Lekker bezig

Trouw – sinds een week of twee opmerkelijk goed op dreef, is daar op de redactie Religie en filosofie soms iemand nieuw? –  schreef zaterdag een commentaar over een neiging, een gevaar, een tendens. Namelijk: werkenden gaan niet respectvol om met werklozen. De anonieme senior redacteur of de hoofdredactie constateert dat op feestjes vaak de vraag ‘Wat doe je?’ wordt gesteld. Daaraan koppelt dezelfde anoniemer dat het mooi is dat we eigenwaarde ontlenen aan ons werk maar dat ‘het gevaar is dat we doorschieten.’ Slotsom van het stukje: als ooit de crisis voorbij is, zal het makkelijker zijn om werk te vinden. ‘In de tussentijd moeten mensen respectvol met elkaars werkloosheid omgaan.’ Dat is natuurlijk wel een dingetje.

Ik – als zzp’er altijd werkzoekend en nooit werkloos – ben het ermee eens. Diep in mijn hart vind ik namelijk dat we sowieso respectvol moeten omgaan met elkaar. Of het nu makkelijk is om werk te vinden of niet.

Sigmund 12 juni 2013 - Peter de Wit

Ondernemen

Een pennengigant stuurde mij onlangs een pen. Het was een cadeau omdat ik 10 jaar ondernemer ben. Ik wist van niets. Enig speurwerk leert me echter dat de pennengigant gelijk heeft. Op 14 januari 2003 schreef ik de onderneming Sorgdrager Communicatie in bij de Kamer van Koophandel.

Sommige mensen zijn ondernemer. Anderen zijn ondernemend. En ja, er zijn ook ondernemende ondernemers en ondernemers die maar wat ronddobberen. Tot die laatste categorie behoor ik. Ik ben geen ondernemer. Ik ben iemand die graag zijn geld verdient met schrijven en trainen. En dat het liefst van huis uit doet. In zijn eigen tempo. Met af en toe tijd voor een blogje of een middagje fitnessen en boodschappen doen. Er zijn niet zoveel werkgevers die mij onder die voorwaarden in dienst nemen. En zo werd ik zzp’er. Natuurlijk, ik chargeer wat, maar u begrijpt mijn punt.

Gisteren was ik bij de herdenkingsbijeenkomst voor Dominic van Vree. Dominic was ook een zzp’er, een van de vele zelfstandige ondernemers die Leermens telt.  Dominic was een ondernemende ondernemer. Hij had ideeën en dromen, maakte daar een verhaal rond, zocht geldschieters en opdrachtgevers, ging op pad en deed onderzoek en realiseerde voorstellingen. U begrijpt: hij is overleden. Plotseling. Zomaar. Binnenkort zou de volgende voorstelling in première gaan.

Als iemand die pen verdiende, was hij het.

Zelfstandig en zonder personeel

Ik ben zelfstandige zonder personeel, zzp’er. Al jaren. De eerste tijd combineerde ik dat met een halve baan. Sinds drie of vier jaar (ik zou het moeten weten) sta ik helemaal op eigen benen.

Een dezer dagen las ik ergens dat ik mij geen zzp’er zou moeten noemen maar ‘ondernemer’. Dat bestrijd ik. Hoe pijnlijk in zekere zin de constatering ook is: ik ben géén ondernemer. Ik onderneem weinig. Ik zit bij wijze van spreken gewoon de hele dag achter mijn computertje en wacht op nieuwe opdrachten. Om u gerust te stellen: die komen er. Zoveel dat ik mij bijna boos mag maken op onze nieuwe regering.

Dus toch maar zzp’er? Ik aarzel. Mijn bedenkingen gelden twee dingen: het woord ‘zelfstandige’ en de toevoeging ‘zonder personeel’. Het woord ‘zelfstandig’ suggereert dat  iemand die in loondienst is niet zelfstandig is. De toevoeging ‘zonder personeel’ stuit me tegen de borst omdat ik vind dat wat je bent, niet moet worden omschreven in negatieve termen. Ik ben niet ‘iemand zonder personeel’. Ik ben iemand.

Ik kom er niet uit. De tijd tikt door. Ik moet mee. Bedankt dat u even meelas.

Zorgplicht

Goed nieuws voor zzp’ers. Goed nieuws voor mij. Hoewel? Werkgevers hebben sinds kort een zorgplicht. Voorpaginanieuws in de Volkskrant van  gisteren. De Hoge Raad oordeelde onlangs dat werkgevers verplicht zijn te waken over de veiligheid van zelfstandig gevestigde ondernemers die zij inhuren. Dat lijkt me redelijk in situaties waarin de zzp’er als een “gewone” werknemer samen met echte werknemers aan het werk is en de zzp-constructie dus alleen gekozen is om de zzp’er snel weer te kunnen dumpen als er wat minder werk is. Of, anders geformuleerd, om efficiënt in te kunnen spelen op schommelingen in de werkvoorraad.

Ooit stond ik bij een videoloog thuis in de klerenkast. Ik schreef een artikel voor Visio over de nachtzichtbril. Zo’n bril moet je in een donkere ruimte proberen. De videoloog verwees mij naar zijn klerenkast. Het was een royale kast. De knaapjes hingen er keurig op een rij. Maar het was ook een volle kast. Ingepakt tussen de jurken en pakken en andere loshangende kledingstukken zag ik dankzij de nachtzichtbril dingen die ik zonder die bril nooit zou hebben gezien. Ik kwam er die keer zonder kleerscheuren vanaf. Maar wat had me er allemaal kunnen gebeuren … Wat als in die kast nog de minnaar van mevrouw verstopt zat, wat als ik zou zijn geschrokken van een onverwacht dessin op een van de jurken en van schrik het hoofd had opgericht en het ijzeren haakje van een van de knaapjes in het gezicht had gekregen? Wat als … Ik moet er niet aan denken. Hoewel, soms heel even.

Wie is in de nieuwe regelgeving verantwoordelijk voor mijn veiligheid? Ik moet mijn algemene voorwaarden nog maar eens grondig doornemen. Maar iets zegt mij dat deze uitspraak van de Hoge Raad het einde kan zijn van mijn avonturen in klerenkasten.

Wie wat bewaart eet wat

Wie de hele dag thuis werkt, is een gelukkig mens. Ik weet dat als geen ander. Ik, thuiswerkende zzp’er, kan als ik dat wil de hele dag klaverjassen, naar de vogels op hun vetbol kijken, hout hakken of stofzuigen en wc’s schoonmaken. Ik kan natuurlijk ook werken maar er is geen baas die me op de vingers kijkt en mijn klanten denken allemaal: ‘Die jongen is druk druk druk en een broedende kip moet je niet storen.’ En bovendien: wie thuiswerkt heeft alle avonden en alle weekenden ook nog tot zijn beschikking.

Tot zover rozengeur en maneschijn. Maar ik wil graag aandacht vragen voor een probleem waar meer thuiswerkers mee moeten worstelen. Het betreft snoep en chips. Als ik de boodschappen doe ben ik sterker en flinker dan als ik weer eenmaal thuis ben. In de winkel denk ik: ‘Ach, dat moet toch kunnen. Een zak drop in huis hebben zonder de inhoud direct te verorberen.’ En zolang de zak dicht is, lukt dat ook meestal. Maar er komt een moment dat de zak open gaat.

Vanaf dat moment heb ik geen rust meer. Het ligt er en het ligt er en ik weet dat het er ligt. Er is dan maar één oplossing: opeten. Maar soms zie nog een tweede oplossing: ik verstop de zak. Uit het oog uit het hart. En bij mij geldt: uit het hart, uit het hoofd.

En zo ontdekte ik onlangs toen ik de boekenkastbedstee schoonmaakte een halflege – sorry, halfvolle- zak pinda’s. Achter alle bundels van Kouwenaar. Wie wat bewaart heeft wat. Kouwenaar zou er een gedicht over schrijven. Ik -proleet- at wat pinda’s. Het beste was eraf.

U heeft een heel weekend voor de boeg. Lees de krant. Of liever: lees het gedicht dat Kouwenaar schreef over zijn bezoek aan Artis in de hongerwinter.

Gerrit Kouwenaar, Het blindst van de vlek

 

Daadwerkelijk letterlijk aan het werk

Soms hoor je een zegswijze of een woord waarvan je pas achteraf de ware kleefkracht ontdekt. Ik had dat met ‘daadwerkelijk’. Ik gebruikte het te pas en te onpas. Er gaat iets krachtigs vanuit, iets robuusts. Nog zo’n woord met een hoge plakfactor: ‘robuust’.

Gisteren hoorde ik in de uitzending van Pauw en Witteman iemand zeggen dat een werkgroep “letterlijk aan het werk gezet” wordt. ‘Letterlijk’. Ik geloof dat het staatssecretaris, sorry, minister De Jager was. Maar het kan ook de nieuwe baas van de KNVB zijn geweest. Wat stellen we ons daarbij voor?  Een groep mannen in pak, ze komen een duur conferentiecentrum binnen, lopen naar de vergaderzaal en leggen hun iPhones op tafel. Net als ze zichzelf een kopje koffie willen inschenken, komt onze staatssecr … sorry minister binnen en roept: “Ho, ho, heren. Waar denken wij mee bezig te zijn?” Hij duwt ieder een schoffel in de hand en stuurt ze de straat op. Letterlijk aan het werk. Dat schiet tenminste op.

Ondertussen duikt in de Volkskrant het dubbeledipspook op en moeten flexwerkers weer aan de slag. Waarom? Omdat ze wonderen verrichten voor de economie. Dankzij de zzp’ers konden bedrijven “relatief makkelijk meeademen met de conjunctuur”. We gaan dus maar letterlijk aan de slag: adem in, adem uit, adem …

Bij de Volkskrant krijgen ze er duidelijk plezier in
%d bloggers liken dit: