik

Ik heb dit gedicht altijd opgevat als een statement tegen al het geïk van de klassieke rijmratten waartegen Lucebert en zijn kompanen in die dagen ageerden. Een protest tegen al die dichters die hun eigen ‘ik’ centraal stellen. Maar ergens in mijn achterhoofd smeulde onraad. Terecht. Het volgende gedicht opent als volgt:

Ik ben geen lieflijke dichter
ik ben de schielijke oplichter
der liefde, zie onder haar de haat
en daarop een kaaklende daad.

En het volgende:

waar ben ik
waar ga ik
wie verneemt mij
wie neemt mij mee
wie overhoort mij
wie heeft mijn oren gestolen

Dit alles zou een opstapje moeten zijn naar wat bedenkingen mijnerzijds inzake  bloggende mannen van vijftig met hun ik-boodschapjes. Maar de Keizer der Vijftigers deed het zelf ook. Hoewel: het zou interessant zijn eens grondig uit te zoeken wie die ‘ik’ in dat vroege werk  van Lucebert eigenlijk is.

%d bloggers liken dit: